Dinsdag 16 september : camping Bujaruelo (1338m) - Refuge des Oulettes de Gaube (2151m)

Afstand : 25,0km
Duur: 10h00

Klimmen : 2280m
Dalen : 1470m

Om 5h30 liep het alarm van mijn horloge af. Ik kleedde me aan en ging naar buiten. Het was nog volledig nacht, maar de bijna halve maan verlichtte de bergen nog goed. Het was windstil, volledig onbewolkt en er waren opvallend veel sterren te zien. Ik zocht naar mijn zaklamp en zette dan mijn kookvuurtje klaar om mijn laatste zakje roerei met uien te bereiden. Toen dit rustig begon te bakken ging ik me wassen in het gebouw, maar de verlichting werkte niet zodat het er pikkedonker was. Dan ging ik maar terug naar mijn tent en pakte de dingen in die ik al kon inpakken in mijn rugzak, terwijl mijn ei verder bakte. Wanneer dit na een hele tijd klaar was at ik mijn ontbijt op en stak ik daarna alle andere spullen in mijn rugzak. Ondertussen had ik weer koude handen gekregen want het was weer een ontzettend koude morgen. Hoe koud het juist was wist ik niet, maar het moest bijna vriezen. Rond zeven uur begon het licht te worden en ging ik me wassen aan een lavabo net naast een raam in het gebouw aan de camping. Nu zag ik dat er aan de ingang van het gebouw een blad hing met daarop vermeld dat er enkel warm water was voor de douches tussen 8h30 en 22h00. Dit had ik gisteren niet gezien. Daar ging mijn plan om nog snel een douche te nemen. Buiten nam ik mijn rugzak en ging naar de herberg. Het was net halfacht, maar men wou voor mij nog niet open doen. De deur naar de bar was op slot en dit was eveneens het geval voor de deur waarop “private” stond. Ik klopte op beide deuren, maar niemand kwam open doen, hoewel ik iemand achter de deur hoorde stoelen klaar zetten en wat rommelen. Verschillende keren heb ik geklopt en ik weet zeker dat hij het hoorde, maar hij kwam niet open doen. Uiteindelijk ben ik maar naar buiten gegaan en kijkje gaan nemen naar de Rio Ara en de oude stenen brug, de Puente de Bujaruelo.

Wanneer het acht uur was begon het ontbijt voor de gasten van de herberg en deed de herbergier open. Ik kon uiteindelijk de rekening vragen. Nu wist ik wel waarom hij niet eerder open deed. Het was iemand anders dan gisteren die nu de waard was. Ik denk dat hij de broer was van de persoon van gisteren. Hij kon veel slechter Engels en begreep niet direct dat ik wilde afrekenen. Ik vroeg hem nog een cola die ik snel buiten opdronk en vertrok dan direct.

Het was nu tien over acht. Dat viel wel wat tegen. Ik stak de oude brug over en sloeg dan af op het pad dat naar de Port de Boucharo (2270m) klimt door een zijvallei van het Valle de Ara. Op een rots stond ook Boucharo geschilderd en een pijl die de richting aanwees van het pad. Ik klom nu tussen dicht struikgewas en bomen steil omhoog regelmatig over rotsen. Het pad kronkelde naar boven. Na een tijdje moest ik door een poortje. Ik hoorde de koeienbellen al rinkelen in de verte. Geleidelijk werd het struikgewas opener en kwam ik in overwegend grasland terecht. Hier en daar stonden nog enkele naaldbomen. Het pad kwam enkele meters boven het beekje, de Barranco de Lapazosa, uit. Hier zag ik nu de eerste koeien. Er waren ook veel kalveren. Ik passeerde slechts een twee meter naast een stier die links van me naast de beek stond te grazen. Hij was totaal ongeïnteresseerd in mij en keek me zelfs nog niet aan. Wat verder kwam ik aan een splitsing. Ik keek even op de kaart of dit al de splitsing was die ik moest nemen voor het Ibon de Bernatuara. De splitsing lag op 1600m volgens de Franse kaart, 1640m volgens de Spaanse kaart en volgens mijn hoogtemeter zat ik ook ongeveer zo hoog. Hier moest ik dus niet meer rechtdoor naar de Puerto de Boucharo maar moest ik links afslaan en over het stalen brugje de beek oversteken. Vervolgens steeg het pad door een stuk loofbos om dan op een hellende grasvlakte uit te komen nabij de Refugio Plana de Sandaruelo (1680m). Dit was enkel een herdershutje. Er stonden hier weer veel koeien en kalveren. Het pad steeg geleidelijk terug steiler naarmate ik de vlakte doorkruiste. Soms stonden er koeien op het pad, die dan op het laatste moment angstig voor me opzij stapten.

