Afstand: 20,0km
Duur: 7h00 Klimmen: 1516m
Dalen: 82m
Die nacht werd ik enkele keren wakker. Vooral tijdens het tweede deel van de nacht sliep ik niet meer goed. Het bleef constant motregenen en omdat het redelijk zacht bleef buiten was het zweten in mijn slaapzak. Mijn horloge wees 13°c aan wanneer ik ergens rond één uur keek hoe laat het was. Uiteindelijk werd ik gewekt om kwart na zeven in de ochtend door het alarm van mijn horloge. Het begon toen net licht te worden. Een goeie timing dus van me. Het was nu opgehouden met motregenen. Mijn buitentent was helemaal nat gecondenseerd en wanneer ik mijn tent open ritste en naar buiten keek was het dal met een dik pak onbeweeglijke lage grijze wolken gevuld met daaronder enkele nevelslierten. De wolkenbasis lag slechts een honderd meter boven de dalbodem.
Die nacht werd ik enkele keren wakker. Vooral tijdens het tweede deel van de nacht sliep ik niet meer goed. Het bleef constant motregenen en omdat het redelijk zacht bleef buiten was het zweten in mijn slaapzak. Mijn horloge wees 13°c aan wanneer ik ergens rond één uur keek hoe laat het was. Uiteindelijk werd ik gewekt om kwart na zeven in de ochtend door het alarm van mijn horloge. Het begon toen net licht te worden. Een goeie timing dus van me. Het was nu opgehouden met motregenen. Mijn buitentent was helemaal nat gecondenseerd en wanneer ik mijn tent open ritste en naar buiten keek was het dal met een dik pak onbeweeglijke lage grijze wolken gevuld met daaronder enkele nevelslierten. De wolkenbasis lag slechts een honderd meter boven de dalbodem.
Sarah en Jeroen hadden geen alarm en we hadden afgesproken dat ik ze zou wekken, wat ik dan ook deed. Daarna at ik weer een deel van mijn sandwiches op en ging ik me vervolgens wassen. Ondertussen waren Sarah en Jeroen uit hun tent gekropen en wanneer ik terug was begonnen we samen onze tent af te breken en al onze spullen in onze rugzak te stoppen. Het was ongeveer half negen toen we klaar waren om te vertrekken. Ik vulde nog snel mijn ondertussen lege colaflesje met het kraantjeswater van de camping, maar ik moest ervoor naar een kraantje achter de bungalow die naast onze kampeerplek stond want het kraantje aan onze kampeerplek stond net voor de Nallo van het koppel naast ons die net waren opgestaan en zich waren aan het aankleden in hun tent. Uit beleefdheid dan toch maar het wat verder gelegen kraantje opgezocht.
Via het paadje langs het sanitairgebouwtje liepen we zo naar het dorp waar Sarah en Jeroen nog even geld afhielden van de geldautomaat en wat koffiekoeken kochten bij de bakker die ze dan onderweg opaten. Rond tien voor negen begonnen we dan echt aan het wandelwerk. We namen niet het wandelpad waarlangs ik vorig jaar hier ben aangekomen. Dat paadje stijgt achter de oude badhuizen van Cauterets omhoog en loopt vervolgens vlak langs de wand van de vallei naar het gehuchtje La Raillère, dat gelegen is achteraan in het dal. In plaats daarvan namen we de wandelweg langs de westkant van de vallei, maar deze kwam al snel opnieuw op de asfaltweg uit. Dan hebben we maar gewoon de steeds licht stijgende autoweg verder gevolgd naar La Raillère (1040m), waar we reeds omstreeks 9h15 aankwamen. La Raillère bestaat in principe enkel maar uit enkele toeristenkraampjes en een badhuis. Het is hier dat het nauwe Vallée du Lutour via een drempel in het smalle Val du Jeret uitmondt en vanaf hier het bredere Vallée du Cauterets vormt. We stopten even bij het begin van het watervallenpaadje door het Val du Jeret om onze trui uit te trekken want het was toch behoorlijk zacht.
