Donderdag 23 september : Lacs de la Fache (2420m) - Ibon de los Arnales (2310m)

Afstand : 20,5km
Duur : 7h40

Klimmen : 1401m
Dalen : 1511m

Bergpassen : Port du Marcadau (2541m)

Vandaag brak de dag aan waar ik graag het Ibon de los Arnales zou willen bereiken. Dit meertje ligt hoog aan de zuidoostelijke flank van de Picos del Infierno. Maar om dit meertje te bereiken moet er een lange afstand overbrugd worden. Eerst zal ik verder het Vallée du Marcadau indalen om weer even bij de Refuge Wallon (1866m) uit te komen waar ik drie dagen terug reeds ben geweest, toen nog met Sarah en Jeroen. Vervolgens start de klim naar de Port du Marcadau (2541m), de grenspas waar dit korte Franse intermezzo zal worden beëindigd en een dagenlang Spaans avontuur begint. In Spanje zal ik verder afdalen langs het Embalse de Bachimaña Alto (2207m), waar ik eergisteren reeds passeerde. Zo zal ik mijn weg van eergisteren even gaan kruisen, maar toch zonder één meter over hetzelfde pad te moeten lopen. Achter het meer neem ik de lange afdaling verder tot in het Spaanse dorpje Baños de Panticosa (1650m). Daar zal dan waarschijnlijk reeds laat in de namiddag nog de finale klim starten naar het nog meer dan 600m hoger gelegen Ibon de los Arnales (2310m).

Vandaag brak de dag aan waar ik graag het Ibon de los Arnales zou willen bereiken. Dit meertje ligt hoog aan de zuidoostelijke flank van de Picos del Infierno. Maar om dit meertje te bereiken moet er een lange afstand overbrugd worden. Eerst zal ik verder het Vallée du Marcadau indalen om weer even bij de Refuge Wallon (1866m) uit te komen waar ik drie dagen terug reeds ben geweest, toen nog met Sarah en Jeroen. Vervolgens start de klim naar de Port du Marcadau (2541m), de grenspas waar dit korte Franse intermezzo zal worden beëindigd en een dagenlang Spaans avontuur begint. In Spanje zal ik verder afdalen langs het Embalse de Bachimaña Alto (2207m), waar ik eergisteren reeds passeerde. Zo zal ik mijn weg van eergisteren even gaan kruisen, maar toch zonder één meter over hetzelfde pad te moeten lopen. Achter het meer neem ik de lange afdaling verder tot in het Spaanse dorpje Baños de Panticosa (1650m). Daar zal dan waarschijnlijk reeds laat in de namiddag nog de finale klim starten naar het nog meer dan 600m hoger gelegen Ibon de los Arnales (2310m).Zoals de voorbije dagen werd ik weer gewekt om 7h00, maar dit keer viel ik opnieuw in een ondiepe slaap. Zo kwam het dat ik pas om 7h40 echt wakker werd en snel opstond. Ik nam het nieuwe pakje cruesli-ontbijt dat volgens de tekst op het pakje, in tegenstelling tot het pakje van de voorbije twee dagen, ook met koud water kon gegeten worden. Ik deed er dus koud water bij maar de noten en cruesli bleef een harde boel die nauwelijks op te eten was. Ik nam al maar snel mijn trangia koker boven en zette de hele pot op de vlam. Wanneer het dan uiteindelijk warm was, was alles toch mals en eetbaar. Het weer was weer een kopie van gisteren: een helder blauwe lucht, fris en windstil. Het was 3°c in mijn tent toen ik op was gestaan. Wanneer mijn ontbijt naar binnen was gespeeld waste ik nog snel mijn pot uit aan het meertje. Dit keer kwamen enkele visjes vanuit de diepte nieuwsgierig dichterbij om te kijken wat ik aan het doen was. Al snel slokte ze enkele van de zwevende voedselrestjes naar binnen.