Nadat ik boven aan de vlakte was liep het pad op enige hoogte de Sandaruelovallei in. Dit is een steil kort zijdal van het dal waardoor de Barranco de Lapazosa stroomt. Het pad ging steil verder omhoog en na korte tijd moest ik verschillende beekjes oversteken die in het dal samenstromen. Er graasden hier nog steeds groepjes koeien op de berghelling. Het pad was soms sterk platgetrapt door de koeien en er liepen vaak koeienpaden naast het eigenlijke wandelpad die het wandelpad dan weer eens kruisten. Zo was het soms verwarrend welk pad nu het eigenlijke wandelpad was. Af en toe lag er nog een steenmannetje die de juiste weg dan duidelijk maakte. Naarmate ik verder steeg kwam ik plots aan een plek waar het gras met rijm was bedekt. Aan alle grassprietjes hingen stukjes ijs. Het vroor hier dus. Het was hier dus nog kouder dan deze nacht in Bujaruelo. Gelukkig stond er nog steeds zo goed als geen wind zodat er toch aangenaam kon gewandeld worden. Ongeveer midden in de vallei steeg ik uit de bergschaduw en werd het warmer in de zon. Niet veel verder verloor ik het pad op een drassig vlak stuk. Ik wandelde verder op mijn intuïtie en kwam plots weer op het pad uit. Vanaf nu klom ik sterk kronkelend verder omhoog over de berghelling over een wirwar van koeienpaadjes.

Het ging al eventjes niet meer zo snel vooruit. Ik was duidelijk vermoeid van de laatste twee dagen die me veel krachten hadden gevraagd. Ik ging zitten op één van de weinige rotsen die hier tussen het gras uitstaken en at mijn laatste powerreep op. Daarna klom ik traag verder naar omhoog terwijl ik duidelijk voelde dat ik niet zo veel krachten meer had. Dat zag er niet zo goed uit want ik moest vandaag op zijn minst hoe dan ook bij de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) uitkomen om morgen nog op tijd in Cauterets te kunnen zijn. Na deze klim volgde in Frankrijk nog een laatste lange en steile klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Na de Brèche de Roland (2807m) was dit de hoogste en tevens de laatste bergpas in mijn tocht.

Ik zag links voor me reeds de col waarnaar ik toe moest klimmen. Het was niet ver meer. Na nog een tijdje klimmen liep het pad naar rechts ongeveer vlak langs de berghelling lopend naar de col (2305m). Op de kleine col stond plots een frisse bries vanuit het noorden en nu zag ik het kleine kratermeer Ibon de Bernatuara (2275m) beneden liggen. Ik daalde het korte steile stuk af tot aan de waterkant van het meer en volgde dan het vage pad langs de oever verder. Een eindje verder zette ik me dan in het gras om even uit te rusten. Ik keek op mijn horloge en zag dat het 10h35 was. Ik zat dus nog op schema want toen ik deze ochtend in Bujaruelo (1338m) vertrok, legde ik mezelf op om ten laatste om elf uur aan het meertje te zijn.

Ibon de BernatuaraHet Ibon de Bernatuara is een uitzonderlijk bergmeertje omdat het helemaal ingesloten licht in een soort krater en dan nog wel net op de hoofdkam van de Pyreneeën. Geen enkel beekje stroomt in of uit het meertje en daarom was het ook muisstil in deze put. Er was ook weer helemaal geen wind. Slechts af en toe werd de stilte doorbroken door een visje dat uit het water sprong. Het water van het meertje had een groenige kleur en zat vol kleine vissen. Opeens merkte ik een grotere slanke vis op. Ik dronk weer wat en merkte dan dat mijn waterzak weer leeg was. Toch besloot ik om hier geen water uit het meer te nemen om mijn watervoorraad weer aan te vullen want het meerwater zag er toch niet betrouwbaar uit. De koeien van de naburige vallei kwamen blijkbaar ook over de col tot bij het meertje, want ik had koeiensporen opgemerkt in de korte afdaling naar het meertje en op de oever lag trouwens een koeienvla.

