Afstand : 17,0km
Duur : 8h00
Klimmen : 986m
Dalen : 920m
Bergpassen : Col d’Aratille (2528m), Collado del Letrero (2651m)
Gisteren had ik de bewoonde wereld verlaten en zo goed als altijd geklommen, hoog de bergen in zodat ik me nu reeds een stuk boven 2000m bevond. Vandaag zou het echt pas gaan beginnen. Een echte eenzame trekkingdag hoog doorheen het overwegend granieten berglandschap, over ruig terrein, waarbij zelfs nog niet één keer onder de 2200m zal worden gedaald en waarbij ik bijna geen mensen meer zal tegenkomen. Kort samengevat zal ik vandaag over de Col d’Arratille (2528m) Frankrijk verlaten en Spanje intrekken, om dan vervolgens een eindje af te dalen in het Valle del Ara om dan terug te klimmen naar de ruige en afgelegen Collado del Letrero (2651m) die de toegangspoort vormt naar een verzameling van grote hoog gelegen bergmeren, de bergmeren van Panticosa. Hier zal ik dan tenslotte aan het meest westelijk gelegen bergmeertje, het aantrekkelijke Ibon Azul Superior (2410m), overnachten onder de indrukwekkende noordwand van de Pico del Infierno (3082m).
Het was dit keer 7h00 wanneer het alarm van mijn horloge afging. Ik zag eveneens dat het slechts een 2°c was in mijn tentje. Het was nog redelijk donker en daarom stond ik pas een goed kwartier later op. Wanneer ik buiten keek zag ik opnieuw een staalblauwe hemel, weliswaar met enkele hoge sluierwolken gevuld. Het was duidelijk koud en windstil. Later bij het ontbijten bemerkte ik plots een dun laagje ijs op het resterende water van mijn ene kookpot. Het vroor dus buiten. Na het ontbijten en inpakken was ik omstreeks 9h00 vertrekklaar. Ik zocht opnieuw het vage paadje dat me gisteren van het pad richting de Col d’Arratille naar het Lac de la Badète had gebracht. Op verschillende plekken was de dauw vastgevroren aan de grassprietjes. Terug beneden op het echte wandelpad, een eindje boven het Grand Lac d’Arratille (2256m), sloeg ik rechtsaf om nu de klim te beginnen naar de verborgen Col d’Arratille. Ondertussen lag er een groep van een vijftal Engelsen een vijftigtal meter voorop. Ze moeten deze ochtend zeer vroeg vertrokken zijn vanuit de Refuge Wallon. Al snel haalde ik ze in en stak ze voorbij.
Het pad begon nu steiler kronkelend te klimmen. Even verder zag ik even een glimp van een gems, die snel wegvluchtte toen ze me opmerkte. Het pad werd nu steeds ruiger en minder duidelijk. Af en toe was nog een steenman te bemerken of een streepje rode verf op een rots.
De Engelsen waren ondertussen gestopt zag ik. Ze haalden hun kaart boven om de weg te zoeken want net als ik vonden ze niet meer regelmatig een wegmarkering. Zij waren duidelijk niet ervaren, want op de kaart naar de weg zoeken haalt in zo’n geval niks uit. Ik wist dat ik gewoon op het gevoel moest verder klimmen en er dan vroeg of laat wel weer sporen van een pad of wegmarkering gingen opduiken.
Een lange tijd ging het over vaste granietrotsen verder, om dan een grote puinhelling te betreden reeds dichtbij de col. Hier waren weer veel steenmannen aanwezig zodat de weg goed te volgen was. Bovenaan de puinhelling passeerde ik het eerste sneeuwveld en kwam dan bij de noordoostpunt van het diep ingebedde Lac du Col d’Arratille (2501m) uit. Het zag er een donker en koud bergmeer uit. Pas vanaf hier kon ik nu de Col d’Arratille (2528m), aan de zuidkant van het meer, zien liggen. Toch haalde ik hier eventjes de kaart uit mijn rugzak om te kijken langs welke kant het pad verder liep langs het meer naar de col want ondertussen was het weer zoek geraakt. Dat was langs de oostkant. Ik vertrok terug op weg, betrad de steile puinhelling langs de oostkant van het meer waar een mooi pad was in aangebracht en kwam zo snel op de col uit. Het was nu net 10h00 geworden. Er blies een frisse wind vanuit de Spaanse kant. Nu stond ik op de Frans-Spaanse grens. Een bord duidde de grens van het Parc National des Pyrenées aan met daarop de bijhorende regels van het park vermeld, voor de mensen die hier vanuit Spanje zouden aankomen. Vanaf hier zag ik nu pal op de noordwestkant van de Vignemale (3298m). Langs deze zijde lijkt het maar een grote kalkstenen bergmassa. Het Valle del Ara leek een lieflijk dal. Op de redelijk vlakke dalbodem bevinden zich uitgestrekte grasvlakten. De Spaanse kant leek droger dan de Franse. Voor zover ik kon zien groeide er geen enkele boom in het Valle del Ara.