Terug bij mijn tent begon ik alles in te pakken. Na een poosje rees de zon dan over de bergen in het oosten en begonnen de zonnestralen weer aan hun dagelijkse opwarming. Mijn handschoenen en muts had ik dit keer in tegenstelling tot gisteren ochtend niet aangedaan. Ondertussen wanneer ik mijn tent bijna afgebroken had, hoorde ik plots het geluid van een helikopter. Ik keek rond en na enkele seconden zag ik inderdaad een helikopter boven de Col de la Fache. Hij kwam vanuit Spanje gevlogen en bleef wat rondcirkelen boven de col, precies of er werd naar iemand gezocht. Daarna verdween hij weer achter de Grande Fache zodat de stilte plots weer terugkeerde en ik ongestoord kon verder gaan met het inpakken van mijn spullen. Een paar minuten later doemde het geluid echter weer op. Dit keer verscheen de helikopter weer van achter de grenskam, maar nu net aan de andere kant van de Grande Fache. Van tussen de Pic Falisse en Grande Fache vloog hij zo vlak voor de piramidevormige kegel van de Grande Fache naar de Col de la Fache en keerde dan weer langzaam terug. Ik schrok wel toen de helikopter net voor de Grande Fache vloog want eerst leek het erop dat de helikopter hoger vloog maar vanaf het punt dat hij voor de berg verscheen zag je pas dat hij juist lager vloog en vlak langs de flank van de berg was aan het vliegen. Nu zag ik pas hoe nietig klein het helikoptertje wel niet was in vergelijking met de grote kegel van de berg. Na een paar minuten de noordflank van de berg afgespeurd te hebben vloog hij terug Spanje in tussen de Pic Falisse en Grande Fache door. Ze waren precies echt naar iemand op zoek. Daarna is de helikopter niet meer teruggekeerd.

Ondertussen was ik bijna zo goed als klaar met het klaarmaken van mijn rugzak. Om exact 9h05 vertrok ik op pad. Eerst zocht ik het bergpad terug op en liep dus weer voorbij de drooggevallen plasjes. Op het pad aangekomen sloeg ik naar rechts en daalde zo helemaal niet steil het dalletje in tussen het terras en de bergflank van de Petite Fache (2947m), het kleinere noordelijker gelegen broertje van Grande Fache. Niet veel verder in het dalletje weerklonk plots weer de alarmkreet van een marmot waarna ik er enkele zag wegvluchten. Het pad begon steiler te dalen tussen het rotsig terrein in het dalletje waar toch ook heel wat plekken gras te zien waren. Zo kwam er plots, op de plek waar het dalletje ophield en het pad de berghelling van het Vallée du Marcadau opging, verrassend een klein verborgen meertje tevoorschijn. Ik stak het van het meertje komende beekje over en daalde nu het dalletje verder uit zodat het uitzicht over het Vallée du Marcadau zich rechts voor me opende. Rechts beneden zag ik op het Pla de Loubosso waar de Ruissau du Port du Marcadau zich doorheen slingerde. Het Pla de Loubosso is de allerlaatste vlakte in het Vallée du Marcadau. Rechts voor me gaf deze vlakte via een drempel uit op het Pla de la Gole, de voorlaatste vlakte waarop aan de rand in de verte de Refuge Wallon te zien was.

Matig steil daalde ik over het pad verder dat langs de berghelling eerst een heel eind rechtdoor, later via lange zigzaggen verder afdaalde in het dal. Ondertussen was ik twee jonge Fransen gepasseerd, komende van de Refuge Wallon. Wedden dat zij de Grande Fache gaan beklimmen? Na een hele poos verder afdalen over de zigzaggen kwam ik opeens een redelijk grote oude naaldboom tegen die vlak naast het pad stond. Dat was weer even wennen want de voorbije twee dagen had ik geen boom meer gezienvan dichtbij. Na de volgende haarspeldbocht verschenen er verspreid meer en meer kleine mininaaldboompjes opde helling. Een paar haarspeldbochten verder was ik op het Pla de Loubosso uitgekomen. Van boven leek het eenechte vlakte te zijn in het dal, maar van hier beneden uit is het wel niet zo vlak natuurlijk, tenminste onderaan opde vlakte. In tegenstelling tot onderaan op de valleihelling, groeiden hier op de vlakte geen naaldboompjes meer,enkel gras. Ik vervolgde het pad door het gras verder, stak zo de Ruissau du Port du Marcadau over via eenhouten bruggetje en liep zo dan zwakjes dalend verder naar de noordpunt van de vlakte waar opnieuw enkele kleine naaldboompjes verschenen. Vervolgens volgde de matig steile afdaling over de drempel naar de volgende vlakte, het Pla de la Gole, zodat de Refuge Wallon, gelegen aan de noordkant van de vlakte, weer in zicht kwam. Op het Pla de la Gole liep ik dus over het pad verder en kwam zo tussen de grote stokoude naaldbomen terecht die hier in de omgeving van de berghut groeien. Tenslotte stak ik de rustig kabbelende rivier weer over via een houten brug en klom dan de enkele meters nog omhoog naar de refuge (1866m). Hier kwam ik aan omstreeks 10h00.