Uitgerust vertrok ik weer en klom nu over de zeer steile klim de krater uit naar de Puerto de Bernatuara of in het Frans de Col de la Bernatoire (2336m). Hierboven aangekomen zou ik net op de Frans-Spaanse grens moeten staan. Ik klom nog een stukje de berghelling op om een foto van het meertje te nemen. De Taillon (3144m) en de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) verschenen vanaf hier in de verte. Daarna daalde ik dan voorgoed Frankrijk in. Het Ibon de Bernatuara was het allerlaatste stukje Spanje geweest. Ik daalde nu de Vallée de la Canau in. Dit is een zijvallei van de tien kilometer lange Vallée d’Ossoue die van de Vignemale tot aan Gavarnie loopt. Het was een kale vallei vol met reeds verdord gras. Ik hoorde ook weer koeienbellen, maar zag ze nog niet. Dan passeerde ik een kleine groep trekkers die hier naar omhoog kwamen. De afdaling verliep niet al te steil en zonder haarspeldbochten. Na een hele tijd was ik beneden in de kleine vallei en nabij een bron naast de beek vulde ik mijn waterzak. Het water kwam hier met een groot debiet gewoon uit de berghelling geborreld. Vervolgens deed ik de allerlaatste hoeveelheid Extran die ik nog bij had in de waterzak. Wanneer ik niet veel verder was kwam ik een oude fransman tegen die me vroeg of ik van het kratermeertje kwam. Hij vroeg me nog of het de moeite was, waarop ik hem antwoordde dat het wel een mooi meertje is. Eventjes verder kwam zijn vrouw achterna. Ik liep verder meestal licht dalend door het kleine dal tot op het plateau in het einde van het dal tegen de Vallée d’Ossoue aan. Op dit plateau kwam ook nog een tweede korter en steiler dal uit, het Vallée de Lécadé. Ik nam hier nu het pad naar links dat, nadat ik het plateau doorkruist had, langs de linker dalwand van het Vallée d’Ossoue verder liep eigenlijk weer over wandterrassen zodat de bodem van de vallei nooit zichtbaar werd. De top van de Grand Pic de Tapou (3150m) werd even zichtbaar. Dit is de meest zuidelijke drieduizender van het Vignemalemassief. Achter me zag ik de Piméné (2801m) en nog net de twee Astazous (3012m en 3071m). Het Valle d’Ossoue was in prachtige kleuren gehuld. De hele bergwereld had een bruine tot oranjeachtige kleur onder de brandende zon. De herfst was duidelijk begonnen in de bergen in tegenstelling tot het prachtige weer. De lucht was volledig donkerblauw. Nog steeds was er geen enkel spoor van een wolkje te bespeuren. Dit was ongetwijfeld de dag met het mooiste weer van heel de tocht. Nadat ik enkele dagjesmensen passeerde verscheen na een tijdje plots de Barrage d’Ossoue (1830m) voor me. Dit is een klein stuwmeer met ongelooflijk zuiver water. Eigenlijk verbaasde het me dat het water zo helder was, want de Gave d’Ossoue vervoert immers het smeltwater van de Glacier d’Ossoue en normaal is het smeltwater van een gletsjer steeds troebel.

Ik moest slechts een tiental meter afdalen tot ik aan de kleine stuwdam kwam. Het water loopt in het midden van de dam over de dammuur en valt dan via een brede waterval naar beneden. Nabij het stuwmeertje ging ik in de schaduw zitten onder een rots en nam dan de tijd om een hardkek te eten. Het was 12h30 toen ik weer vertrok. Ik stak de Gave d’Ossoue over via een stalen brugje achter de stuwdam. De rivier stroomt achter de dam door een smalle kloof. Even werd ik nat van de opzwalpende druppeltjes van de waterval.

