Woensdag 4 september : Mutterberger See - Platzengrube

Afstand : 15km
Duur : 9h30

De volgende morgen stond ik om halfzes op. Het was ijskoud buiten en het waaide nog hard. Met trui en regenjas aan, mijn muts op mijn hoofd en mijn handschoenen aan was het nog heel koud. Maar één ding viel al mee. Het was mooi weer en er waren helemaal geen wolken te zien, enkel een blauwe lucht. Zowat alle bergen waren nu te zien. Van de Wilde Freiger (3418m), Wilder Pfaff (3456m), Zuckerhütl (3507m), Schaufel Spitze (3332m), Stubaier Wild Spitze (3341m), Daunkogel (3330m) tot de Hintere Daunkopf (3225m). Toen de zon boven de bergen zichtbaar werd ging de wind plots in enkele minuten volledig liggen. Zo werd het toch nog vrij aangenaam in de zon. Wanneer ik mijn rugzak had klaargemaakt nam ik nog enkele foto’s van de omgeving, terwijl er wolken vanuit het Öetztal het Stubaital probeerden in te glijden, maar boven de gletsjer oplosten.

Mutterberger See

De weg daalde nu geleidelijk ten oosten van de Mutterberger See naar de eigenlijke weg in de richting van de Neue Regensburger Hütte. Net voor ik het hoofdpaadje bereikte passeerde ik langs een moeras met daarin een langzaam meanderend beekje, iets wat ik al eerder was tegengekomen. Wanneer ik weer op het juiste pad terechtkwam kwam ik de ene kudde schapen na de andere tegen. Het enige nadeel was dat ze hun behoeften blijkbaar enkel op het paadje lieten vallen.  

MutterbergDe weg liep nu langs de noordflank van het Mutterberger Tal en bleef ongeveer op dezelfde hoogte lopen, op uitzondering van enkele kleine stukjes klimmen. Wat verder kwam ik weer een grote kudde schapen tegen en beneden lag er weer een moerasje.

Opeens liep het pad niet meer door met gras begroeide hellingen, maar moest ik lichtjes stijgen over een lange puinhelling van grote rotsblokken. Geleidelijk moest er steiler geklommen worden en ik voelde voor het eerst dat mijn benen zwak waren. Het was onmogelijk om constant te blijven klimmen omdat mijn benen dat op dat moment niet aankonden. Ik klom altijd een stukje en rustte dan even uit. Waarschijnlijk was de slechte nachtrust van de voorbije nacht de oorzaak voor mijn zwakkere benen. Wanneer ik de lange puinhelling was overgestoken rustte ik uit bij een klaterend beekje. Ik nam van de tijd gebruik om een powerbar te eten, in de hoop dat het wat zou helpen. De weg bleef verder licht stijgen tot een kleine col. Daarna kwam ik in het Ruderhof terecht, een zeer steil hangend dal onder de Ruderhofspitze. De weg liep langs de zeer steile berghelling met rechts de diepe afgrond naar het Mutterberger Tal waar je meer dan 1000m lager soms een auto op de weg kon zien rijden.

GrabagrubenniederNa het Ruderhof kwam ik, weer via een kleine col met een zeer steile kabelpassage, boven aan de Nockgrube uit. Ik bevond me nu al ruim boven de 2700m en de weg bevatte veel gevaarlijke passages die met kabels beveiligd waren. De weg bleef verder lichtjes stijgen langs steile rotswanden tot aan de Grabagrubennieder (2881m), de hoogste col die ik zal beklimmen.

Op de Grabagrubennieder stonden veel mensen uit te rusten die van de Neue Regensburger Hütte kwamen. Naar die hut ging de weg nu verder. Het eerste deel van de afdaling van de Grabagrubennieder het Falbesoner Tal in was zeer steil. Al gauw liep het pad dood op een moreneveld vol met losse stenen. Hier was het voorzichtig afdalen over de onstabiele ondergrond. Je kon zien dat de weg recent opnieuw was gemarkeerd met rode verfbolletjes. Wanneer het steilste deel achter de rug was kon je op sommige plaatsen zien dat onder de stenen en grote rotsblokken een dik pak ijs lag afkomstig van de Hochmoos Ferner die hier wat hoger ligt. Op sommige plaatsen waren lange palen in de dikke massa stenen geplaatst om de juiste weg aan te duiden.