Vanaf nu moest er steiler gaan geklommen worden wist ik, want vorig jaar had ik het pad door het Val du Jeret reeds gelopen tijdens de allerlaatste dag maar dan in de tegenovergestelde richting. De gele wandelbordjes duidden 1h30 aan voor Pont d’Espagne. Nog steeds was het grijs en donker weer en wanneer we reeds enkele tientallen meters geklommen waren door het dichte naaldbos langs de noordelijke zijde van de met vele watervallen gevulde rivier in het smalle dal, merkte ik op dat het opnieuw motregende wanneer we even een open plek in het naaldbos doorkruisten, maar erg was dit niet want je werd vrijwel niet nat omdat de bomen al de motregendruppeltjes goed opvingen. Op de plek waar rechts het steil klimmend paadje voor de Pic Péguère (2313m) afsloeg, rustten we een eerste keer wat uit en dronken we wat. Ik zweette erg. Mijn schouders en armen stoomden. Na een kleine tien minuten vertrokken we weer op pad. We passeerden nog de Cascade du Ceriset, de Cascade du Pas de l’Ours en de Cascade de Bousses, waarvan enkel de laatste goed te bekijken valt van op het wandelpad. Vorig jaar werd ik nat van de opspattende waterdruppeltjes van de Cascade de Bousses, maar nu helemaal niet. Er leek ook minder water door de rivier te stromen dan vorig jaar.
Niet veel verder kwamen we aan de Pont d’Espagne (1496m) aan. Het was dan 10h45. We hadden dus perfect 1h30 gelopen vanaf La Raillère. Ondertussen was het ook opgehouden met motregenen, maar het bleef grijs met zeer laaghangende wolken. De valleiwanden waren helemaal in de wolken gehuld. Slechts enkel het onderste gedeelte van het dal was steeds zichtbaar. We verpoosden even nabij de watervallen die hier diep verscholen liggen in de kloof waardoor de rivier zich een weg baant. Nabij de Pont d’Espagne stopt de autoweg vanuit Cauterets en bevindt er zich een zeer ruime parking. Er kwamen al heel wat dagjesmensen aan.
Na een kleine tien minuten liepen we een vijftigtal meter verder naar de Hotellerie d’Espagne, een heel toeristisch restaurantje aan de Pont d’Espagne, waar we nu zicht hadden op de Gave de Gaube die zich hier via een waterval in de Gave du Marcadau stort. Ook deze waterval kende geen groot debiet. Het is hier dat het Vallée de Gaube en het Vallée du Marcadau bij elkaar komen en vanaf hier het Val de Jéret vormen. Sarah had ondertussen een appelflauwte, dus gingen we maar buiten op de stoeltjes zitten van de hotellerie en bestelden een dure cola. Wanneer die op was vertrokken we weer.
Vanaf nu wandelden we het rustige Vallée du Marcadau in. Het is een vallei die opgebouwd is uit enkele lange grasvlakten, telkens gescheiden door een drempel. In elke vlakte slingert de Gave du Marcadau zich als een vlechtende rivier via vele armen een weg door het gras, een bekend gezicht. Deze vallei lijkt erg op het Valle de San Nicolau in het Spaans nationaal park van de Aiguestortes in de Catalaanse Pyreneeën, waar ik enkele jaren geleden eens geweest was. Ook de vele koeien waren er eveneens. Langs de met naaldbomen beklede valleiwanden vielen enkele puinhellingen bestaande uit dikke granieten rotsblokken tot op elke vlakte. Bergtoppen waren nog steeds niet te zien want de wolkenbasis hing nog steeds onveranderd erg laag, soms tot bijna op de dalbodem, maar het stratusdek werd wel geleidelijk lichter van tint. Ik was oorspronkelijk van plan om eigenlijk nog het Vallon du Pouey Trénous in te klimmen, een lieflijk zijvalleitje van het Vallée du Marcadau dat eindigt in de kleine Cirque de Pouey Trénous. Hier zou ik dan overnachten om dan misschien naar een bres in de cirque te klimmen die een mooi uitzicht biedt op de noordwand van de Vignemale en de Oulettes de Gaube, om dan weer terug af te dalen naar het Vallée du Marcadau. Maar met de laaghangende wolken besloot ik om dat plannetje toch maar over te slaan, want indien de top van de inversie waaronder de wolken zich bevinden, te hoog lag zou er helemaal niets te zien zijn en dan zou ik toch alleen maar gefrustreerd weer terug afdalen. Misschien komt het er ooit nog wel een andere keer van. Na een vijftal minuten wandelen vanaf de Hotellerie d’Espagne kwamen we aan bij de Chalet du Clot, waar we konden kiezen om verder over het brede grindpad te lopen, dat hier via een bruggetje naar de zuidelijke oevers van de Gave de Marcadau loopt, of om een onopvallend wandelpaadje te nemen dat verder door het gras rechts van de beek midden door de eerste vlakte loopt. Ik drong aan om het kleine paadje te nemen omdat dat volgens mezelf het mooiste ging zijn, wat we met z’n drieën dan ook deden.