Ik trok nog enkele foto’s en dan arriveerde de eerste van de Engelse groep op de col. Hij vroeg me van waar ik kwam, waar ik naartoe wou gaan en voor hoe lang ik hier in de Pyreneeën zou verblijven. Hij keek me maar met een beetje ontzag aan toen ik hem zei dat ik nog over een tweede col verder zou klimmen naar de meren van Panticosa, maar vooral toen ik zei dat ik tien dagen onderweg zou zijn. Niet veel later kwam de rest van de groep aan, maar ik vertrok dan net.
Het pad daalde niet meteen het Valle del Ara in,
maar bleef vrijwel steeds vlak verder lopen over de puinhelling. Al gauw dook het pad een eindje naar links weg zodat de Puerto de Arratille, zoals de Spaanse benaming van de col luidt, niet meer te zien was. De grijze puinhelling ging nu over in een lange grote puinhelling van middelgrote roodbruine granieten keien die zich hier hebben opeengestapeld onder de grenskam. Na een poosje zag ik in de verte een hele troep gemzen rondlopen over de puinhelling. Er waren enkele kleine jongen bij die al even goed konden rondhuppelen als de rest van de groep. Ze hadden me duidelijk gezien en vluchtten naar beneden de puinhelling af om zich daar te verstoppen achter de rotsblokken. Het pad begon nu ook geleidelijk te dalen en wat later was ik dicht in de buurt waar ik daarnet de gemzen had gezien. Zoals verwacht kreeg ik er nu helemaal geen meer te zien, hoewel ze hier ergens allemaal dichtbij verstopt zaten. Ondertussen was ik helemaal achteraan in het Valle del Ara terecht gekomen in de kille schaduw van de Vignemale. Hier begon de klim naar de Col des Mulets (2591m) of de ezelsbergpas in het Nederlands. Hier moest ik niet naartoe want deze klim zou me terug Frankrijk inbrengen. Ik volgde dus verder het vage pad dat nog even kronkelend verder naar beneden afdaalde en kwam dan op de grasvlakte uit helemaal beneden in het dalhoofd. Hier werd het pad helemaal onduidelijk en na een poosje wanneer ik reeds uit de schaduw van de Vignemale was gewandeld kwam ik ook geen steenmannetjes meer tegen. Ik stopte even om een blik te werpen op de kaart en maakte van de gelegenheid gebruik om mijn trui uit te trekken en de lange broekspijpen af te ritsen. Volgens de kaart zou het pad iets lager lopen dichtbij de Rio Ara, de rivier door de vallei die hier wat verder omlaag ontspringt. Ik kon de kleine stroompjes water zo uit de berghelling zien borrelen aan de voet van de hellingen van de Vignemale, waarna ze zich verzamelden op de grasvlakte in het dal tot een klein kabbelend riviertje, de Rio del Ara. Toch zag ik ginds beneden helemaal geen sporen van een pad. Een heel stuk verder stroomafwaarts was er echter wel een pad te zien. Omdat ik ondertussen een vaag wandterras was opgewandeld en dus niet meer helemaal beneden door het dal liep, besloot ik dus om even steil de helling van het terras af te dalen zodat ik me weer zo goed als beneden in het dal bevond. Zo kwam ik weer op een grote grasvlakte uit en hier was het dat er opnieuw af en toe een vaag paadje zichtbaar werd in het gras. Ik besloot dus om het te volgen.
Na een poosje liep ik op een breed terras door de vallei. De Rio Ara stroomde nu ondertussen links van me door een diepe nauwe kloof. Nu zag ik dat het eigenlijke wandelpad, net zoals ook op de kaart stond aangegeven, aan de overkant van de kloof liep. Ik kon het pad niet meer bereiken want er was helemaal geen mogelijkheid om de kloof over te steken en een eindje teruglopen ging ik niet doen. Ik besloot dus maar om het vage pad, wat eigenlijk een koeienpad was, over dit terras maar verder te volgen. Er lagen overal verspreid veel koeienvlaaien, maar de koeien zelf waren nergens te zien.
Een eindje verderop moest even in een klein zijdalletje afgedaald worden waarin een klein riviertje naar de Rio Ara stroomt. Al even snel als ik het dalletje ingedaald was, was ik het weer uitgeklommen en zo maakte de tijdelijke verweerde kalkstenen ondergrond opnieuw plaats voor de volgende grasvlakte. Een heel stuk verder op deze vlakte, zo goed als op het einde ervan, was een meters hoge stok geplaatst die geverfd was in verschillende kleuren om in de winter de sneeuwdikte te kunnen aflezen. Hier stopte ik even om op de kaart te kijken hoe ik verder zou gaan, want wat verder rechts kwam hier nu het Valle de los Batans in het Valle del Ara uit. Hier rechts in de verte, een eind hogerop op de berghelling merkte ik ook een steil stijgend pad op en het was overduidelijk dat dit de route was naar de Collado del Letrero, waar ik dus naartoe wou. Eigenlijk had ik geluk dat ik de hele tijd de westelijke zijde van de vallei ben gevolgd en niet het echte wandelpad had genomen dat langs de oostelijke zijde van de Rio Ara liep want nu kon ik een heel stuk van het wandelpad verder door het Valle del Ara afsnijden en rechtstreeks naar het pad klimmen dat me naar de Collado del Letrero zou brengen. Ik bekeek de berghelling aandachtig om de beste route uit te stippelen die me tot bij het pad zou brengen. De met gras beklede berghelling was redelijk steil en dicht bezaaid met grote rotsblokken, maar er was een plek waar de helling niet al te steil leek en hier lagen toevallig ook geen rotsblokken. Hier ging ik dus naartoe.