Hochmoos FernerNa een tijd, wanneer ik over de morene heen was, kwam ik terug op het pad terecht. Rechts was nu de verwilderde Falbesoner Bach te zien, die ik zonet had horen stromen onder de rotsblokken en ijsmassa, want ze stroomde onder de morene onderdoor. Ik wandelde even tot aan het water en zag dat het zwaar met sediment beladen was. Wat verder klom ik weer even van de weg om de Falbesoner See te bereiken. Dit meer had een felgroene kleur en was afgedamd door de morene van de Hochmoos Ferner.

Hohes MoosDe weg daalde nu geleidelijk af naar de Neue Regensburger Hütte. Na een tijd kwam ik bij het grote moeras in het dal uit, het Hohes Moos. De weg liep links van het moeras over de rotsblokken, maar ik probeerde even een gemakkelijker pad over platte stenen die in het moeras waren aangelegd. Spijtig genoeg hield dit paadje op en moest ik even door de modder naar de juiste weg. Toen ik een klein helder beekje passeerde dat links uit de bergen kwam stopte ik even om water bij te vullen. Wanneer dat klaar was merkte ik dat op zo’n vijf meter van het beekje een rottend kadaver van een schaap lag tussen de rotsen. Net voor de Neue Regensburger Hütte (2286m) nam ik nog een foto van het moeras en het dal.

In de hut at ik Gulachsuppe. Het was er druk binnen, maar ook buiten rondom de hut waren veel dagjesmensen die vanuit het dorpje Falbeson in het Stubaital de weg naar hier hadden gevonden. Het was al iets voor 16h00 toen ik terug vertrok. De weg liep nu eerst vlak langs de noordflank van het dal om dan plots een knik te maken naar het noorden om al zigzaggend de Schrimmennieder (2714m) te beklimmen, de laatste echte col. Alvorens ik aan de klim begon kwam ik nog twee Duitsers tegen, allebei van een jaar of 55 schatte ik. Ze zeiden dat ik mijn wandelstokken veel te kort maakte, maar je moest hen eens zien wandelen met hun handen ter hoogte van hun schouders. Zo lang maakte ze hun stokken.

De beklimming van de Schrimmennieder kende geen enkele moeilijke passage en mijn benen waren hersteld van het zwakke moment in de voormiddag. Boven op de col rustte ik even uit. De bergen aan de overkant van het Oberbergtal verdwenen in de wolken. In die wolkenband waren ook enkele Cumulonimbi verscholen. Het weer was in dit dal duidelijk minder goed dan in het Stubaital.

De afdaling van de Schrimmennieder was niet al te steil en liep eerst over een lange puinhelling en later over grote rotsblokken een klein zijdalletje van het Oberbergtal in. Wanneer ik in de bodem van het dalletje was hoorde ik een beekje diep onder de rotsblokken stromen. De weg splitste hier. Volgens de kaart zou ik naar rechts moeten, maar die weg stond op een steen met een rood kruis aangeduid. De weg naar links stond aangeduid met een pijl “Franz Senn Hütte”, maar stond niet op de kaart. Waarschijnlijk was deze weg recent aangelegd en was de oude weg te gevaarlijk geworden door de steile puinhelling waarover die voerde. Ik nam dus de tweede weg. Hij voerde het dalletje uit via een stuk met enkele kleine waterplasjes naar een kleine col. Zo kwam ik in het zijdalletje ernaast uit. De afdaling van deze col was vrij steil. Dan daalde ik in het dalletje steil verder over rotsblokken langs het beekje. Zo kwam ik op de plaats uit waar beide dalletje op elkaar uitkwamen en de oude weg dus opnieuw bij de nieuwe weg aansloot. Daar sloeg ik terug de oude weg in en steeg even opnieuw het eerste dalletje onder de Schrimmennieder in om daar een geschikte plek te zoeken om mijn tent recht te zetten.

Ik vond niet direct een geschikte plek. De vlakke stukken waren te stenig of de vlakke stukken die met gras begroeid waren lagen vol koeienvlaaien, hoewel er buiten een kudde geiten en schapen tegen de bergflank nergens koeien te bespeuren waren. Uiteindelijk vond ik toch een plek die behoorlijk door de koeien gespaard was gebleven. Wanneer ik mijn tent had rechtgezet, alles geïnstalleerd had en het eten kon beginnen klaarmaken was het al donker aan het worden. Toen ik gegeten had en wou gaan slapen was het buiten al pikkedonker en begon het ook te regenen en het bleef licht regenen tot diep in de nacht.

About

U leest het reis- en fotografie weblog van Joery Truyen. Contacteer me via joerytruyen [at] hotmail.com

Flickr

Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 

Recent Comments

    Archives