Niet veel verder klommen we even tot we op de tweede vlakte in de vallei uitkwamen. Dit is het Pla de Cayan. Terwijl we vrijwel vlak rustig verder wandelden, babbelden we onder meer wat over de geografie-excursies, de vakken, de proffen en de vuile streken van professor Paulissen en zo meer. Wanneer na een tijdje ook deze vlakte volledig was doorkruist en de klim begon over een drempel naar de derde vlakte, het Pla de Estaloungué, nabij de monding van het Vallon de Pouey Trénous in het Vallée du Marcadau, dat ik dus oversloeg, besloten we om de middagpauze te houden. Het was zo goed als 12h15. Ik at nu mijn allerlaatste sandwiches op. Sarah en Jeroen haalden hun stokbrood boven en onder meer hun glazen pot confituur. Daar heb ik dan toch wel even een opmerking over gemaakt, weer kilos te veel. Ondertussen verscheen er een klein stukje blauwe lucht tussen het stratusdek. Dat zag er dan toch alvast veelbelovend uit. Na de ruime pauze vertrokken we weer op pad. Na de korte klim kwamen we op het Pla de Estaloungué aan waar de wolkenbasis nu zeer laag hing. Deze vlakte was eerder smal. Op het einde van de vlakte op de klim naar het Pla de la Gole, waarop de Refuge Wallon zich bevindt, gebeurde het dan. Het stratusdek brak open en plots verscheen een wolkenloze blauwe hemel met een brandende zon die fel op de bergen scheen. Alle bergtoppen waren nu te zien. Het was warm. Wanneer we niet veel verder terugkeken over het Vallée du Marcadau zagen we net over het stratusdek heen. De vallei was met een deken aan wolken gevuld, maar wij waren ondertussen tot helemaal boven deze wolken geklommen, een prachtig zicht. Ik realiseerde me nu dat het Vallon de Pouey Trénous onder deze omstandigheden nu wel perfect mogelijk was geweest, maar nu was het te laat. Een klein stukje verder, waar het Vallée d’Aratille uitmondt in het Vallée du Marcadau, splitst het pad zich. Links begint de klim het Vallée d’Aratille in, naar onder meer het gelijknamige meer en de col aan het dalhoofd van deze vallei. Dit pad moest ik eigenlijk nemen, maar ik liep nog een tweehonderd meter met Sarah en Jeroen mee verder over het pad naar rechts dat verder licht stijgend door het Vallée du Marcadau loopt tot aan de Refuge Wallon (1866m) waar we een paar minuten later aankwamen omstreeks 14h00.
De refuge ligt aan de rand van het Pla de la Gole, waar de Gave de Marcadau weer mooi
doorheen slingerde. Aan de oevers groeien enkele stokoude naaldbomen, een mooi decor met de granieten bergen op de achtergrond. Voornamelijk de Pic Falisse (2765m) en de Grande Fache (3005), waarvan ik de laatste later deze tocht nog zal beklimmen, waren de twee grenstoppen die het meeste aandacht opeisten. Naar het zuiden toe kon zelfs van aan de hut zeer verrassend de top van de Vignemale (3298m) opgemerkt worden van over de bergrug die het dalhoofd van het Vallée d’Aratille vormt.
Sarah en Jeroen hielden het wandelen voor bekeken voor vandaag. Ze zouden de komende nacht met hun tent overnachten aan de refuge om dan morgen over de Col d’Aratille (2528m) Spanje in te trekken naar Bujaruelo. Ik wou hier nog niet eindigen voor vandaag. Ik dronk nog een cola aan de hut, Jeroen vuil Frans bier, we babbelden nog even en daarna nam ik afscheid om weer te vertrekken. Ik wenste ze nog een aangename wandelvakantie en ging weer op pad. Het was dan alweer 15h15.
