Afstand : 22,0km
Duur: 10h45
Klimmen : 1860m
Dalen : 1080m
Midden in de nacht werd ik wakker. Ik moest dringend plassen en daarom kroop ik, in trui en onderbroek uit mijn tent. Het was rond vier uur in de nacht en na ongeveer 32 uren onafgebroken regen was het nu droog geworden. Rond de valleiwanden hingen nog veel wolken, maar tussen de wolken was de donkere sterrenhemel zichtbaar en toeval of niet, de maan scheen precies door het nauwe gat van de Brèche de Tuquerouye (2666m). Om sneeuw te zien was het te donker. Ik kroop snel terug in mijn slaapzak en sliep verder. Om 6h40 werd ik gewekt door het alarm van mijn horloge. Ik kleedde me aan, ging snel naar buiten en zag dat het nog goed donker was. Er hingen nog steeds enkele wolkenslierten rond de valleiwanden en naarmate het lichter werd, werden ook de besneeuwde bergen zichtbaar. De sneeuwgrens was nu blijkbaar al wat opgetrokken en ik schatte ze op 2500m. De koeien lagen allemaal verspreid op een kleine afstand van mijn tent. Hoewel het snel licht werd bleven ze nog lange tijd verder rusten. Als ontbijt at ik een pakje hardkeks en daarna pakte ik alles in, terwijl een koe me al die tijd bleef aanstaren. Als laatste brak ik de buitentent af en wanneer ik dat deed merkte ik dat de regendruppels langs de ene kant van mijn tent vastgevroren waren. Dat gaf weer ijskoude handen, want niets is erger dan een bevroren tent inpakken.
Ondertussen waren alle wolken opgelost en restte een felblauwe lucht die afstak tegen de besneeuwde bergen. Om kwart voor negen begon ik dan met wandelen. Eerst nog met handschoenen aan om snel terug warme handen te krijgen. Een duidelijk wandelpad was er niet. Ik volgde het koeienpad dichtbij de rivier richting Cabane d’Estaubé. Helemaal terug tot de cabane ging ik niet. Op een gegeven moment kwam ik bij een betonnen brugje dat van de oever naar een grote rots midden in de rivier loopt. Voor ik de rivier hier overstak nam ik nog een foto van de besneeuwde Grand Astazou (3071m), de hoogste top in de Cirque d’Estaubé. Dan stak ik de rivier over, via het brugje tot op de rots. Om het tweede stuk van de rivier over te steken met mijn zware rugzak moest er wat hachelijk gemanoeuvreerd worden. Wanneer ik op de andere oever was moest ik nu steil stijgen door weide, waar verspreid weer enkele koeien stonden te grazen, tot ik op het bergpad kwam dat naar de Hourquette d’Alans loopt.
Al snel kwam ik op het pad en begon aan de regelmatig stijgende klim naar de bergpas. Al gauw steeg ik boven de schaduw uit van de bergen aan de oostkant van de vallei en wandelde dan in de felle zon. Even later stopte ik dan ook om mijn jas en trui uit te trekken. De klim liep nu verder met regelmatig een haarspeldbocht. Het uitzicht op de besneeuwde bergen werd steeds indrukwekkender en als je het dal uitkeek, zag je in het noorden op het Massif de Néouvielle, waar blijkbaar erg veel sneeuw gevallen was. Op een gegeven moment verscheen
er een alpenmarmot voor mij op een rots. Wanneer ik te dicht kwam begon hij te fluiten, terwijl hij mooi rechtop zat. Wanneer ik de eerstvolgende haarspeldbocht nam zag ik de rest van de familie. Ze huppelden snel weg achter de rotsen.