Ik verliet het terras in het dal en begon dan heel steil te klimmen op de helling over het door koeien duidelijk kort gegraasde gras. Omdat de helling heel steil was klom ik in zigzagbewegingen naar boven. Niet veel hoger, wanneer ik de helling opgeklommen was, kwam ik op een rug uit waarop ik rechts afsloeg en op het pad stootte dat van links kwam omhoog gestegen. Nu zag ik links beneden ook het Ibon Bajo de los Batans liggen, het laagst gelegen meertje van de Batans-meertjes. Het hoger gelegen meertje zal ik zo dadelijk bereiken.
Al gauw begon dit pad verder steil te stijgen en verliet zo weer de rug. Het pad was tot een diepe geul in de berghelling geërodeerd. Hoe hoger ik klom, hoe meer van het boomloze Valle del Ara verder daluitwaarts zichtbaar werd. Na een poosje cirkelden al spelenderwijze enkele Alpenkauwen boven me terwijl ze hun typische korte schelle roep lieten horen. Af en toe stopte ik even op deze steile klim om op adem te komen want het was erg vermoeiend om zo steil te klimmen met mijn nog zeer zware rugzak in de brandende zon. Het was weer zweten. Niet veel later kwam ik op een soort col uit waar het pad ophield. Hier zag ik nu toch verrassend het mooie Ibon de los Batans voor me liggen.
Het ligt ingebed in een zeer ruige omgeving en leek daarom veel ruiger dan het lager gelegen meertje. Slechts vooraan was een stukje fraaie oever aanwezig waar het gras tot aan het meerwater groeide. Verder weg was de omgeving rond het meertje een woestenij van rotsblokken. Vooraan bevond zich een klein schiereilandje en achteraan in het meer bevonden zich enkele kleine eilandjes van ruwe rotsen. Langs de zuidwestkant van het meer verheft zich de woeste granieten bergkam, de Cresta de los Buitres genaamd, of in het Nederlands de Arendsbergkam en langs de noordwestelijke zijde viel een immense puinhelling onder de eveneens indrukwekkende top van de Pico de las Neveras (2902m) tot in het meer. Tussen de Pico de las Neveras en de bergkam die van de Cresta de los Buitres komt, was een bergpas te zien. Dit was uiteraard de Collado del Letrero. Om de col te bereiken moest ik dus verder klimmen over de grote steile puinhelling. Hoewel op de kaart een route staat aangegeven die over de col voert zag ik vanaf de oever van het meer hier geen enkel pad meer en op de puinhelling leek ook geen pad aanwezig te zijn.
Het was ondertussen twaalf uur geworden en daarom legde
ik mijn rugzak neer, een stukje van de meeroever om zo dadelijk te lunchen. Maar alvorens ik hiermee begon liep ik nog even in zuidelijke richting van het meer weg over ruige rotsen tot ik een vijftigtal meter verder op een afgrond stootte. Nu zag ik hier diep beneden weer het Ibon Bajo de los Batans liggen waarvan de waterspiegel fel schitterde in het weerkaatsende zonlicht en had ik tevens ook een mooi uitzicht op het Valle del Ara. Hier nam ik twee foto’s van en liep dan terug naar mijn rugzak waar ik me in het gras neerzette en begon te eten, terwijl ik in het oosten nog steeds kon genieten van het frontale uitzicht op de Vignemale. Het was erg warm weer, vrijwel geen wind en de zon scheen fel onder een blauwe hemel die toch met heel wat sluierwolken gevuld was.
Wanneer ik gegeten had bestudeerde ik de puinhelling waarover ik dadelijk naar de col moest gaan klimmen. Het leek wel de moeilijkste klim te gaan worden die ik ooit al had ondernomen op weg naar een col. Om één of andere reden deed het uitzicht van de klim naar de Collado del Letrero me wat denken aan de klim naar de Simmingjoch twee jaar geleden in de Stubaier Alpen, hoewel zo’n ferme puinhelling daar toen wel ontbrak. Eigenlijk had ik nog nooit een zulke grote en ruige granieten puinhelling opgeklommen. Zoals traditioneel lagen de grootste rotsblokken onderaan en des te hoger op de helling des te kleiner de aanwezige rotsblokken waren. Midden in de puinhelling bevond zich nog een smalle strook gras. De beste route leek me om eerst niet al te steil te klimmen tot aan de onderkant van de grashelling, om dan vervolgens steil over deze grashelling te proberen een stuk pal naar boven te klimmen en dan tenslotte de laatste strook van de puinhelling aan te vatten naar de col, maar dit laatste stuk was niet zo duidelijk te zien vanaf mijn rustplaats. Het leek erop dat dit laatste stuk het moeilijkste ging worden met veel losse stenen. De eigenlijke col zelf lag blijkbaar nog verscholen achterin een couloir.
Ik dronk nog een paar slokken en maakte me dan klaar om te vertrekken. Het was dan 12h30. Mijn watervoorraad was bijna op merkte ik, maar ik besloot om hem nog niet aan te vullen met water uit het meer hier om gewicht te sparen voor de steile klim. Achter de col lagen immers nog genoeg grote bergmeren om later vandaag water aan te vullen.