Ik kwam nu uit aan de andere oever van het stuwmeertje en hier volgde ik nu het pad verder naar het westen. Het Vignemalemassief lag nu voor me en er kon een klein stukje van de Glacier d’Ossoue waargenomen worden onder de toppen van de Petit Vignemale (3032m) en Pointe Chausenque (3204m). Ik passeerde de Oulettes d’Ossoue, de vlakte voor het stuwmeertje waar de Gave d’Ossoue met verschillende armen door stroomt alvorens in het meertje uit te monden, stak dan de rivier over via een vervallen betonnen brugje en startte dan aan de lange en steile klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Zo’n 900m moest ik nu dus klimmen het Vignemalemassief in. De klim begon al ineens steil. De gave d’Ossoue stroomde rechts van me steeds dieper door een nauwer dal. Voor me kwam nu de vrij hoge waterval helemaal in zicht, waarvan ik het bovenste gedeelte reeds lang had gezien. Via enkele haarspeldbochten klom ik steil verder en net boven de waterval maakte het pad een bocht naar links zodat achter de rotswand weer een nieuw deel van het dal in zicht kwam. Door een opener stuk in het dal liep de weg nu verder omhoog langs de rotsige berghelling. Op de berghelling links van me lagen enkele plakken oude sneeuw die de zomer overleefd hadden. Even verder lag er een grote blok harde oude sneeuw net naast het pad. Ik moest toch net af het pad gaan om de blok te kunnen passeren. Na een tijdje draaide het pad weer naar links om de hoek van een vooruitstekende rotsrug in het dal en kwam zo weer een ander opener deel van het dal te voorschijn. Het pad liep nu een stuk dalend verder. Ik rustte even uit in de schaduw onder een steile rotswand en liep dan het stuk verder dat licht afdaalde. Ik kwam een stuk onder de eindtong van  de Glacier d’Ossoue uit. De gletsjer kon van hier uit niet gezien worden, maar zonder op de kaart te kijken wist ik dat de Glacier d’Ossoue hier wat hoger eindigde. Het pad liep nu over afgeronde keien die een veel lichter grijze kleur hadden dan de rotsen in de omgeving. De gletsjer moest hier duidelijk vroeger hebben over geschuurd, maar heeft zich ondertussen al sterk terug getrokken. Het pad begon van hier uit weer geleidelijk steil te stijgen en draaide dan stilaan naar links zodat na een tijdje de Glacier d’Ossoue wel voor me verscheen. Ik passeerde de Grottes de Bellevue. Dit zijn de kleine holten die Henry Russell in het begin van de twintigste eeuw op zijn eentje ooit heeft uitgehakt in de kalkstenen rotsen om gemakkelijk onder de Vignemale te kunnen overnachten.

Glacier d'OssoueHet pad kronkelde steil naar boven tot ik weer aan een bocht kwam naar links die me in het bovenste gedeelte van het dal bracht. Het zicht op de gletsjer verdween nu en na enkele haarspeldbochten verscheen plots de eerste glimp van de Refuge Bayssellance (2651m), de hoogst gelegen berghut van de Pyreneeën. Tegelijkertijd kwam ik weer de eerste hoopjes sneeuwresten tegen naast het pad. Restjes van de sneeuw die vorige week was gevallen. Ik zat al zeer hoog in de bergen. Indien ik hier exact zes dagen eerder moest passeren dan zou ik waarschijnlijk weer door een dertig centimeter dikke sneeuwlaag moeten ploeteren. Tussen een wildernis van fel rode rotsen klom ik nu over het pad het laatste stuk tot aan de hut. Rondom de hut zaten weer veel mensen. De meeste van hen dronken bier. Toen hoorde ik de taal die ze spraken en dat was, hoe kon het ook anders, Duits. Ik dronk een cola aan de hut en at er een twix. Het was ondertussen net drie uur. Ik had de klim tegen een onverwacht snel tempo afgelegd. De kleine krachtinzinking die ik plots kreeg op weg naar het Ibon de Bernatuara deze ochtend was gelukkig snel volledig over gegaan.