Ik zette mijn rugzak tegen de muur van de hut, deed mijn jas uit want het was ondertussen al aangenaam warm geworden en ging dan naar binnen. Er zaten verschillende mensen in de keuken die blijkbaar net klaar waren met hun ontbijt. Gasten waren er niet, of ze waren al vertrokken. Nog enkele dagen en de hut zal gesloten worden voor dit jaar. Net als drie dagen eerder vroeg ik een cola. Voor 33 cl is 2,60 euro wel veel geld, maar zo is het overal in de berghutten. Net als de vorige keer hing het weerbericht uit en weeral was het niet bijgewerkt. Zowel bij dinsdag, woensdag als vandaag was telkens een volle zon getekend met telkens temperaturen in de dalen tussen 10 en 20°c, maar daar was ik niet veel mee natuurlijk. Vrijdag stond er ook nog op en tot mijn grote verbazing stond ernaast een wolk met regen getekend en de woorden “rafraichissement” ofwel afkoeling. Slechts een 5°c werd nog aangegeven. Ik kon er eerlijk gezegd toch niet zoveel van geloven want niets aan de hemel duidde erop dat er morgen een weersverslechtering zat aan te komen.

Vervolgens ging ik naar buiten en zette me op het betonnen muurtje aan de hut in het zonnetje. Daar dronk ik langzaam mijn cola op terwijl ik weer rondkeek omheen de hut. Het uitzicht kende ik ondertussen al wel. Een dagjesmens met een kleine rugzak en één wandelstok arriveerde aan de hut. Hij bekeek de gele wegwijzerbordjes aan de hut en liep dan verder het Pla de la Gole op. Twee van de Franse huttenuitbaters kwamen buiten zitten met hun verrekijker. Na een tijdje meende ik te verstaan dat ze een marmottenfamilie op de berghelling tegenover de hut waren aan het aanschouwen. Met het blote oog kon ik er toch in elk geval geen zien. Toen mijn cola op was ging ik het lege blikje nog even afgeven in de hut en dan nam ik mijn rugzak weer op en vertrok net als de Fransman daarnet het Pla de Gole weer op. Het was nu twintig over tien. De klim naar de ongeveer 700m hoger gelegen Port du Marcadau (2541m) ging nu beginnen. De wegwijzers aan de hut waren niet zo duidelijk. Eén was zelfs afgebroken. Ik nam niet hetzelfde pad langs waar ik aan de hut was aangekomen, maar het andere paadje dat rechts van de beek bleef en recht op de bivakkeerplek aan de hut afstoomde, welke midden op het Pla de la Gole gelegen is. De bivakplaats was afgebakend met telkens een rood geschilderde tent op de rotsen. Eigenlijk mag er niet overnacht worden in het nationaal park met een tent. Volgens de regels mag dit enkel op de aangeduide bivakkeerplaatsen nabij elke hut of op meer dan één uur wandelen van de grens van het park en dit enkel tussen 19h00 ’s avonds en 9h00 in de ochtend. Maar wat maken deze regels nu uit want zolang je helemaal alleen bent in de bergen en je afval telkens meeneemt doe je niks verkeerd. Sarah en Jeroen moeten hier dus enkele dagen geleden met hun tent geslapen hebben terwijl ik reeds veel hoger was. Voorbij de bivakkeerplek hield het paadje op en werd het al snel duidelijk dat ik eigenlijk het pad had moeten nemen langs waar ik de Refuge Wallon had bereikt. Toch ging ik niet terug. Hier stak ik de Ruisseau du Port du Marcadau over. De rivier was toch redelijk diep en daarom zocht ik even naar een plek waar ik er zonder nat te worden kon door waden. Deze vond ik snel. Hier ging ik in enkele passen door het water en kwam dan terug op het gras terecht. Ik was niet nat geworden.