Ik vertrok op pad. Op de plaats waar ik de puinhelling betrad zo goed als op gelijke hoogte met de waterspiegel van het meer merkte ik tot mijn verbazing nog een steenman op. Aandachtig keek ik of er verder toevallig ook geen meer te bespeuren waren op de grote rotsblokken, maar hoe goed ik ook keek, er was verder geen steenman meer te bekennen. Zoals ik dan besloten had klom ik geleidelijk van de ene rotsblok op de andere in de richting van de onderkant van de grashelling. Het was bij momenten een mooie evenwichtsoefening. Het zicht op het meer en de Cresta de los Buitres aan de overkant bleef wel steeds de moeite.
Na een poos kwam ik onderaan op de grashelling aan. Eigenlijk groeide er zo veel gras niet. Slechts enkele stugge sprietjes en wat mossige plantjes tussen het fijne gruis van graniet. Nu probeerde ik hier natuurlijk steil omhoog te klimmen en deze uitgestippelde route van me bleek van hieruit nog eens de beste te zijn want het verdere stuk van de puinhelling was hier zeer steil en zeer moeilijk overbrugbaar. Verder naar beneden was een geul in de helling te zien die tot in het meer neerdaalde. Zoals verwacht was het niet altijd even gemakkelijk om recht naar omhoog te klimmen op de grasachtige helling hier. Door de vele kleine losliggende granieten steentjes was het opletten waar je je voeten neerplaatste of je schoof op de steentjes uit. Het werd dus een beetje zigzaggend laveren over de beste route. Wat hogerop ging de helling terug geleidelijk over in de puinhelling, maar dan met kleine stenen. Ik ging dus niet tot helemaal bovenaan, maar tot op de plaats waar ik zag dat het laatste stuk over de puinhelling naar de couloir, waarin de col verscholen lag, niet meer moeilijk overbrugbaar was. Dus hier betrad ik de puinhelling opnieuw. Omdat ik dit keer een stuk hoger was ging het nu over middelgrote rotsen verder. Het laatste stuk de couloir in werd wel erg steil, maar echt moeilijk was het niet.
Wanneer ik in de couloir was besloot ik om een stukje naar links te klimmen waar ik op de vaste rots terecht kwam en gemakkelijker kon verder klimmen dan op het slagveld van grote ruige opeengestapelde rotsblokken op de bodem van de couloir zelf. Het zicht op het Ibon de los Batans en de omgeving er rond werd nu gesloten, hoewel het geen couloir was met steile diepe wanden. De col leek nog een heel eindje verder af te liggen, verder dan verwacht.
Ik klom dus matig steil verder in de linkerkant van de couloir, soms over de vaste rots, soms noodgedwongen over en tussen de grote rotsblokken. Na een poosje kwam ik op de plek uit waar ik al geruime tijd dacht dat het de col ging zijn, maar dan kwam plots onverwacht nog een dieper maar minder steil stuk van de couloir te voorschijn. Nog een eindje verder klimmen dus. Dit stuk was vooraan breed en er lag hier nog een groot dik sneeuwveld. Achteraan werd de couloir weer nauwer en daar bleek de col dan toch uiteindelijk te liggen.
Ik daalde een stuk af tot aan het sneeuwveld en doorkruiste het dan. Over harde sneeuw lopen gaat heel wat sneller vooruit dan je weg zoeken doorheen een slagveld van rotsblokken. Het laatste stuk doorheen de couloir werd opnieuw steiler maar al gauw bereikte ik over de minder grote rotsblokken de Collado del Letrero (2651m). Het was nu 13h25.
Uiteindelijk was het geen moeilijke klim geweest, maar wel lang en ruig. Eigenlijk was deze klim sterk gelijkaardig aan deze naar de Brèche de Tuquerouye die ik vorig jaar ondernomen had. Net zoals hier moest ik toen eerst een puinhelling over die meer weg had van een slagveld van rotsblokken, om dan zeer steil een couloir in te klimmen naar de col, met enig verschil dat de puinhelling hier veel groter is, de couloir minder steil en deze tevens met grote rotsblokken gevuld is, in tegenstelling met de couloir onder de Brèche de Tuquerouye.
Het uitzicht van op de col naar het westen was weer totaal anders. Het was een vreemd zicht want ik herkende de bergen niet direct. Ze leken allemaal zo op elkaar, allemaal puntige pieken. Maar na een tijdje zag ik toch dat die ene piramide Gran Facha (3005m) was. De berg er links van moest dan Punta Zarre (2947m) zijn. De Picos del Infierno herkende ik nog niet, maar later bleek dat ze net links verscholen lagen achter de berghelling. Geen enkel van de grote bergmeren van Panticosa kon van hieruit gezien worden. Zij lagen nog diep beneden verscholen. De col zelf was heel vlak en in het midden lag hier zelfs een plasje waar heel wat muggen over zwermden. Naar het noordwesten gaf de col uit op een iets lager gelegen uitgebreid vlak stuk waarachter in het noorden de afgrond lag naar het Ibon del Letrero.
Naar het zuidoosten, de richting van waaruit ik dus kwam, had je geen uitgebreid uitzicht want de rug van de Pico de las Neveras en de bergrug die van de Cresta de los Buitres kwam ontnamen het zicht. De couloir was hier met een diepe V-vorm in de rug ingesneden. De Pico de las Neveras (2902m) leek overigens helemaal niet moeilijk om te beklimmen van hier op de col. Het leek gewoon steil naar boven wandelen.