De Refuge de Bayssellance was mooi proper van binnen. Men heeft de hut een lange tijd gerestaureerd. Daarom is ze pas sinds deze zomer weer open. Vanaf de refuge is de Hourquette d’Ossou (2734m) zichtbaar, met links van de bergpas de top van de Petit Vignemale (3032m) en in de achtergrond de toppen van Pointe Chausenque (3204m) en de Pic Longue de Vignemale (3298m) zelf. Dit was de eerste keer dat ik de Pic Longue van dichtbij zag. Ik was al ver gevorderd voor vandaag en daarom was het perfect mogelijk om de Petit Vignemale nog te beklimmen. Deze ochtend dacht ik nog dat ik deze berg sowieso moest overslaan wegens tijdsgebrek. De Petit Vignemale is trouwens de enige bergtop van het hele Vignemalemassief die kan beklommen worden zonder daarbij over de Glacier d’Ossoue te moeten gaan.

Na ongeveer een half uur aan de hut vertrok ik weer voor het laatste stuk van de klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Dit laatste stuk was niet meer zo steil. Om tien over vier kwam ik op de bergpas aan en was meteen weer onder de indruk van het uitzicht in en over het Vallée de Gaube. Het blauwe Lac de Gaube (1725m) lag helemaal achteraan in dit dal en viel fel op. Eigenlijk zag ik nu weer op een heel ander stukje Pyreneeën. Van de allereerste dag tot en met nu heb ik door een berglandschap gewandeld dat gevormd is door gelaagde kalksteen en waarin piekvormige bergen een zeldzaamheid zijn. Enkel het Massif de Néouvielle was het enige stukje Pyreneeën dat ik van relatief dichtbij heb gezien en dat niet uit kalksteen bestaat. Nu zag ik in het westen granieten pieken zoals de Grand Barbat (2813m), de piramidale Gran Facha (3005) en de met gletsjers bedekte Balaïtous (3144m) en deze berg is tevens de meest westelijke drieduizender van de Pyreneeën. Ook de befaamde steile noordwand van het Vignemalemassief zag ik nu van opzij met de Glacier des Oulettes met zijn diepe spleten in de diepte. Het was duidelijk te zien dat het Vignemalemassief de meest westelijke uitbreiding vormt van de kalksteen.

Ik beef even op een rots zitten op de col om rond te kijken. Als laatste bekeek ik nu de klim naar de top van de Petit Vignemale die hier op de Hourquette d’Ossoue begint. Een groep was net halfweg in de klim. Het leek erg op de beklimming van de Taillon, alleen nog wat steiler. Ik begon eraan met mijn rugzak aan, hoewel ik hem liever had achtergelaten op de pas, maar er kwamen nog steeds mensen aan gewandeld. Zigzaggend liepen er verschillende paden steil naar boven over de platte oostelijke berghelling van de berg. Ik passeerde een groot sneeuwveld en kwam na heel wat klimmen over de losse ondergrond ongeveer halfweg bij de steile afgrond uit aan de zuidkant van de berghelling. Hier had ik een goed zicht op de Glacier d’Ossoue en de Montferrat (3219m). De diepe spleten in de gletsjer waren van hier uit goed te zien. De klim liep nu verder dicht bij de afgrond en na een tijdje maakten de losse rode steentjes onder mijn voeten plaats voor vaste grijze kalksteenrots. Hier en daar lag nog een plek sneeuw. Opeens kwam de top in zicht toen ik iemand van de groep voor me boven zag staan. Over de kalksteenrotsen klom ik het laatste stuk naar boven. Iets voor de top plaatste ik mijn rugzak veilig tussen de rotsen en passeerde dan de groep op de eerste top. Het waren Engelsen. Zij stonden in feite niet op de eigenlijke top van de Petit Vignemale (3032m). Een twintig meter verder lag de eigenlijke top die nog een twee meter hoger was dan de plaats waar de Engelsen stonden.