Ik klom verder en wanneer ik een vijftigtal meter onder de bergpas kwam, kwam ik de eerste hoopjes sneeuwresten tegen. Nog wat hoger lag er verspreid wat meer sneeuw. Toen ik op de bergpas aankwam om halfelf werd ik overdonderd door het zicht op het Vignemalemassief. Ook daar was veel sneeuw gevallen en de sneeuwgrens was met een duidelijke horizontale lijn zichtbaar. De Cirque de Gavarnie was niet helemaal zichtbaar, de Taillon (3144m) en de Brèche de Roland (2807m) waren wel te zien. In het noorden zag je op de Piméné (2801m) en de Petit Piméné (2667m). Beide bergen waren ook bedekt door een laag sneeuw. Onder de bergpas lag een kleine vlakte in het brede open zijdal. Hierop bevonden zich enkele meertjes en aan de rand van deze vlakte was de Refuge des Espuguettes (2043m) te zien. De bergpas zelf is in feite een diepe groeve in de raar gekleurde rotsen. Net ten zuiden van de pas ligt de Pic Rouge de Pailla (2780m) en zoals de naam van deze berg al zegt, was de kleur van de rotsen rood, maar de bergpas zelf bevond zich nog in de lichtbruine rotsen. Ik rustte even uit op de pas en at een stukje van het bananenbrood. Op de pas lag geen sneeuw meer, in tegenstelling tot gisterenavond toen ik vanuit het Vallée d’Estaubé zag dat de pas in de sneeuw lag.
Even later vertrok ik weer en daalde nu af in de richting van de Refuge des Espuguettes. Helemaal tot de berghut ging ik niet. Ongeveer halfweg tussen de Hourquette d’Alans en de refuge, sloeg ik rechtsaf op een bergpad dat weer via vele haarspeldbochten naar omhoog kronkelde. Bij de afslag stonden de gele bordjes van het Parque National die de weg aanwijzen. Het pad leidt tot de Piméné (2801m), de hoogste top in de bergkam ten noorden van de Hourquette d’Alans. Reeds na enkele haarspeldbochten kwam ik terug de eerste sneeuwhoopjes tegen en wat later wandelde ik over een volledig met sneeuw bedekte berghelling. Ook het bergpad was dicht gesneeuwd. Ik wandelde nu wat langzamer en voorzichtiger en zette mijn voeten in de voetsporen van de mensen die hier wat eerder ook naar boven waren gegaan.
Op een brede col boven op de bergkam zag ik twee mensen uitrusten. Niet veel later kwam ik hier ook aan. Ze vroegen of ik van Gavarnie kwam, maar ik antwoordde dat ik vanuit het Vallée d’Estaubé kwam via de Hourquette d’Alans. Er stonden meerdere rugzakken langs het bergpad in de sneeuw. De groep was de Piméné gaan beklimmen zonder rugzakken terwijl twee personen bij de rugzakken bleven wachten. Het bergpad liep nu naar het noorden verder langs de andere kant van de bergflank. Ik liep verder door de sneeuw met mijn rugzak, maar het werd een te gevaarlijke onderneming. Het werd te glad onder mijn voeten. Daarom deed ik mijn rugzak af, zette hem veilig tegen de bergflank en liep nu voorzichtig, voldoende op mijn wandelstokken steunend verder door de sneeuw. Het pad was niet meer duidelijk te herkennen door de sneeuw, maar ik volgde steeds de voetsporen van de mensen voor me. Even later kwam ik dan de groep tegen. Zij gingen al terug naar beneden.
