Afstand : 29,0km
Duur: 9h40
Klimmen : 830m
Dalen : 1620m
Vandaag ging de dag aanbreken waarop ik de langste afstand heb afgelegd. Normaal moest de dag gisteren de langste zijn, maar door onvoorziene omstandigheden had ik een andere weg moeten nemen. Ik was van plan om de Faja de las Flores te volgen hoog aan de noordwand van de Canyon van Ordesa tot in de Circo de Carriata. Hier zou ik dan de Faja de Mondarruego volgen tot in het Valle de Ara. In deze vallei zou ik dan afdalen naar Bujaruelo (1338m) om dan terug te klimmen naar het Ibon de Bernatuara (2275m), een kratermeer dat zo goed als op de Frans-Spaanse grens gelegen is. Ik wist die morgen nog niet dat ik hier vandaag nooit ging geraken. De Faja de Mondarruego bestaat namelijk niet (meer), maar staat wel op de Spaanse kaarten ingetekend. Om 7h15 werd ik weer wakker. Buiten schemerde het nog en de bergtoppen lagen verscholen in een wolkendek dat de hele hemel bedekte. Het was 8,4°c en er stond zo goed als geen wind. Dit moest ook de hele nacht het geval geweest zijn, want mijn tent was helemaal nat van de gecondenseerde dauwdruppels. Na het ontbijt en het inpakken van mijn spullen in mijn rugzak was ik om 8h35 klaar om te vertrekken.
Gisteren was ik bij het oversteken van de Barranco de Cotatuero het pad kwijt geraakt. Ik besloot dus om hier terug heen te gaan. Op de kaart staat de weg ook aan de overkant van de beek ingetekend. Toen ik terug de beek naderde zag ik plots een steenman staan een stuk over de beek en een dertig meter hoger op de helling van de plaats waar het pad ophield. Deze steenman had ik gisteren niet gezien. Ik stak de beek over en steeg dan zeer steil door het gras de helling op. Er was helemaal geen pad, maar om de twintig meter stond wel een steenmannetje. Ik kwam al snel tussen de kalksteenrotsen die door het gras uit staken. Vlak voor me zag ik nu een gems op de uitkijk staan op een rotsblok. Ze keek me onbeweeglijk aan om dan plots weg te springen uit mijn gezichtsveld. Het gras maakte volledig plaats voor rotsbanken en puinhopen van stenen waarop ik verder naar omhoog klom door steeds de steenmannen te volgen. Soms was het onduidelijk hoe ik verder moest omdat ik niet direct een nieuw steenmannetje zag staan. Ik kwam zo uit in de enorme karstvlakte van Cotatuero. Dit is een dorre wildernis van rotsen op de hoogvlakte van Ordesa gelegen tussen de Pica del Descargador (2627m) en de Pico de Salarons o Gallinero (2752m). In het noorden wordt de Cotatuerovlakte begrensd door de wat hoger gelegen Llanos de Millaris, de vlakte in de doline ten zuiden van de Brèche de Roland. Ondertussen was het wolkendek opengebroken en de zon scheen af en toe door de wolken heen. In de vlakte vond ik nog een steemmannetje, maar daarna miste ik elk spoor dat de weg kon aanduiden. Ik bleef in noordwestelijke richting voort wandelen tot ik op een gegeven moment een pad zag dat dwars voor me tussen de rotsen doorheen de vlakte liep. Ik ging er naartoe en volgde het dan naar links. Niet veel verder kwam ik aan een splitsing uit. Er liep een onduidelijk pad naar rechts dieper de karstvlakte in. Dit was de weg die naar de Brèche de Roland liep. Ik bleef het pad echter naar links volgen en al gauw werd het pad onduidelijk om dan weer te verdwijnen.
Over de rotsbanken liep ik verder in zuidelijke richting tot ik enkele tientallen meters verder weer een steenmannetje opmerkte. Ik liep ernaartoe en zag er dan nog een ander exemplaar op enige afstand verder. Over en tussen de rotsbanken liep de weg nu licht stijgend verder met op regelmatige afstand een steenmannetje. De weg liep nu geleidelijk de karstvlakte van Cotatuero uit. Ik keek nog even om en nam een foto op het moment dat een optrekkende wolk de Taillon (3144m) beter zichtbaar maakte. De wolken waren nu bijna allemaal opgelost. In het noordoosten lag de Circo de Cotatuero nu in de diepte en op de achtergrond loerde weer de top van de Monte Perdido (3355m).