Cirque de GavarnieOp de echte top nam ik enkele foto’s en genoot van het uitzicht. Het uitzicht vanop de Taillon (3144m) was al grandioos, maar deze berg was beslist de mooiste uit mijn tocht. Vlak voor me in het westen ligt grote broer Pic Longue de Vignemale (3298m). Aan de linker kant ligt beneden in de diepte de witte Glacier d’Ossoue en aan de horizon dichtbij de zuidelijke toppen van het Vignemalemassief als de Cerbillona (3247m) en de Montferrat (3219m). Aan de rechterkant de duizelingwekkende verticale afgrond aan de noordkant van het massief, met beneden de Glacier des Oulettes en de Oulettes de Vignemale in de bodem van het Vallée de Gaube. Aan deze sandrvlakte was de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) als een piepklein gebouwtje te ontwaren. Natuurlijk lag achter in het dal weer het grote Lac de Gaube (1725m). In het noordwesten waren de granieten pieken nu nog mooier te bewonderen. De Grand Barbat (2813m), die me vanaf nu altijd weer aan de Besiberri (3014m) uit het Parque Nacional d’Aïguestortes y Estany de Sant Maurici zal doen denken. Deze twee bergen lijken sterk op elkaar. Vallée de GaubeDe enorme piramide die de Gran Facha (3005m) is, en de Balaïtous die eigenlijk alles domineert schuin achter de Gran Facha. Nu zag ik ook in de uiterste verte het bovenste gedeelte van het symbool van de Pyreneeën : de Pic du Midi d’Ossau (2884m). Deze berg is een echte kollos van een piek. In het zuidoosten was bekend terrein te zien. De Barrage d’Ossoue en de Cirque de Gavarnie met de Brèche de Roland (2807m), langs de rechterkant begrensd door de Taillon (3144m) en de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) en langs de linkerkant door de Astazou-tweeling (3012m en 3071m), centraal de Pic du Marboré (3248m), de hoogste top van de cirque en met net achter deze laatste berg de top van de Monte Perdido (3355m) die nog net te voorschijn kwam. Ik zag hem dan toch nog eens. Ook de kleinere Cirque d’Estaubé zag ik van hieruit. Ginder was het dat ik mijn eerste twee nachten had doorgebracht. In het oosten lag weer het Massif de Néouvielle, waar in al die tijd nog steeds veel sneeuw lag. In het noordoosten was de Pic d’Ardiden (2988m) de opvallendste berg. Er lag een enorme puinwaaier tegen zijn zuidkant aan. Achter de bergen in het noorden lag de Franse vlakte onder een grijze nevel gehuld, waarop ik zelfs de stad Tarbes duidelijk kon zien liggen. Er was enorm veel te zien vanop deze berg en nog steeds was het stralend weer met zo goed als geen wind, ook hier op de top.

Ik wou net weer afdalen toen de Engelse groep ook wou gaan vertrekken. Iemand van hen vroeg of ik wilde dat ze een foto van me namen. Oké dan maar. Hierna daalde ik af, veel sneller dan de Engelse groep. Na een stukje afdalen kwam ik weer dicht bij de steile afgrond uit aan de zuidkant van de berghelling. Glacier d'OssoueHier nam ik nog een foto van de Glacier d’Ossoue. Dan daalde ik verder af over de wirwar van paadjes vol losse steentjes en langs enkele sneeuwvelden tot terug op de Hourquette d’Ossoue (2734m). Het was nu tien voor vijf en ik begon meteen verder aan de afdaling het Vallée de Gaube in naar de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m). Deze afdaling begon al meteen lastig. Het pad lag vol met grote losse keien. Na vele kronkels daalde het pad wat minder steil verder naar het noorden en nam ik even de tijd om te pauzeren. Toen ik weer verder wandelde passeerde ik na een tijdje op enige afstand van de kleine Lacs d’Arraillé. De meertjes liggen in een echte wildernis van rotsblokken onder de Col d’Arraillé (2583m), langs waar je het Vallée de Lutour kan inwandelen. Door die wildernis van rotsblokken daalde ik verder tot ik even verder aan de splitsing kwam naar de Col d’Arrailé. Ik nam het pad naar links en daalde zo verder naar de Refuge des Oulettes de Gaube. De afdaling bleef lastig. Overal lagen steeds losse keien op de weg. Het zicht op de noordwand van de Vignemale werd steeds beter. Na een hele tijd afdalen liep het pad tot slot nog tussen en over rotsblokken onder een rotswand en kwam dan bij de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) uit.