Ik kwam uit boven op de bergkam op de dip tussen de Petit Piméné en de Piméné. Ik volgde verder de voetsporen over de nu veel dikkere sneeuw, kronkelend naar boven, steeds dicht bij de bergkam blijvend richting de top van de Piméné. Na een stuk klimmen kwam ik om vijf voor twaalf op 2780m bijna aan de top. Hier stopten ook de voetsporen. De groep was niet helemaal tot de top geklommen en ik zag dat ik dat beter ook niet kon doen. Het laatste stuk naar de top liep over besneeuwde rotsen en kon je alleen maar op handen en voeten overbruggen. Tevens was de afgrond langs beide kanten steil. Het risico wou ik niet nemen. Het uitzicht was wel prachtig: het volledig met sneeuw bedekte Massif de Néouvielle, de Vignemale in het westen, de Cirque de Gavarnie begrensd door de Taillon (3144m) aan de westkant en de Petit Astazou (3012m) en Grand Astazou (3071m) aan de oostkant en natuurlijk ook de Cirque d’Estaubé. De Monte Perdido (3355m) was niet zichtbaar. Een enorme lenticulariswolk bedekte de berg. Opeens zag ik ook dat er midden tussen de sneeuw een meertje lag een hondertal meter onder de top van de Piméné. De donkere kleur van het water stak fel af in die witte wereld. Ik nam snel enkele foto’s en keerde terug. Wanneer ik het hele stuk terug afgedaald was tot bij mijn rugzak nam ik de tijd om te eten en dan vertrok ik terug naar de Hourquette d’Alans.
Toen ik op het laatste stuk van de afdaling van de Piméné was, reeds terug onder de sneeuwgrens, vlogen er plots weer gieren voorbij. Ze kwamen van achter de Petit Piméné gevlogen en twee van hen zweefden verder richting de Hourquette d’Alans om daar ergens op de bergkam te landen. De andere drie cirkelden even rond in mijn omgeving en vlogen terug. Eén van hen was een zeer groot exemplaar, maar niet zo groot als de gier die ik de eerste dag ontmoette. De anderen waren kleiner. Ook bij hen hoorde ik het suizende geluid als ze dichtbij zweefden.
Terug beneden ging ik niet naar de Refuge des Espuguettes. Ik moest vandaag nog het Balcon de Pineta aan de noordwand van de Monte Perdido bereiken in Spanje over de Brèche de Tuquerouye. Indien ik naar de refuge ging om er iets te eten zou ik zeer laat Spanje bereiken en met de sneeuw die waarschijnlijk in de Brèche de Tuquerouye aanwezig zal zijn kon ik alle tijd wel gebruiken om hier voorzichtig te passeren. Ik nam dus weer het pad terug bergop naar de Hourquette d’Alans. Wanneer ik hier omstreeks halftwee aankwam, zat heel de groep mensen die ik onderweg naar de Piméné was tegengekomen hier uit te rusten. Eén van hen sprak me aan. Het werd al snel duidelijk dat het Engelsen waren en we spraken in het engels verder. Hij vroeg of ik tot de top van de Piméné was gegaan en ik antwoordde dat ik net als hun net onder de top was gestopt. Dan vroeg hij waar ik nu naartoe ging. Ik zei dat ik ging proberen naar Spanje te gaan via de Brèche de Tuquerouye. Toen hield hij de leider van de groep erbij, die Justin heette. Hij kende de streek en wist me te vertellen dat de Brèche de Tuquerouye geen gemakkelijke pas is. Hij is zeer steil en zeer gevaarlijk als er sneeuw ligt, vooral dan om af te dalen. Hij dacht eerst dat ik gewoon op de pas eens een kijkje wou gaan nemen naar de Monte Perdido om dan terug te keren, maar daarna had hij door dat ik ging verder trekken, Spanje in. Hij dacht dat dat wel te doen zou zijn. Zolang je maar niet afdaalde langs de zeer steile Franse kant. Hij wenste me nog een fijne dag en ik bedankte hem voor zijn uitleg, hoewel hij me niets nieuws had verteld.