Ik wandelde verder en kwam nu hoog boven de noordwand van de Canyon van Ordesa uit. Hier begon de Faja de las Flores. Het pad liep nu op een terras onder de rotswand van de canyon. Het terras was zelden meer dan drie meter breed. Links van me gaapte de honderden meters diepe afgrond. Wat verder kon ik een foto nemen van de Circo de Cotatuero, de Monte Perdido en mezelf.
Een rotsblok met een platte bovenkant was de perfecte plaats om het fototoestel op zetten. Ik liep verder tot ik na een tijdje aan Punta Gallinero uitkwam. Dit is het meest zuidelijke punt van de Faja de las Flores. Vanzelfsprekend had je hier het beste zicht over heel de canyon. Aan de overkant van de vallei was Punta Acuta (2242m) de opvallendste berg aan de rand van de canyon. Ik zag weer een gier of een arend een heel stuk lager in de canyon rondcirkelen. Plots hoorde ik een marmot zijn alarmkreet uitpiepen een stuk terug van waar ik kwam. Toen zag ik waarom. Er zweefde een andere gier langs de berghelling. Hij kwam mijn richting uit gevlogen en passeerde vlak voor me slechts een vijf meter lager onder de rotsbank waarop ik stond. Terwijl hij voorbij zoefde hield hij zijn kop schuin om me aan te staren. Hij had duidelijk die typische gierenkop. Ik geloof dat het een vale gier was. Alvorens ik verder liep over de Faja de las Flores keek ik nog eens goed naar de Monte Perdido (3355m). Dit was misschien de laatste keer dat ik hem zag, want vanaf Punta Gallinero verdween de berg en de Circo de Cotatuero voorgoed uit het zicht.
Vanaf nu helden de rotswanden over het pad. Het was soms net alsof je door een halve tunnel wandelde. Ik passeerde zelfs een kampeerplekje dat begrensd was met een stenen muurtje. Hier op de Faja de las Flores hadden dus zelfs al mensen gebivakkeerd. De Circo de Carriata kwam nu in zicht. Even verder kwam ik aan een enorme rotsblok die van de rotswand was gevallen op het terras. Met zijn bovenkant leunde hij nog tegen de rotswand aan. Je kon onder de rotsblok onderdoor wandelen. Alvorens ik dat deed rustte ik even uit op een kleine rotsblok en at een powerreep op. Ondertussen keek ik de Circo de Carriata in. Deze circo was veel minder lang dan de Circo de Cotatuero. Aan de westkant wordt de circo begrensd door de Tozal del Mallo (2254m). Dit is een opvallende vooruitstekende rots. Beneden in de Circo de Carriata zag ik een pad lopen tussen het gras op een vlak terras. Het kwam van boven afgedaald en stuitte dan op een rotswand, waar het verder naar beneden moest gaan. Dit moest de passage zijn met stalen pinnen in de Circo de Carriata, de zogenaamde Clavijas de Salarons of ook wel de Clavijas de Carriata. Volgens het boek van Ton Joosten zou deze passage minder lastig zijn dan die in de Circo de Cotatuero. Ik moest echter deze passage niet nemen, want ik was niet van plan om door de Circo de Carriata af te dalen terug de canyon in. Alvorens het pad op de rotswand dood liep splitste er zich nog een ander pad af naar rechts dat verder liep over het terras naar de Tozal del Mallo (2254m). Dit pad ging ik nemen. Opeens hoorde ik weer een marmot zeer luid piepen. Al snel werd het een alarmkreet die plots ophield. Daarna hoorde ik niets meer. Het leek net alsof er een roofdier de marmot te pakken had en gedood had. Toen ik weer recht stond merkte ik op dat de kalkstenen rotsen vol met fossiele schelpen zaten. Ooit zijn deze rotsen miljoenen jaren geleden in zee gevormd uit afgestorven koralen.
Ik vertrok weer en liep onder de gevallen rotsblok onderdoor. Al gauw kwam ik op de karstvlakte uit hoog in de Circo de Carriata en hier eindigde dan ook de Faja de las Flores. Ik volgde het vage pad door het gras tussen de kalksteenbanken. Het karstlandschap was hier minder ruig dan dat van Cotatuero. Het pad werd al weer snel onduidelijk, maar ik bleef de steenmannetjes volgen in noordwestelijke richting. Voor me verscheen nu opeens een moerassige grasvlakte, de Aguas Tuertas. Dit was wel een mooi zicht. Een groene vlakte midden in een dor karstlandschap. De lichtbruine en rode kleur van het gesteente van de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) op de achtergrond versterkten nog eens het contrast.