Ik rustte weer wat uit op de col, keek wat op de kaart, nam enkele foto’s en dronk de allerlaatste druppeltjes vocht uit mijn waterzak op. Toch vulde ik hem nog niet bij met het water van het plasje want het water leek niet zo zuiver. Er lag veel klei op de bodem. Het was duidelijk de restanten van een waarschijnlijk pas gesmolten zomerse sneeuwplak.
Niet veel later vertrok ik weer op pad. Op het vlakke stuk net onder de col stond een grote steenman. Wanneer ik hem dichtbij genaderd was zag ik er wat verder beneden weer één staan. Zo kwam ik iets ten zuiden van het Ibon del Letrero uit (2550m) waar ik nu opnieuw over ruiger terrein verder moest. Een pad was hier nog steeds niet maar af en toe kwam ik wel nog een klein steenmannetje tegen. Langs een rotsige berghelling liep ik nu dus verder tot ik op een terrasje uitkwam waarop tussen de vaste rotsen enkele plasjes lagen. Hier bevond ik me nu boven de westelijke punt van het Ibon del Letrero dat nu eigenlijk rechts achter me lag. Voor me was nu het reuze grote Embalse de Bramatuero Alto (2510m) in zicht gekomen. Dit is één van de grootste bergmeren die hoog in de Pyreneeën te vinden zijn. Het meer is tevens ingedamd geworden zodat het nog groter is geworden in oppervlakte. In de verte zag ik nu ook de Picos del Infierno (3082m). Dit is een zeer bijzondere berg die bestaat uit drie zo goed als even hoge toppen. Het bijzondere aan deze berg is dat hij voor een groot deel uit wit marmer bestaat en dat is wel degelijk zeldzaam. Welke bergen op aarde bestaan er nog uit marmer? Ik ken er geen uit mijn hoofd.
Morgen zal ik deze merkwaardige berg beklimmen. Ondertussen vond ik niet meer hoe ik verder moest want ik was al een poosje geen steenmannetjes meer tegengekomen en verder in de omgeving vond ik er ook geen meer. Ik besloot om naar het grote meer af te dalen en langs de oever verder te trekken want ik moest heel het meer rond langsheen de zuidelijke en westelijke oevers. Dit was wel in strijd met de kaart waarop stond aangegeven dat de vage route niet direct naar het meer afdaalde, maar langer hoger bleef alvorens naar de zuidelijkste punt van het meer af te dalen.
Zoals ik besloten had begon ik dan af te dalen naar het meer over een terrein gedomineerd door rotsen waartussen ook veel gras groeide. Wat lager besloot ik om wat meer naar links af te dalen omdat ik nu had gezien dat de oevers van het meer waar ik naartoe afdaalde erg steil waren. Na een poosje kwam ik dicht bij het meer uit, maar ik bevond me nog steeds redelijk hoog. Op het laatste stuk lag een afgrond zodat ik niet van hieruit tot aan het meer kon komen. Over de grasstukken boven de afgrond op de inmiddels steile berghelling liep ik dan verder naar het zuiden, soms klimmend, soms steil dalend tussen de vaste rotsen tot ik op een punt kwam waar de afgrond onderbroken was.
Hier lag een soort brede couloir met wat lager een puinhelling die tot in het meer viel. Ik keek even of ik langs hier naar beneden kon. Om op de puinhelling te komen moest ik nog een vijf meter afdalen op handen en voeten over een steile rotshelling. Het leek mogelijk zodat ik dus mijn wandelstokken even op mijn rugzak plaatste en op handen en voeten op de rotswand afdaalde tot op de puinhelling. Hier nam ik dan mijn stokken terug en daalde over de puinhelling van losliggende rotsen verder af tot ik aan de meeroever uitkwam. Deze vervolgde ik dan naar het zuiden langsheen de rotswand aan de oever tot ik aan een plek kwam waar de rotswand ophield en een beekje in het meer uitmondde. Hier hield ik even halt om te drinken want ik had ondertussen goed dorst gekregen.
Ik plaatste mijn rugzak op de rotsen, nam mijn colaflesje en dronk een halve liter van het water in één keer op. Daarna vulde ik mijn waterzak weer helemaal vol. Het was hier een ruige omgeving, maar zeer mooi. Het meer was zeer uitgestrekt. Ik bevond me nu zo goed als aan de zuidpunt ervan. In de verte zag ik tot aan de noordelijkste punt. Het is ginds dat de kleine stuwdam zich bevind, die ik straks nog zal moeten oversteken. Van hieruit was ze echter niet meer te zien.
Het leek een erg lange weg te worden langs de oever tot helemaal naar de andere kant. Dit stuk ging zeker meer dan een uur duren, leek het. Na een poosje vertrok ik weer verder op pad. Ik klom de enorme rotsbult over die hier aan de oever lag en kwam dan aan de echte zuidpunt van het meer uit. Hier ontdekte ik opnieuw enkele steenmannetjes op zodat ik opnieuw op de eigenlijke route was terecht gekomen die ik even terug was kwijt gespeeld.