Ik daalde ongeveer een driehonderdtal meter af om dan het minder reguliere pad te nemen richting de brèche en de Port Neuf de Pinède. Het pad liep nu op enige hoogte door de Cirque d’Estaubé en was met steenmannen gemarkeerd. Ik wandelde net onder de steile flanken van de Grand Astazou (3071m) en de Pic de Touquerouye (2819m). De wand van de cirque is zo steil dat er bijna geen sneeuw kon liggen op de rotsen. Achter mij lag de rood gekleurde Pic Rouge de Pailla (2780m). Deze berg was met dunne streepjes sneeuw bedekt volgens de gelaagdheid van het gesteente. Geleidelijk werd er licht gestegen en op een kleine rotsige vlakte kwam ik enkele schapen tegen. Voor me was steeds de Dent de Tuquerouye (2471m) te zien. Het is een grote geïsoleerde tandrots net voor de brèche. De brèche zelf werd nog niet zichtbaar. Ze lag nog verscholen in een couloir tussen de bergen. Nadat ik uiteindelijk bij de splitsing van het pad het rechtse pad nam en zo de weg naar de Port Neuf de Pinède (2466m) had genegeerd liep de weg, na een kort stuk steil klimmen, dood op een slagveld van enorme rotsblokken. Dit was in feite de puinhelling onder de steile wand van de Pic de Tuquerouye, die voornamelijk bestond uit grote rotsblokken die hier opgestapeld liggen nadat ze van de wand zijn afgebroken en gevallen. Hier en daar vond ik eerst nog een steenman, maar al snel hield het op. Erg was dit niet want ik wist dat ik naar de col moest klimmen tussen de Dent de Tuquerouye en de steile wand van de cirque. Langzaam klauterde ik van de ene rotsblok naar de andere en na een tijdje ontdekte ik terug een steenman dicht bij de col. Al snel kwam ik op de col en was deze lastige passage achter de rug, maar gedaan was het nog niet. De steile klim naar de Brèche moest nog komen. Wanneer ik vanop de col naar de couloir keek met boven aan de brèche was ik onder de indruk. Dit zag er straffe kost uit. Boven in de couloir lagen wel enkele sneeuwvelden en onderaan een groot verijst firnveld. De klim leek niet dicht gesneeuwd. Opeens merkte ik dat er twee gemzen vooraan in de couloir me onbeweeglijk stonden aan te staren. Wanneer ik het korte stukje afdaling aanvatte de couloir in, vluchtte ze omhoog weg over steile rotsen uit mijn zichtveld. Het was onbegrijpelijk hoe die dieren zo behendig langs de rotswand konden lopen. Ze maakten wel enkele stenen los tijdens hun vlucht en die vielen naar beneden slechts enkele meters voor me passerend.
Ik begon aan de klim. Zo een driehonderd meter hoger lag de Brèche de Tuquerouye. Met mijn stokken op de allerkortste lengte, over losse stenen en een vaag kronkelend pad ging het langzaam naar boven. Na een tijd rustte ik even uit en het uitzicht naar het noorden reikte nu over de Dent de Tuquerouye. Je zag het gehele Vallée d’Estaubé, met achter aan het Lac des Gloriettes. Weer hoorde ik in de couloir stenen naar beneden rollen, maar ik kon niet exact achterhalen waar. Ik begon verder met de klim en plots merkte ik iets raars op op de rotsen in de brèche. Wanneer ik wat hoger was zag ik dat het een Mariabeeld was dat men hier aangebracht had. Toen ik de laatste dertigtal meter moest aanvatten werd de Refuge de Tuquerouye zichtbaar en wist ik dat ik er bijna was. De Refuge de Tuquerouye is een klein onbemand berghutje in de brèche. Ik had geluk gehad dat er tot nu toe geen sneeuw lag op de klim, maar vanaf nu was het steile vage pad plots dicht gesneeuwd. Eerst probeerde ik de sneeuw te ontwijken door over de stenen te klimmen, maar dit was bijna ondoenbaar. Het was er zo steil dat de stenen weg rolden wanneer je ze betrad. Voorzichtig probeerde ik het dan over de sneeuw. Gelukkig was hij niet