Wanneer het korte stukje terug afgelegd was, begon de klim het Vallée d’Aratille in, de eerste echte lange klim. Er waren nog enkele mensen net voor me aan de klim begonnen. Na een poosje lieten ze me voor. Het was verschrikkelijk warm onder de brandende zon. Er stond ook zo goed als geen wind. Het zweet liep in druppeltjes van mijn voorhoofd. Wat verder stopte ik dan even om dan toch uiteindelijk de pijpen van mijn broek te ritsen. Mijn haren op mijn benen plakten helemaal tegen mijn huid aan van het zweten. Dan liep ik weer verder terwijl ik ondertussen weer dorst had gekregen. Ik had nog geen water. Mijn waterzak was nog leeg want ik had hem nog niet gevuld en mijn colaflesje was eveneens leeg gedronken reeds voor ik aan de Refuge Wallon aankwam. Ik had nog geen water verzameld om gewicht te sparen voor deze klim.
Weer wat verder moest ik plots weer stoppen voor een snel opkomende grote boodschap en het was dan dat voor het eerst tot me doordrong dat ik thuis wc-papier vergeten was. Maar zo erg was het niet want met wat gras gaat het ook wel, hoewel het gras hoog in de bergen heel stug is en moeilijk valt af te trekken, zodat toch naar zacht gras moest gezocht worden dat eerder vlak naast rotsblokken te vinden is, moest ik opmerken. Na deze klus vatte ik de klim verder aan. Al gauw steeg ik boven de boomgrens uit. Veel boompjes groeiden hier sowieso niet meer. Wat verder stak het pad een klaterend beekje over waar ik stopte om te drinken. Ondertussen verschenen er twee gemzen een vijftig meter hogerop op de rotswand. Ze staarden me even aan en liepen daarna rustig weg. Ik nam mijn colaflesje en verfriste mijn mond met het water van het beekje. Toch heb ik er niet van durven drinken, want er groeiden ook algen in het beekje en er zweefden ook kleine onzuiverheden in het water.
Daarna ging ik weer verder. Nu liep het pad over en tussen uitgestrekte en gladgeschuurde vaste rots. Ik was reeds sterk geklommen en niet meer ver van het Grand Lac d’Aratille (2256m) verwijderd. Het beekje dat van het meer komt stroomde links van me. Op een bepaalde plek in het riviertje bloeide uitgebreid waterranonkel. Een toch redelijk oude meneer was me ondertussen ingehaald en voorbij gestoken wanneer ik een foto hiervan had genomen. Niet veel verder stond hij stil en kwam ik hem dus terug tegen wanneer hij tegen me zei dat hij spelende marmotten had gezien hier. Hij had ze blijkbaar ondertussen wel weggejaagd. Een honderd meter verder kwamen we bij het felblauwe Grand Lac d’Aratille (2256m) uit, waar ik vlak naast de oever in het gras ging zitten nadat ik mijn colaflesje had gevuld met een halve liter van het meerwater. Ondertussen was het 16h50 geworden. Het is een redelijk groot meer en er stonden redelijke golven op de waterspiegel want hier woei ondertussen toch wel een briesje. Ik dronk het meerwater van mijn flesje allemaal rechtstreeks op zonder micropuur toegevoegd te hebben.
Wat later arriveerden de echtgenote en de dochter, of kleindochter van de meneer ook aan het meer. Zij gingen wat terug ook aan de meeroever zitten, terwijl de vent al terug vertrok naar beneden. Hij had blijkbaar al genoeg gezien. Na een poosje liep ik wat rond om foto’s te trekken van het meer. De twee dames keerden wat later ook terug. De Pic Alphonse Meillon (2930m) en de Grand Pic d’Aratille (2900m) zijn de twee opmerkelijkste toppen aan het dalhoofd van het Vallée d’Aratille. De Col d’Aratille was van hieruit net niet te zien. Ik vertrok weer en liep nu verder over het pad dat een tiental meter boven de waterspiegel van het meer vrijwel vlak verder loopt langs de westelijke oever. Na het meer gepasseerd te zijn begon het pad weer te stijgen tot ik tussen het gras en de gladde vaste rotsen in het klein dalletje terecht kwam van het riviertje dat naar het Grand Lac d’Aratille stroomt. Ik stak het riviertje over. Ook hier bevonden zich enkele plasjes met bloeiend waterranonkel. Ik stopte hier even om op de kaart te kijken. Mijn plan was om te overnachten bij het nog iets hoger gelegen Lac de la Badète (2344m), maar vermits het meer heel afgelegen ligt omdat er geen wandelroute naartoe loopt, diende ik op de kaart te kijken om me een beetje te oriënteren om een goede route te kiezen naar het meer toe. Ik besloot om het pad nog even een honderd meter in de richting van de Col d’Aratille te volgen, om het dan te verlaten.