Voorts liep ik het laatste stuk over de vlakte verder en kwam dan opnieuw aan de drempel aan. Hier klom ik nu steil door het gras en tussen de enkele naaldbomen naar omhoog waarbij de rivier me nu vergezelde door een kloof rechts van me.Port du Marcadau Even verder stortte ze zich via een waterval van het Pla de Loubosso in deze kloof. Niet veel hoger werd het terug vlak en stuitte ik uiteindelijk op het juiste pad waarover ik zonet reeds had gelopen, maar toen in de tegengestelde richting op weg naar de hut. Ik was dus nu weer op het Pla de Loubosso. Niet veel verder stak ik de rivier weer over via het houten bruggetje en sloeg daarna direct linksaf op het vagere paadje dat verder door de vlakte loopt in de richting van de Port du Marcadau. Deze splitsing was ook aangegeven met de gele bordjes van het nationaal park. In mijn richting stond de Port du Marcadau aangegeven met 2h15, Baños de Panticosa, het Spaanse bergdorpje, met 5h30. Ik was dus links afgeslagen en had zo dus het pad verlaten dat me weer naar de Col de la Fache zou brengen. Ik wandelde door het uiterst vlakke grasland van het langgerekte Pla de Loubosso. Het pad werd helemaal onduidelijk in het korte gras, maar op geruime afstand waren wel steenmannetjes geplaatst. Aan het einde van de vlakte leek een fossiele morenewand te liggen die waarschijnlijk dateert uit de lang vervlogen tijd dat de gletsjer van Grande Fache met zijn tong net op deze vlakte viel. Ooit moet deze vlakte dan zijn opgevuld geweest tot een sandrvlakte met het fijne materiaal dat de gletsjer aanbracht. Vandaag is met het verdwijnen van de gletsjer de sandrvlakte helemaal gedegradeerd zodat de Ruissau du Port du Marcadau zich slechts via één bedding door de vlakte slingert en niet meer vlechtend zoals dat traditioneel op een sandrvlakte het geval is. Een gewone mens zou zoiets allemaal niet zien. Je ziet waar geogafie studeren toch niet allemaal goed voor is geweest…

Even prikte er iets op mijn rug. Wat het juist was heb ik nooit geweten. Ik schudde wat met mijn rugzak tot het na een tijdje verdween. Op het einde van de vlakte begon het pad nu de berghelling op te klimmen, net links van de oude morene. Wat verder, nadat ik de hier reeds kleinere en klaterende Ruissau du Port du Marcadau weer had overgestoken, werd het pad geleidelijk steiler en begon te zigzaggen terwijl steeds meer en meer fel bruine rotsblokken verschenen tussen het gras op de helling. Uiteindelijk kwam het pad abrupt op een blokkenveld van rotsen terecht net voordat een redelijk breed komdal werd ingeslagen dat ligt geklemd tussen de Pic Falisse en de Grande Pic de Péterneille in. Door dit komdal bleef het pad iets minder steil verder stijgen tussen de bruine rotsblokken en stevende nu vrijwel rechtdoor af op de Port du Marcadau (2541m) die nu in zicht was gekomen.

Niet veel later kwam ik zonder moeite omstreeks 12h00 op de grenspas uit waar nu weer een frisse wind uit het noorden door blies. Het uitzicht Spanje in was niet echt bijzonder. Het werd ook gedeeltelijk belemmerd door een bergrug die van de Pic Falisse komt. Geen enkel van de bergmeren van Panticosa kon gezien worden. De Pico de Tendeñera was de enige benoemenswaardige top in de verte die ik meteen herkende. Voor het zicht Frankrijk in geldt ongeveer hetzelfde. Een groep van vijf Spanjaarden, waarvan drie mannen en twee vrouwen, was aan het lunchen op de bergpas. Ze zaten een beetje lager aan de Spaanse kant om beschutting te zoeken voor de frisse wind. Ik zette mijn rugzak neer op de pas en zocht dan achter mijn rugzak beschutting tegen de wind. Eigenlijk was het nu iets te frisjes geworden om nog met mijn trui aan hier te blijven zitten, maar ik hield mijn jas toch in mijn rugzak. Er lagen nogal wat schapenkeutels verspreid op de pas. Ik nam alvast weer een pakje hardkeks met twee potjes confituur en begon te eten. De Spanjaarden hadden allen dikke kledij aan, een jas, handschoenen en sommigen ook een muts, een nogal groot contrast met mezelf. Wanneer ik volop aan het eten was stonden ze allen recht en begonnen aan hun afdaling terug verder Spanje in terwijl ik ze bleef nakijken. Na een tijdje verdwenen ze achter de bergrug die van de Pic Falisse komt. De Spanjaarden noemen de Pic Falisse trouwens Pico de Eliarra. Laten we dus langs de Spaanse kant deze naam gebruiken.