bevroren, zodat je veilig trapjes kon stampen in de sneeuw. Met deze techniek ging ik langzaam naar boven. Wanneer ik om vijf voor vier in de Brèche de Tuquerouye (2666m) was en om het hoekje van de refuge draaide werd ik weer eens overdonderd door het uitzicht. Het zicht vanaf de Brèche Spanje in was overweldigend. Dat kwam door twee zaken. Je ziet van hieruit op de met enkele kleine wandgletsjers bekleedde noordwand van de Monte Perdido (3355m), de derde hoogste top van de Pyreneeën en aan de voet van de berg ligt het donkerblauwe Lago de Marboré of Lago de Pineta (2592m) in het zogenaamde Balcon de Pineta. Het meer heeft meerdere namen. Maar waar ik nog erger van schrok was de sneeuw. Er lag hier heel veel sneeuw. Overal tussen de rotsen lag hier een dik pak sneeuw. De gletsjers waren zelfs moeilijk te herkennen op de wand, want die was volledig bedekt met sneeuw. Ook de afdaling naar het Balcon de Pineta was bedekt met een dik pak sneeuw, veel meer dan het laatste stukje van de klim daarnet. Ik begon me al zorgen te maken hoe ik hier verder moest en ik moest verder want er was weinig keuze. Terugkeren kon niet.
Ik zette mijn rugzak tegen de refuge, ging naar de deur en probeerde ze te openen, maar ze was op slot. Door het raampje zag ik een kachel, een bankje en enkele bussen met brandstof. Het was hier erg koud en er blies een stormachtige noordenwind door de brèche die soms een raar klapperend geluid maakte nabij een diepe gleuf in de rotsen dicht bij de brèche. Boven de rotsen zag ik nu het Mariabeeld van dichtbij met net eronder een klein zonnepaneel. Ook aan de andere kant van de brèche waren twee kleine zonnepanelen aangebracht op de rotsen om de refuge eventueel van stroom te voorzien. De top van de Monte Perdido verdween al vlug tussen snel voorbij razende wolken. Lang bleef ik hier niet want het was er onaangenaam door de koude wind. Ik begon langzaam aan de afdaling. Met één van mijn wandelstokken prikte ik steeds door de sneeuw om te voelen hoe dik het pak was. Dan zette ik mijn voet voorzichtig een stap omlaag. Op sommige plaatsen lag de sneeuw meer dan een halve meter dik. Meestal zakte ik niet dieper dan een tien centimeter in de sneeuw, maar af en toe waar de sneeuw minder compact lag zakte ik tot mijn knieën weg. Het duurde lang voor ik tot dicht bij de oever van het Lago de Pineta (2592m) was afgedaald.
Dan moest ik uitmaken langs welke kant ik het grote meer ging passeren. Volgens de Spaanse kaart die ik bij had liep het pad naar de westelijke oever van het meer, volgens de Franse kaart liep het pad juist naar de oostpunt van het meer. Ik zag precies dat er een pad onder de sneeuw lag een tiental meter boven de oever van het meer dat naar het oosten liep. Hier ging ik dan ook naartoe, want het meer langs de westkant passeren leek een stuk moeilijker. De oevers waren daar veel steiler. Of er nu wel degelijk een pad was heb ik nooit met zekerheid geweten. Ik liep nu op enige afstand van de meeroever door de sneeuw verder naar de oostpunt van het meer. Vlak door de sneeuw lopen was niet zo moeilijk meer als de afdaling, hoewel er nu soms grote rotsblokken lagen onder de sneeuw die er voor zorgde dat ik toch niet zo snel vorderde. Nog één keer zakte ik met mijn rechter been tot het midden van mijn dijbeen in de sneeuw. Hier lag dus zo’n zeventig centimeter sneeuw opgehoopt tussen de rotsen. Ik zat goed vast. Het koste me wat moeite om mijn been er terug uit getrokken te krijgen. Ik had nog steeds mijn korte broek aan en daarom was er nu weer een hele klit sneeuw bovenaan in mijn schoenen gedrongen. Terwijl ik mijn schoen aanhield, probeerde ik het er allemaal uit te prutsen.