Door het gras liep ik zo weer naar het riviertje toe, stak het over op een plek waar het weer een uitgestrekte ondiepe plas vol bloeiende waterranonkel uitstroomde en liep dan even langs de plas verder tot ik opnieuw steeg door het gras, ruwweg in zuidwestelijke richting. Plots stootte ik toch op een vaag paadje dat ook nog eens gemarkeerd was met enkele kleine steenmannetjes. Dit moet dus het paadje zijn dat me tot aan het meer zal brengen. Ik volgde het zo goed mogelijk, maar af en toe werd de route niet duidelijk. Wat hogerop kwam ik in ruiger terrein terecht. Het gras maakte meer en meer plaats voor rotsblokken, tot ik uiteindelijk het meer zag liggen wanneer het omstreeks half zes was.
Het paadje was ondertussen spoorloos en steenmannen waren ook nergens meer te bekennen. Ik liep door het ruige terrein plots noordwestwaarts om de noordelijke oever van het meer te bereiken. Enkel hier kon ik precies een geschikte grasplek vinden tussen de rotsen om te overnachten, want langs de andere kant vielen steile puinhellingen onder de Grand Pic d’Aratille (2900m) en de Pic de la Badète (2805m) tot in het meer. Deze toppen wierpen eveneens een grote schaduw op het meer en de omgeving er rond. Onder de Grand Pic d’Aratille lag zelfs ook nog een redelijk groot sneeuwveld aan de oever. Het waterpijl stond een meter te laag, want je kon duidelijk zien dat het meer eigenlijk veel voller diende te zijn aan de bruin gekleurde stenen aan de oevers. Er monden ook geen riviertjes in het meer uit, noch is er één dat uit het meer stroomt. Ik vond snel een geschikte kampeerplek, maar ze lag wel een dertig meter van de meeroever vandaan. Daar stelde ik mijn tent op, maakte vervolgens eten klaar en nadat ik mijn maaltijd op had ging ik nog even de berghelling op aan de noordzijde van het meer om enkele foto’s te nemen.
Dat deed ik op mijn sloffen, maar dat was blijkbaar niet zo’n goed idee. Ondertussen was het al sterk afgekoeld en kleurden de berghellingen van de Pics Chabarrou (2925m) in het oosten rood onder toedoen van de late avondzon. Hetzelfde gebeurde met de Vignemale (3298m) die ook verrassend van hieruit te zien was wanneer ik wat hogerop klom. Terug beneden waste ik nog even aan de meeroever mijn pot uit waaruit ik gegeten had en poetste mijn tanden. De wind was ondertussen volledig gaan liggen en het werd al goed fris. Mijn trui had ik al langer aangetrokken. Het was hier muisstil. Omdat het windstil was geworden en het meer in een ondiepe kom ligt ingebed, wist ik dat het deze nacht wel eens goed kou zou kunnen worden. Ik nam nog voldoende water mee uit het meer in één van mijn kookpotten om morgen ochtend geen water meer te moeten komen halen. Ik kroop mijn slaapzak in. Het was dan 20h35 en zo goed als donker. Ik viel niet snel in slaap. Mijn hartslag bleef redelijk hoog en zakte niet naar rust, een teken van vermoeidheid. Ik probeerde zoveel mogelijk nog te drinken, want dat had ik vandaag niet al te veel gedaan. Mijn mond bleef heel de tijd droog.
Wanneer het helemaal pikkedonker was ritste ik nog even mijn tent open om de sterrenhemel te bekijken. Het was prachtig: de donkere zwarte contouren van de bergen die afstaken tegen de donker blauwe hemel die gevuld was met ongelooflijk veel sterren, duizenden. Eigenlijk was het de eerste keer van al die keren dat ik reeds zo hoog overnacht heb in de bergen dat ik eens tijd maakte om de sterrenhemel aandachtig te bekijken. Op zo’n moment besef je pas dat de stads- en straatverlichting bij ons ’s nachts in België heel wat van deze sterren onzichtbaar maakt. Lang heb ik niet gekeken. Het was al erg koud. Tenslotte ritste ik alles weer toe en viel na een tijdje toch in slaap.










No comments
Comments feed for this article