Net voor de Aguas Tuertas maakte ik een scherpe bocht naar links en volgde nu de steenmannetjes naar het zuidzuidoosten. Ondertussen bleef een marmot maar aanhoudend luid roepen. Zijn schreeuw weerklonk tussen de bergen. Het was geen waarschuwingskreet. Het was net alsof hij riep om de dood van die andere marmot daarnet. Na een lange tijd stopte hij eindelijk en was hij blijkbaar gekalmeerd. Ik liep weer even door een doline en kwam dan weer tussen woeste kalksteenbanken terecht. Hier merkte ik ook geen steenmannetjes meer op. Ik bleef maar dezelfde richting uit wandelen en steeg zo over een enorme kalksteenbank lichtjes naar boven tot ik aan een afgrond kwam waar ik beneden de lagere delen van de Circo de Carriata kon zien liggen.
Ik keek nu of er rechts van de kalksteenbank waarop ik me bevond geen weg naar beneden liep, maar dit leek onmogelijk. Ik liep dan maar wat verder over de bank naast de afgrond naar het oosten tot ik plots het pad wat verder zag. Nadat ik de ruige bank verlaten had kwam ik op het pad terecht. Nu volgde een steile afdaling naar beneden tot ik op het terras kwam dat ik van boven op de Faja de las Flores al had gezien. Ik nam nu het pad naar rechts dat door het gras over het terras vrijwel vlak verder liep tot aan het einde van het terras. Hier liep ik dan licht stijgend verder langs de berghelling tot ik rond halftwaalf op de col uitkwam aan de Tozal del Mallo. Hier liet ik mijn rugzak staan en liep de laatste vijftigtal meter zonder rugzak aan naar het hoogste punt van de Tozal de Mallo (2254m). Hier had ik een mooi uitzicht over de Ordesacanyon. Na wat rondgekeken te hebben keerde ik terug naar mijn rugzak toen er net twee mensen aankwamen. Terwijl zij verder naar de Tozal de Mallo wandelden liep ik nu op de berghelling aan de col wat omhoog om te kijken waar het pad verder liep.
Volgens de kaart zou hier de Faja de Mondarruego beginnen, die me tot in Bujaruelo zou brengen, maar er was helemaal geen pad te zien. In de verte merkte ik blijkbaar een pad op over de grashelling onder de rotswanden. Ik liep dan maar verder over de grashelling ongeveer steeds op dezelfde hoogte blijvend. Opeens verscheen er een gems voor me die snel naar beneden weg vluchtte. Nog steeds werd er geen pad zichtbaar, maar wat verder liep ik plots toch over een vaag paadje. Dit was duidelijk een pad geweest, maar werd nu blijkbaar niet meer gebruikt en was dus vrijwel dichtgegroeid of door het kruipen van de bodem op de helling bijna dichtgeslibd. Dit is weer typisch iets voor de Spaanse kaarten. Een wandelpad intekenen dat er eigenlijk niet meer is. Ik wandelde toch maar verder. Als dit paadje vroeger een wandelpad was en nog op de kaart staat moet ik langs hier wel verder kunnen. Gemakkelijk was het niet want de grashelling was zeer steil.