Het was een heel eind naar de oostpunt van het meer. Door de sterke wind stonden er grote golven op het meer. Geregeld stak ik ook smeltwaterriviertjes over. Overal hoorde je water druppelen en stromen. De sneeuw was duidelijk aan het smelten, maar snel zal zo’n dik pak nog niet weggesmolten zijn. Wanneer ik aan de oostpunt van het meer aankwam, waar een brede rivier het verzamelde smeltwater van vele kleine stroompjes in het meer afleverde, zette ik mijn rugzak dicht bij de oever van het meer op een plaats waar net geen sneeuw meer lag. Hier vulde ik mijn waterzak weer helemaal vol met het meerwater. Dan vertok ik weer. Ik ging nu langzamerhand een plaats zoeken om mijn tent op te kunnen stellen. Een wandelpad was hier duidelijk niet, maar toch merkte ik hier een besneeuwde steenman op, op de twee meter hoge rotsrichel aan de oostpunt van het meer. Via een soort natuurlijk trapje klom ik de rotsrichel op. Voor me lag nu weer een dalletje waar weer een brede rivier smeltwater vervoerde naar het meer. Steenmannen waren verder niet meer te bekennen. Achter de rivier, eigenlijk midden in het Balcon de Pineta, lag een kolossale bult van vaste rots, die weer bedekt was met sneeuw. Gemakkelijk kon je hier niet opklimmen, want hij was vooraan begrensd door een lange enkele meters hoge en vrijwel verticale rotswand, waar heel wat sneeuw opeen gehoopt lag tegen geblazen. Ik stak de rivier over en zocht een plaats waar ik de rotsbult kon opklimmen. Eerst ging ik westwaarts, dicht bij de oevers van het meer blijvend, naar een plek waar de rotswand niet zo hoog was. Toen ik vlak voor de plek stond zag ik dat het langs hier toch niet ging lukken. Ik volgde dan de rotswand, wat klimmend naar het oosten. Na een eind kwam ik op een plek waar de sneeuw zo fel was bijeen geblazen, dat hij tot aan de bovenrand van de rotswand reikte. De sneeuw moest hier wel zo’n drie meter dik liggen. Voorzichtig ging ik over de sneeuwhelling naar boven, oppassend dat ik niet te diep wegzakte want indien ik wegzakte zou dat wel eens zeer diep kunnen zijn. Helemaal bovenaan lag de sneeuw inderdaad blijkbaar niet zo compact. Ik stampte de sneeuw telkens eerst wat aan, maar nog zakte ik steeds tot bijna aan mijn knieën weg. Toch was het helemaal niet moeilijk en ik was snel boven.
Boven op de bult lag niet zoveel sneeuw. De wind heeft hier dan ook altijd vrij spel. Er waren zelfs uitgebreidde plekken waar geen sneeuw lag en de rots zichtbaar was. Voor me werd nu een diep dal zichtbaar, gelegen tussen de topografische bult en de steile noordwand van de Monte Perdido. In het dal stroomt de jonge Rio Cinca, die het water uit het Lago de Pineta wegvoert uit het Balcon de Pineta. Het dal was ook gevuld met enkele enorme rotsblokken die ooit van de noordwand van de Monte Perdido moeten zijn afgebrokkeld.