Vanaf nu volgt een stuk over het ruwe rotslandschap langs de westkant van het meer dat nog moeilijk in detail te herinneren valt. Eens liep de route vlak boven de meeroever boven een afgrond, dan weer eens moest er geklommen worden van het meer weg totdat ik op het vlakkere terrein hogerop terecht kwam, dan kwam ik weer eens in een dalletje terecht dat naar het meer toe liep en dat ik weer terug moest uitklimmen, dan werd er weer eens afgedaald tot dicht bij het meer of tot in een kleine inham, of dan nog eens raakte ik de steenmannen kwijt en zocht ik zelf mijn weg verder over en tussen de rotsblokken tot ik plots opnieuw op een steenmannetje stuitte. Zo was het de gehele tijd, over wild terrein verder trekken. Het ging natuurlijk niet zo snel vooruit. Na meer dan een uur wanneer ik voor de verandering nog eens tot bovenaan een grote rotsbult was geklommen, zag ik plots de kleine stuwdam liggen.
Over de vaste rotsenmassa daalde ik af tot aan de kleine stuw, welke ik vervolgens overstak. Ondertussen was het al bijna half vier geworden. De korte dam was gemaakt met grote vast gemetste rotsblokken waar toch op sommige plaatsen water doorheen sijpelde. De top van de dam waarover ik liep was slechts een goeie halve meter breed. Het meerwater kwam zelfs tot een halve meter onder de dam. Het water was heel zuiver en diepblauw. Zelfs in het midden van de dam kon de bodem van het meer welke hier ongeveer een vijf meter dieper lag, ontwaard worden. Aan de overkant van de dam kwam ik zo aan een vervallen houten hutje terecht. Ik keek eens door de deur naar binnen, maar er was niets te zien. Als het regende zou je nog nat worden want het dak bestond uit houten planken met nog veel lange spleten tussenin. Van hieruit zag ik nu ook al een poosje op het lager gelegen Embalse de Bramatuero Bajo (2293m). Dit is het volgende meer op mijn route. Dit meer is eveneens vergroot geworden door een aangebrachte stuwdam, maar het is een stuk minder groot dan zijn hoger gelegen buur hierboven. Ik ontdekte hier nu ook een bergpad dat van het lager gelegen meer in de verte tot hier boven klom. Dit was het eerste bergpad dat ik weer voorgeschoteld kreeg nadat ik urenlang over ruig terrein mijn weg heb moeten zoeken langsheen schaars aangebrachte steenmannetjes. Het pad liep dood op de kleine stuwdam. Vanaf nu had ik dus weer een pad onder mijn voeten en zal ik dus wel sneller vooruit vorderen als de voorbije uren.
Ik trok meteen verder en liep zo over het kronkelende bergpad naar beneden. Zo kwam ik geleidelijk langs de rechterkant dieper in het komdal terecht waarin achteraan het Embalse de Bramatuero Bajo is gelegen. Het pad daalde geleidelijk zigzaggend minder steil verder naar beneden over lange rechte stukken tot ik beneden in het dal bij een uitgebreid moeras terecht kwam. Langs de rand van dit moeras liep ik vervolgens over het pad verder. Midden in dit moeras kronkelde een rustig beekje naar het meer. Dit is natuurlijk het riviertje dat het water uit het inmiddels hoger gelegen Embalse de Bramatuero Alto vervoert naar het lager gelegen Bramatuero meer hier ondertussen niet veel verder. Dan dook het pad het moeras in tussen het drassige gras. Op de plaats waar het beekje het moeras verlaat en opnieuw begint te kabbelen over een rotsige bodem stak ik het riviertje over. Niet veel verder mondde het hier dan vervolgens in het kleine meertje uit dat net voor het Embalse de Bramatuero Bajo gelegen is. Dit kleine meertje passeerde ik vervolgens en dan kwam ik op een kleine grasvlakte uit waarop ik rechts van me het stuwmeer even te zien kreeg, maar niet voor lang want het pad liep al snel een soort gang in tussen een lange rotsbult langs de kant van het meer en de berghelling langs mijn linkerkant. In deze gang lagen heel wat kleine moerasjes en plasjes met ook weer wat pluizend wollegras.
Daarna stuurde het pad me de gang uit en klom ik geleigelijk de hoogte op aan de zuidkant van het meer, zodat ik nu eindelijk een overzicht kreeg over het meer heen. Als ik terugkeek van waar ik kwam herkende ik de Pico de Bramatuero (2900m) en de Pico de las Neveras (2902m), twee bergtoppen waar ik daarstraks dicht bij ben geweest toen ik nog op de Collado del Letrero was. Gezien vanuit het Valle del Ara deze voormiddag lieten deze bergen zich toch van een mooiere kant zien. De Collado del Letrero was nu niet meer te zien. De stuw kwam nu in zicht en over de vaste rotsen volgde ik de steenmannen al afdalend verder tot ik al snel bij de stuwdam uitkwam. Deze stuw was wat langer maar minder hoog dan die van het hoger gelegen Embalse de Bramatuero Alto daarstraks. Het meer leek zelfs bijna over te lopen want de waterspiegel stond hier zelfs slechts een tiental centimeter onder de dam. Ook hier sijpelde weer heel wat water door de dam heen. Aan de voet van de dam was het wat rommelig. Er lagen onder meer enkele verroeste kabels naast de wilde beek waarvan het water hier opnieuw uit een gat onderaan de dam kwam gestroomd.