Minuten later was ik ook vertrekklaar en nam ik dus weer mijn rugzak en vertrok. Het pad liep matig steil in een brede boog naar beneden tussen rotsig terrein zodat ik geleidelijk ook van de frisse wind doorheen de pas verlost werd. Wanneer ik achter de bergrug, komende van de Pico de Eliarra kwam, zag ik voor me een stuwmeertje liggen. Dit was het Embalse de Pecicos (2490m) welke ligt ingesloten in een dalhoofd, omgeven door enkele puntige bergtoppen. Wanneer het pad wat verder een haarspeldbocht naar links maakte kwam nu rechts onder me in het dalletje het kleinere langgerekte en iets lager gelegen Ibon del Pecico de la Canal (2445m) tevoorschijn. Het pad daalde verder naar beneden en kwam nu niet veel verder aan het uiteinde van dit natuurlijke meertje uit. Hier had ik een mooi zicht op de zuidoostkant van Gran Facha (3005m). Langs deze kant komt zijn steile piramidevormige kegel het best tot uiting. Het uitzicht van de Pico de Eliarra (2765m) ernaast was van deze kant nog dramatischer. Deze berg leek bijna een naald. Mooi was de contrasterende diepblauwe lucht erboven. Het riviertje dat hier nu uit het meertje stroomde liep een smal dalletje in dat overal gevuld was met rotsblokken. Het pad liep eveneens dalend dit dalletje in, waarbij het riviertje me voor een korte tijd vergezelde, steeds rechts dicht bij me. Even verderop was de bodem van het dalletje zo sterk met rotsen gevuld dat het water van het riviertje verdween onder de rotsblokken. Ik kon het water nog wel horen stromen. Niet veel verder maakte het pad een bocht naar rechts en verliet dus het dalletje. Zo klom ik over een kort stukje een terras op waar nog steeds veel rotsblokken lagen. Weer een stukje verder volgde een korte afdaling zodat ik op een ander lager gelegen smal terras terecht kwam waar het vochtig was en wat waterminnende plantjes groeiden, onder meer weer wat pluizend wollegras. Vanaf hier opende zich dan uiteindelijk het zicht over het Embalse de Bramatuero Bajo (2293m) met de Vignemale (3298m) in het oosten en over het Embalse de Bachimaña Alto (2207m) en wat later ook de Picos del Infierno (3082m) in het zuiden. Het pad splitste hier. Beide paden daalden verder af naar het Embalse de Bachimaña Alto, maar ik nam het rechtse pad omdat dit een kortere route leek. Later merkte ik dat dit pad net niet op de kaart staat aangegeven, het andere wel. Zo verliet dit pad al snel het kleine terras, maakte dan een bocht naar rechts en daalde vervolgens gestaag verder in zuidwestelijke richting waarbij de Picos del Infierno vlak voor me uittorenden.

Zo kwam ik na een hele poos afdalen boven bekend terrein terecht. Ik was tot vlak boven het moeras afgedaald dat ten westen van de noordwestelijke punt van het Embalse de Bachimaña Alto ligt, het moeras dat ik eergisteren laat had doorkruist op weg naar de Ibones Azules meertjes. Ik daalde het laatste steilere stukje tussen de rotsen af tot op het moeras, liep dan naar de paal die midden in het moeras staat en kruiste daar dus de route die ik eergisteren gelopen had. Nu nam ik hier het vage paadje dat me verder naar het Embalse de Bachimaña Alto zal brengen. Ik stak enkele kleine armen van het beekje over dat komt van de Ibones Azules meertjes en verliet dan het moeras. Niet veel verder kwam ik aan een tweede moeras uit dat eigenlijk meer een grote ondiepe plas was. Hier passeerde ik aan de zuidwestkant ervan over grote afgeronde keien en kwam zo aan de voet van de berghelling terecht. Deze vervolgde ik dan licht stijgend over vaste rotsen zodat het Embalse de Bachimaña Alto weer links voor me opdoemde. Het pad liep nu een stuk boven de westelijke oever verder.