De refuge ligt op een schitterende plaats net op een oude eindmorenerug aan de noordkant van de moerassige vlakte van de Oulettes de Gaube. Door deze vlakte stroomt het smeltwater van de Glacier des Oulettes via verschillende meanderende armen van de Gave des Oulettes de Gaube. De grasplekken in deze vlakte waren al helemaal oranje–bruin gekleurd. De Oulettes de Gaube liggen net onder de steile hoge noordwand van het Vignemalemassief met aan de voet van de wand het blauwe gletsjerijs van de Glacier des Oulettes en jonge morenes. De noordwand van de Vignemale heeft een totaal ander uitzicht dan die van de Monte Perdido, maar hoeft zeker niet onder te doen voor de Monte Perdido. In tegendeel zelfs, het zicht vanaf de Refuge des Oulettes de Gaube op de noordwand van de Vignemale is voor mij het mooiste zicht dat ik in de Pyreneeën reeds gezien heb.

Aan de hut zaten vele mensen van dit uitzicht te genieten. Ik zette mijn rugzak tegen de muur en ging een kijkje nemen binnen in de hut. In het eetzaaltje hingen verschillende kaarten en foto’s van de Vignemale tegen de muur. Op een bord hingen enkele zeer oude foto’s van de Glacier des Oulettes en de Glacier d’Ossoue, naast ook recentere foto’s. Hierop was duidelijk te zien dat de gletsjers aan de Vignemale zich snel terugtrekken. De Glacier d’Ossou is nog de meest complete gletsjer en misschien wel de nog enige complete gletsjer in de Pyreneeën. Als je de evolutie ziet dan zal ook deze gletsjer binnen vijftig jaar nog maar een blok restijs in een kar zijn, net als eigenlijk alle andere kleine gletsjers in de Pyreneeën. Tegenover gletsjers als de Sulzenauferner of de Alpeinerferner vorig jaar in de Stubaier Alpen, is zelfs de Glacier d’Ossoue een dwergje. De Alpengletsjers zijn dan ook van een heel andere dimensie dan deze in de Pyreneeën.

In de hut probeerde ik nog om een omelet te krijgen, maar het was al zes uur voorbij en de middagkeuken was dus al afgesloten. Men was reeds in de voorbereiding op het avondeten. Ik kon nog wel een sandwiche au saucisson krijgen. Met mijn cola en broodje ging ik dan weer buiten zitten op een vlakke rots naast de refuge en terwijl ik mijn boterham op at genoot ik van het zicht op de Vignemale. Het broodje bestond weer uit twee dikke boterhammen met veel boter ertussen en enkele plakken saucis.

Wanneer het bijna zeven uur was nam ik dan mijn rugzak en ging naar de kampeerplek op enige afstand van de hut. De kampeerplek stond op een papier in de hut aangeduid, want volgens de regels van het Parque National des Pyrénées mag enkel gekampeerd worden op de aangeduide plaatsen nabij een hut of op meer dan een uur lopen van de grenzen van het park en dan nog wel tussen 19h00 en 9h00. Ik stak de beek over en liep dan de moerassige vlakte in. De kampeerplek lag onder een puinwaaier aan het begin van de klim naar de Col des Mulets (2591m) op de grens met Spanje, nog net op de vlakte van de Oulettes de Gaube. Er waren meerder kampeerplekken afgezet met stenen muurtjes. Een groep van vijf jonge Fransen volgde me vanaf de hut en kwam hier ook bivakkeren. De bodem van de vlakte bestond uit klei. Ik stelde mijn tent op en at dan soep en enkele hardkeks, want mijn laatste warme maaltijd had ik gisteren opgegeten. Om 20h50 ging ik dan slapen, wanneer het bijna donker was. Ondertussen kwam een kleine kudde schapen op de vlakte aan. Ze keken eens naar onze tenten en liepen dan verder door de vlakte om ergens dichter bij de Vignemale een slaapplek te zoeken. Dit was het einde van de laatste volledige wandeldag. Morgen daalde ik verder af tot in Cauterets (910m) en dat was nog een heel eind zodat ik het alarm van mijn horloge weer op een vroeg tijdstip in stelde. Ik viel weer niet direct in slaap door het gepraat van de Fransen.

About

U leest het trekking- en fotografie weblog van Joery Truyen.

Flickr

Kempisch kanaal Dessel-Schoten Netekanaal Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 Vogezen 200812 

Archives