Ik liep terug naar het westen en plots kwam ik voetsporen tegen in de sneeuw. Er moest hier al iemand gelopen hebben. Ik volgde ze en merkte enkele steenmannen op tussen de sneeuw. Dit was blijkbaar de vage weg, die ook op mijn beide kaarten is aangegeven, die vanuit de oostpunt van het Balcon de Pineta naar de zuidpunt van het Lago de Pineta voert. Ik volgde de sporen door de sneeuw tot ik aan de zuidpunt van het meer kwam. Het Lago de Pineta is hier ingedamd door twee primitieve dammen van opeengestapelde en vast gemetselde stenen. Ik ging de eerste kleine dam over en vervolgens ook de tweede. Het waterpeil van het meer stond veel lager omdat het water gewoon door een gat onder in de tweede dam stroomde. Dit is de bron van de Rio Cinca, één van de grote Spaans Pyreneese bergrivieren. Van op de dam zag je weer aan de overkant van het meer frontaal op de Brèche de Tuquerouye met in de brèche de gelijknamige refuge. Je zag de sporen in de sneeuw vanaf de brèche die ik daarnet gemaakt had. Ik trok nog een foto en keerde nu terug om ergens een geschikte overnachtingsplek te vinden.
Ik volgde weer het met steenmannen bewegwijzerde spoor terug tot voorbij de plaats waar ik het ontdekte. Op een gegeven moment zag ik dat de voetsporen plots de steenmannen niet meer volgden. Terwijl het spoor van voetsporen verder afdaalde naar het dal waardoor de Rio Cinca stroomt, bleef ik nu de steenmannen verder volgen door de sneeuw. Er was duidelijk geen pad, maar de steenmannen waren goed te volgen. De weg bleef steeds ongeveer op dezelfde hoogte lopen.
Na een korte tijd kwam ik bij een grote ingesloten plas water, waar middenin nog een plak sneeuw op dreef. De plas lag in een soort bassin, ingebed in de vaste kalksteenrotsen. Van overal stroomde smeltwater hier samen. De plas waterde af op twee plaatsen. Langs de kant van de Monte Perdido werd de plas begrensd door een lage vrijwel horizontaal verlopende rug van vaste rots, waarin in het midden een ondiepe gleuf was waardoor het water met grote snelheid wegstroomde. Aan de oostkant van de plas bevond er zich een vlak stuk bodem, vrijwel sneeuwvrij en bestaande uit wat steentjes en klei, waardoor een kleine brede stroom het water rustig wegvoerde. Het was net hier dat ik de ideale plek vond om mijn tent op te stellen. Slechts enkele meters van de plas en de stroom en tegen de begrenzende vaste rotsrug stelde ik mijn tent op. Er had hier ooit blijkbaar al iemand overnacht met een tent, want er lagen stenen opeengestapeld die de kampeerplaats moesten beschermen tegen de wind. Er stond nog steeds een strakke wind en daarom plaatste ik ook een muurtje van stenen tegen de kant van mijn tent waarop de wind blies.
Rond halfacht stond mijn tent zoals het moest en begon ik het eten klaar te maken. Het uitzicht van in mijn slaapzak door de tentdeur viel recht op de Monte Perdido (3355m), waarvan de top nu meer en meer te zien werd tussen de snel voorbij stormende grijze wolken. Beter kon niet. Om halfnegen werd het snel donker en ging ik slapen, terwijl mijn horloge me nog vertelde dat het 5,7°c was in mijn tent. Het voelde toch nog kouder aan. Na een tijdje wanneer ik mijn ogen opende zag ik dat het nog opmerkelijk licht was in mijn tent. Het was net alsof er iemand met een zaklamp van op enige afstand door het ventilatiegat scheen. Toen ik doorheen het stof van de binnentent naar het ventilatiegat keek, zag ik inderdaad een rond wit licht. Het was de volle maan die net in het oosten over het Balcon de Pineta was gestegen. Ik deed mijn tent open, want dat wou ik wel eens echt zien. Het was prachtig. Er waren geen wolken meer. Het beeld van de maan die over de sneeuwvlakte van het Balcon de Pineta scheen en op de noordwand van de Monte Perdido is iets dat je nooit vergeet. Ik ritste alles weer dicht en viel snel in slaap.










No comments
Comments feed for this article