Af en toe kwam ik aan een rill uit die gevuld was met losliggende stenen, die ik dan voorzichtig over stak. Nadat ik zo twee hangende dalen doorkruist had, stopte ik op de hangende bergrug tussen twee hangende dalen in. Hier was de grashelling minder steil en kon ik gemakkelijker in het gras zitten. Hier at ik dan een hardkek onder de brandende zon. Ik bevond me nu hoog boven het einde van de Ordesacanyon. Het uiteinde van het Valle de Ara werd van hieruit zichtbaar. Beneden in de diepte stroomde ergens een 1300m lager de Rio Arazas met de Rio Ara samen. In de verte lagen de dorpjes Torla (1030m) en Broto (905m) in het daar veel bredere dal tussen de afgeronde bergtoppen. Aan de overkant van het Valle de Ara lag de veelkleurige Sierra de Tendeñera nu veel dichterbij. Ik vertrok weer het volgende hangend dal in, maar was ondertussen het vage paadje kwijtgespeeld. Af en toe kwam ik nog de sporen van een paadje tegen waarop nauwelijks nog gelopen kon worden. Toch liep ik verder en na weer enkele hangende dalen doorkruist te hebben kwam ik aan een passage waar de grashelling over ging in een trapjeshelling van rotsbanken. Elk trapje lag vol met losliggende stenen wat het gevaarlijk maakte. Ik twijfelde of ik nog verder zou gaan. Het was immers al een hele tijd geleden dat ik nog enig spoor van het oude paadje had gezien en de route werd steeds ruiger. Toch ging ik traag en voorzichtig verder tot ik weer op een hangende rug uitkwam tussen twee hangende dalen in. Toen ik het volgende hangende dal zag zakte de moed in mijn schoenen. De grashelling hield in de verte plots op. Er waren enkel nog verticale rotswanden. Het was onmogelijk om hier verder te gaan. Mijn hele plan moest ik nu wijzigen en een enorme omweg maken. Ik moest nu het hele rottige stuk terug tot aan de Tozal del Mallo, om dan via de Clavijas de Carriata in de Circo de Carriata weer helemaal tot beneden in de Ordesacanyon af te dalen. Daar zou ik dan door de bodem van het dal naar het Valle de Ara wandelen om dan de Aravallei via de oninteressante onverharde weg in te wandelen tot het laatste gehuchtje Bujaruelo (1338m). Dat ik vandaag het Ibon de Bernatuara (2275m) aan de Franse grens niet meer kon bereiken was nu wel duidelijk. Om woensdag op tijd in Cauterets aan te komen moest ik nu wel lange dagen gaan maken, schoot er door mijn hoofd.
Ik keerde terug, passeerde weer langs de gevaarlijke trapjeshelling en ontdekte dan het vage paadje dat ik die hele tijd in de heenweg verloren had. Ik ging nu veel sneller vooruit als in het heenkomen, maar het was toch nog een heel eind terug tot aan de col bij de Tozal del Mallo. Hier kwam ik uiteindelijk aan omstreeks 14h15. Ik rustte vijf minuten uit en liep dan verder terug de Circo de Carriata in. Bij de splitsing tussen het gras op het terras liep ik nu naar rechts zodat ik na een steil stukje afdaling inderdaad aan een vijf meter hoge rotswand kwam, waar weer net een groep Engelsen op hun gemakje naar boven kwamen geklauterd. Ondertussen bevestigde ik mijn wandelstokken op mijn rugzak en nadat ze allen boven waren kon ik afdalen. De rotswand was niet volledig verticaal, zodat ik over de verschillende trapniveaus naar beneden kon klauteren. Er waren geen pinnen aangebracht. De clavijas de Carriata moesten dus nog komen. Na deze passage daalde het pad steil verder tot ik niet veel verder aan een gelijkaardige rotswand kwam. Hier waren wel pinnen aangebracht. Ik klom langs de steile rotswand naar beneden en daalde dan weer verder af over het steile pad. De Clavijas de Carriata zijn inderdaad veel minder lastig dan die in de Circo de Cotatuero.
Geregeld moest er nog over enkele rotsen steiler naar beneden afgedaald worden, maar verder liep het pad geleidelijk minder steil naar beneden. Nabij de eerste haarspeldbocht naar links na een lang recht stuk kwam ik bij de eerste naaldboompjes uit. Vanaf nu kronkelde het pad steil verder naar beneden tussen de naaldbomen. Na een tijd afdalen ging het naaldbos weer over in een dicht loofbos en al snel was ik tot helemaal beneden in de canyon afgedaald. Het was nu reeds 15h50. Ik kwam uit op de asfaltweg die door het eerste stuk van de canyon loopt tot aan de Pradera de Ordesa (1310m). Ik stak de weg over net voor de toeristenbus kwam aangereden en volgde nu een paadje door een kleine weide. Een bord duidde aan dat dit paadje naar Torla liep. Nadat ik de kleine weide doorkruist had kwam ik na een kort stukje tussen berkenbomen uit aan een houten brug over de Rio Arazas. De bomen vertoonden al hun eerste herfstkleuren.