Ik stak de dam over en rustte dan een tiental minuten uit. Nu was ondertussen verder naar beneden alweer het derde grote stuwmeer in zicht gekomen. Dit is het Embalse de Bachimaña Alto (2207m). Dit meer is weer een reuze groot meer, ongeveer even groot als het Embalse de Bramatuero Alto. Het ligt niet zo ver van het meer vandaan waar ik me nu nog bevond. Ondertussen was het 16h15. Dat was al redelijk laat. Ik was even aan het inschatten om hoe laat ik het Ibon de Azul Superior zou kunnen bereiken, waar ik de komende nacht van plan was te overnachten. De afdaling tot aan het Embalse de Bachimaña Alto zal nog geen half uur in beslag nemen, schatte ik. Vanaf dit meer begint dan de finale klim van vandaag, langs het Embalse de Ibon Azul Inferior (2380m) tot aan het Ibon Azul Superior (2410m), slechts een klim van een 200m. Een dik uur wandelen zal het dus nog zijn voor vandaag.
Na een tien minuten nam ik mijn rugzak weer op en begon aan de redelijk korte afdaling naar het Embalse de Bachimaña Alto. Een echt pad was er nu weer even niet, maar hier en daar waren wel enkele kleine steenmannetjes gestapeld. Ik stak de beek eerst over en daalde dan redelijk steil af over de vaste rotsen. Vervolgens kwam ik op een grashelling terecht die ik verder afdaalde zodat ik beneden terug uitkwam bij de beek die hier veel rustiger voortkabbelde tot in het meer. Net voor de beek werd opnieuw een pad zichtbaar in het gras. Ik stak de beek over via enkele keien en volgde dan het pad verder over de grashelling langs de noordkant van het meer tot ik bij de noordwestelijke punt van het meer uitkwam waar een andere beek via een diepe kloof in het meer uitmondt. Deze beek zal ik nu klimmend moeten volgen want ze vervoert het water dat komt uit de Ibones Azules meertjes.
Ondertussen had ik reeds gemerkt aan de grijze kleur van de rotsmassa vlak boven de waterspiegel van het meer dat de waterspiegel van het Embalse de Bachimaña Alto wel eens hoger staat dan nu het geval was. De grashelling naar het meer toe was ondertussen erg steil geworden. Het water langs de oever was plots maar troebel omdat wat puin verderop toevallig in het meer was gegleden.
Vanaf nu begon het pad dus te klimmen waarbij het meer links van me plaats maakte voor de nauwe kloof met daar beneden de kolkende beek in. Er verschenen meer en meer rotsen tussen het gras op de helling waarover het pad rechtdoor omhoog klom. Na een eindje klimmen, volgde een korte afdaling zodat ik weer op een moerasvlakte terecht kwam waar het riviertje in twee armen rustig doorheen kabbelde. Het pad leidde me tot op het midden van de vlakte naar een houten paal die hier was aangebracht. Het is bij deze paal dat in feite verschillende routes samen komen. Links loopt een pad weer terug naar het Embalse de Bachimaña Alto. Als je dit pad blijft volgen kom je aan de lange afdaling uit die leidt naar Baños de Panticosa, een klein Spaans bergdorpje. Dit pad zal ik overmorgen trouwens nemen want ik zal hier opnieuw op deze moerasvlakte uitkomen. Overmorgen zal ik hier overigens weer terug passeren want het pad komende van de Puerto de Panticosa, of in het Frans de Port du Marcadau, komt hier ook op het moeras uit. Nu had ik dit onopvallende pad echter nog niet opgemerkt en op de kaart is dit pad niet aangegeven.
Maar ik nam nu gewoon het pad verder dat doorheen het moeras verder loopt. Het was een prachtig plekje hier met de steile hellingen van de Picos del Infierno vlak voor me en een kleine klaterende waterval die het water van de beek in het moeras liet storten. Wanneer ik het moeras doorkruist had begon de klim weer verder. Zo klom ik boven de waterval verder opnieuw tussen rotsig terrein. Het ging niet meer zo snel vooruit want ik was ondertussen vermoeid geworden na deze reeds lange dag. Wat verder begon het pad even te zigzaggen en zo kwam ik na een eind een stuk hogerop bij de kleine stuwdam uit van het Embalse del Ibon Azul Inferior (2380m). Voor de verandering moest ik de stuw dit keer niet over. Het was nu 17h15. Dit meer is relatief klein in vergelijking met de reuze meren die ik deze namiddag reeds was tegengekomen. Het water had een groenblauwe kleur en was ongelooflijk helder. Van aan de oever kon je tot ver van de oever vandaan de bodem van het meer zien en die lag zelfs heel diep nabij de kleine dam. De zon stond juist boven de hoogste top van de Picos del Infierno en deed het rimpelende wateroppervlak fel glinsteren. Een twintigtal meter van de meeroever en de dam vandaan stond een klein metalen schuilhutje dat meer weg had van een minicontainer van een vrachtwagen. Ik plaatste mijn rugzak tegen het hutje en ging dan vlak aan de oever van het meer zitten en keek wat rond. Ik was ondertussen erg moe. Even was ik aan het twijfelen of ik hier dichtbij dit meertje niet zou overnachten, maar ik besloot om me aan mijn planning te houden en nog even verder te trekken naar het meest westelijk gelegen meertje, het Ibon Azul Superior.