Plots zag ik een gier boven me rondcirkelen. Hij vloog nog niet eens zo hoog. Vlug nam ik mijn fototoestel maar net op het moment dat ik klaar was om een foto te nemen zweefde hij weer terug weg achter de berghelling. Dit was pas de eerste gier die ik tegenkwam. Vorig jaar had ik er reeds veel meer gezien. Ik stak mijn fototoestel maar terug weg en vervolgde mijn weg over het pad. Al gauw kwam ik aan de zuidpunt van het stuwmeer waar het pad een bocht naar rechts nam zodat ik uit de schaduw van de berghelling opnieuw in de zon terecht kwam. Hier bevindt zich ook de stuwdam van het Embalse de Bachimaña Alto. Met een hels lawaai perste er zich water door een brede buis onderaan de dam en viel zo in het tweede stuwmeer neer, het Embalse de Bachimaña Bajo. Dit meertje is maar klein in vergelijking met het aanliggende veel grotere Embalse de Bachimaña Alto. Aan de overkant van het klein langwerpige meer bevindt zich een vlakke plek met daarop vele vervallen gebouwtjes en een verroeste kraan. Allemaal overblijfselen van de tijd wanneer men de dammen hierboven aanmaakte.

Vanaf nu daalde het pad ook voorbij de kleine stuwdam van het Embalse de Bachimaña Bajo en zo daalde ik een duidelijk dal in. Beneden in dit dal ligt het kleine Spaanse bergdorpje Baños de Panticosa, welke het enige dorpje is in Spanje dat ik zal tegenkomen tijdens deze trektocht. Al gauw kwam ik tussen de kleine naaldboompjes terecht en werd het steeds warmer en warmer tijdens het dalen. De brandende zon werd onverdraaglijk. Ik wou een pauze nemen om wat uit te rusten want dat was reeds van deze middag geleden op de Port du Marcadau. Maar eerst moest ik een plek met schaduw vinden want hoewel ik nu wel reeds tot tussen de naaldboompjes afgedaald was had ik toch nog steeds geen schaduw. Het pad daalde al zigzaggend verder het dal in en na een hele tijd kwam ik dan toch grotere naaldbomen tegen. Bij de eerste boom die een goede plek schaduw wierp op het pad hield ik vervolgens halt, nam mijn rugzak af deed mijn trui uit, stopte hem in mijn rugzak en dronk wat. Na een tiental minuten vertrok ik weer. Gelukkig had ik nu regelmatig schaduw onder de grotere naaldbomen. Wat verder kwam ik drie oude Spanjaarden tegen die op weg waren naar boven. Ik daalde verder en passeerde regelmatig een oude elektriciteitspaal die vroeger elektriciteit moest leveren vanuit het bergdorpje beneden naar de werken nabij de meren boven. Het pad kronkelde nu niet meer, maar liep langzaam dalend verder over de steile berghelling. Omdat het op sommige plekken zo zorgvuldig was aangelegd met opeengestapelde rotsen, deed het me wat denken aan een bergpaadje dat speciaal was aangelegd voor ezels. Links diep beneden in de afgrond hoorde ik de rivier nu stromen die al het verzamelde water uit de bergmeren boven naar beneden in het dal bracht. Rio Galderas, zo noemt de bergstroom.