Nadat ik de brug had overgestoken kwam ik bij het stenen monument ter ere van Lucien Briet (1860 – 1921). Deze Parijzenaar verkende in het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw elke zomer een deel van de Aragonese Pyreneeën. Met een muilezel en een Spaanse gids trok hij erop uit en schreef alles op wat hij meemaakte en zag. De Ordesa regio heeft hij zeer uitvoerig verkend en daarom heeft men hier een monument geplaatst ter nagedachtenis aan hem.
Ik liep nu verder over het bredere pad door het dichte loofbos. Af en toe kon ik nog een stukje van de canyon of een waterval in de Rio Arazas waarnemen tussen het bladerdek door. Naarmate ik verder wandelde zakte de Rio Arazas rechts van me dieper weg in een kloofdal. Na een heel eind kwam ik eindelijk, bij het eindpunt van de canyon, aan een splitsing uit waar ik nu het pad naar Torla verliet. Ik sloeg rechts af en daalde zo af tot bij een betonnen brug over de Rio Arazas, net voor de monding van de rivier in de Rio Ara. Dan steeg het pad weer en liep onder één van de bogen van de brug van de autoweg die naar de canyon loopt door. Dan kwam het pad ook op deze autoweg uit net op de plaats van de afslag van de grindweg die het Valle de Ara in loopt.
Het was net 16h30 toen ik over deze geleidelijk stijgende grindweg de nauwe vallei in wandelde. Volgens een bord lag Bujaruelo nog een 6,5km verder. Links van me stroomde de wilde Rio Ara en geregeld reed er een auto langzaam voorbij. Na een hele tijd stak ik de Rio Ara via een brug over en wat verder stopte ik even om een kleine pauze te nemen. Dan liep ik weer verder. De vallei werd nu opener en de Rio Ara was hier veel breder en stroomde veel rustiger. Ik passeerde de camping Valle de Bujaruelo, maar liep verder. Na nog een heel eind over de oninteressante weg kwam uiteindelijk Bujaruelo (1338m) in zicht. Volgens de kaart is het een klein gehuchtje, maar dat was het zelfs niet. Er stond enkel een herberg en een campinggebouw. Op het grote vlakke campingterrein stonden slechts vijf tenten. Het laatste stukje tot Bujaruelo verliep licht dalend. Het was tien over zes toen ik hier aankwam.
Ik ging eerst een kijkje nemen in de herberg en kocht er een cola, die ik dan buiten op een bank opdronk. Daarna ging ik naar het gebouw aan de camping, maar er opende niemand de deur waar ik me moest aanmelden. Ze was ook op slot. Dan ging ik terug naar de herberg. Daar kwam ik te weten dat je een plaats voor de camping moest aanvragen in de herberg zelf. Ik moest mijn paspoort laten zien en de waard noteerde vervolgens zorgvuldig mijn naam en mijn identiteitsnummer. Dan begreep ik waarom. Ik moest pas betalen wanneer ik morgen vertrok. Dan vroeg ik vanaf wanneer ik morgen vroeg kon afrekenen, waarop hij antwoordde in gebrekkig Engels dat ze open waren vanaf halfacht. Ik zocht me vervolgens een kampeerplek en stelde mijn tent op. Wanneer dat klaar was stopte ik alles in mijn tent, ritste ze dicht en ging eens een kijkje nemen in het gebouw aan de camping. Binnen waren er tientallen lavabo’s, toiletten en douches. Alles was netjes proper. Dit was nogal eens een verschil met de camping in Gavarnie.
Ik liep terug naar mijn tent en nam snel mijn douchegerief. Eerst dacht ik dat er geen warm water uit de douches ging stromen, maar na heel lang, wanneer ik me al bijna helemaal had gewassen met koud water, stroomde er plots wel warm water door. Ik waste ook mijn haar en bleef dan een lange tijd onder het warme water staan. Dit was de eerste keer in acht dagen dat ik me eens helemaal kon wassen. Toen ik terug in mijn tent was maakte ik eten klaar met het water dat ik uit de douche had meegenomen in één van mijn colaflessen en nadat ik het eten opgegeten had ging ik slapen. Het was dan al 20h40. Ik zette het alarm van mijn horloge op 5h30, want ik wou absoluut om halfacht weg zijn. Doordat ik het Ibon de Bernatuara (2275m) vandaag niet meer had kunnen bereiken, zou het morgen weer een lange dag worden. Toen het al donker was reed er nog een fransman met zijn auto het campingterrein op en daarna hoorde ik hem zijn tent nog opstellen. Daarna viel ik in slaap.










No comments
Comments feed for this article