Na een vijftal minuten stond ik terug recht en liep dan naar het hutje waar ik opnieuw voor nog eens een vijftal minuten ging zitten. Omdat de zon nog steeds niet onder de Pico del Infierno was gezakt kon ik nog steeds geen foto nemen van het meertje. Mijn geduld raakte ondertussen op en zo trok ik uiteindelijk toch een foto die tot mijn grote verbazing nog redelijk lukte ook.
Daarna nam ik mijn rugzak weer en begon het allerlaatste stukje voor vandaag naar
het laatste meertje. Het pad klom even verder langs de zuidkant van het stuwmeertje en niet veel verder zag ik zo plots het andere meertje, het Ibon Azul Superior (2410m) liggen. Het was een wondermooi meertje omringd door twee prachtige toppen, de Picos del Infierno (3082m) en de Pico de Piedrafita (2915m). Tussen deze twee bergen zag ik nu al de Collado del Infierno (2721m), een bergpas voor morgen. Aan de noordzijde van het meertje lag een grote met gras begroeide alluviale delta waarover een riviertje stroomde dat in het meer uitmondde.
Ik daalde rustig af tussen het rotsige terrein over het pad tot ik op de vlakke delta aankwam. Hierop bevonden zich enkele met keien omzoomde kampeerplekjes. Dit keer was ik de enige hier. Ik wou mijn tent zo dicht mogelijk nabij de meeroever opstellen om niet te ver te hoeven lopen voor water. Zo liep ik naar het andere eind van de delta waarbij ik enkele ondiepe stroompjes overstak. Het was ondertussen bijna zes uur geworden. Wanneer ik op de plaats stond waar ik mijn tent zo dadelijk ging opstellen keek ik eens even goed rond. Ook hier was het meerwater ongelooflijk helder. Het had een groenblauwe kleur en het rimpelde zachtjes onder toedoen van een heel zacht briesje. Naar het oosten had je een wijds uitzicht. De Vignemale (3298m) torende weeral overal bovenuit. En dan had je de Picos del Infierno met zijn marmeren strook, het bruine metamorfe gesteente bovenaan en de nog steeds aanwezige sneeuwvelden. Oostwaarts gingen de bruine hellingen van de Infierno over in een woeste grijze granieten bergkam. Dit was ongetwijfeld de prachtigste omgeving waar ik ooit al gekampeerd had.
Vervolgens stelde ik mijn tent op. Het ging niet goed want de piketten konden niet diep in de stenige ondergrond geduwd worden. De ondergrond bestond uit een mix van keitjes waarop een vochtig tapijt van mos en gras groeide. Uiteindelijk ben ik nog een eindje verder keien moeten gaan halen om de lijnen van mijn tent strakker te kunnen laten spannen. Deze keien vond ik een eindje verder op de delta bij een kleine kampeerplek. Wanneer mijn tent recht stond en ik al mijn spullen had geïnstalleerd begon het al snel fris te worden wanneer de zon achter de Picos del Infierno wegzakte en een kille schaduw het meer langzaam verder veroverde. Het werd volledig windstil, net als gisterenavond aan het Lac de la Badète. Ondertussen kon ik genieten van een achtergrondlawaai van gebleit en bellengerinkel want plots waren enkele schapen verschenen bovenaan op de berghelling in het westen. Zij kwamen van achter de bergrug tevoorschijn waarachter de Collado del Infierno verscholen ligt. Al gauw kwamen ze met zijn allen naar mijn richting toe zodat niet veel later een kudde van wel honderden schapen op de berghelling te zien was.
Ondertussen klom ik even de berghelling op om enkele foto’s te nemen van de
omgeving. De schapen gingen angstig voor me uit de weg. Terug beneden ging ik in mijn tent liggen en begon dan water te koken voor mijn avondeten. De schapen trokken zich geleidelijk weer terug en na een dik uur wanneer ik mijn eten net op had gegeten waren ze weer allemaal verdwenen. Weer kleurde de Vignemale plots helemaal rood onder toedoen van de late avondzon. Het was weer muistil en het wateroppervlak van het meer was ondertussen één gladde spiegel geworden door de windstilte. Ik poetste mijn tanden en liep dan nog een tijdje rond in de omgeving van mijn tent terwijl het ondertussen al snel donker werd. Zo zag ik dat de hemel boven de Pico de Piedrafita even in een roze tint kleurde. Daarna werd het pikkedonker. Ik kroop dus mijn tent in en ging slapen. Het was dan reeds 20h30.
Het was een lange dag geweest en ik was erg vermoeid. Veel mensen was ik vandaag ook niet tegengekomen. Na de Engelse groep deze ochtend had ik geen levende ziel meer gezien. Ik had een serieuze afstand afgelegd vandaag en twaalf grote en minder grote bergmeren tegen gekomen. Als een blok viel ik dus meteen in slaap. Morgen ging eveneens weer een zware dag aanbreken met één van de spannendste hoogtepunten van de hele trektocht: de beklimming van de Picos del Infierno (3082m).










No comments
Comments feed for this article