Na reeds een heel eind te zijn afgedaald kwam ik plots in een kleine open grasvlakte terecht tussen de naaldbomen. Het pad doorkruiste de vlakte en daalde nu nog nauwelijks. Na de vlakte doorkruist te zijn en opnieuw tussen de naaldbomen terecht te komen merkte ik plots enkele mensen op die in de Rio Galderas lagen pootje te baden. Vanaf nu hoorde ik ook geleidelijk een lawaai van beneden uit het dal dat hoogstwaarschijnlijk van het dorp moest afkomstig zijn. Wat verder liep het pad verrassend langs een fraaie twee meter hoge waterval in de Rio Galderas en daalde dan weer steil over grote rotsmassa’s verder naar beneden. Het dorpje werd nu geleidelijk beneden even zichtbaar en het onaangename lawaai bleek nu van niets anders te komen dan van drilboren en graafmachines. Zo te zien vonden er heuse werkzaamheden plaats in Baños de Panticosa.

Na een stuk steil te zijn afgedaald kwam ik in een kloof terecht net boven de bedding van de Rio Galderas. Hier was het dat de rivier zich tussen de nauwe rotsen via een nog hogere waterval naar beneden stortte. Ik vervolgde mijn weg over het nauwe paadje net boven de bedding van de rivier en moest dan even over een korte passage op handen en voeten een rotswand opklimmen om weer uit de kloof te geraken. Wanneer dit stuk achter de rug was vergezelde de Rio Galderas me nog even diep links beneden om dan uit mijn zicht te verdwijnen. Het pad daalde nu verder kronkelend tussen dicht struikgewas terwijl het helse lawaai vanuit het dorpje steeds luider werd. De naaldbomen hadden inmiddels plaats gemaakt voor berken en lijsterbessen. Het was niet ver meer tot aan het dorp.

Na een poos wanneer het pad weer sterk begon te zigzaggen zag ik het dorpje tussen de boomtakken door. Het leek erop dat men druk bezig was met het bouwen van enkele hotels. Al gauw kwam ik beneden aan de rand van het bos uit en stond nu vlak voor de bouwwerf van het eerste hotel. Welke kant ik nu opmoest was me niet duidelijk. Ik liep maar naar links naar de Rio Galderas, stak deze over via een smal bruggetje en kwam zo bij de bouwwerf uit van een tweede hotel, welke nog eens met hekken was afgezet. Dit was dus niet de juiste weg. Zo liep ik het stuk weer terug over het bruggetje en liep dan maar een stuk over de bouwwerf van het eerste hotel en kwam zo in het park van het dorp terecht. Eigenlijk was dit niets meer dan enkele rijen oude platanenbomen met daartussen stoffige wandelpaden. Het dorpje zelf deed ik niet aan. Het leek ook niet echt de moeite, slechts enkele oude badhuizen een herberg en twee hotelletjes en dat was het. Ik wou hier zo snel mogelijk weg want overal was het druk, stoffig en een hels lawaai door de bouwwerken. Toch nam ik even plaats aan het meertje aan de zuidwestkant van het dorp wat eigenlijk eerder op een grote vijver leek. Hier ging ik even zitten tegen een dikke boom in de schaduw en at rustig een powerreep op terwijl ik constant vrachtwagens moest zien aan en afrijden en op een gegeven ogenblik ook een enorme kraan. Mijn waterzak was ondertussen leeg en dat was wel even een tegenvaller want ik had ondertussen weer een grote dorst maar had nog geen water kunnen bijvullen uit de Rio Galderas en hier in het dorpje leek dat toch zeker geen best idee te zijn. Ik wist dat ik ook geen belangrijk riviertje meer ging tegenkomen vandaag op de finale klim naar het Ibon de los Arnales dus het kon wel eens best zijn dat ik geen drinken had tot deze avond aan het meertje.

Het was nu ondertussen kwart over drie. Het Ibon de los Arnales ligt hier zo’n kleine 700m hogerop in de bergen. Volgens een snelle schatting zou deze klim ongeveer twee en een half uur in beslag nemen. Hoog tijd dus om niet te treuzelen in het dorpje hier en snel weer te vertrekken. Zo zocht ik aan de westkant van de dorpsvijver het pad dat de bergen in steeg, maar het was niet zo gemakkelijk te vinden in het vuile parkje waar de vrachtwagens alles hadden platgereden. Toch ontdekte ik het snel tussen de struiken op. De klim verliep redelijk steil. Eerst passeerde ik nog een soort kappelletje met daarin een bron, maar het lag er maar vies bij. Ook hier geen water voor mij dus. Na slechts een tien minuten klimmen stopte ik even. Ik was reeds vermoeid en had grote dorst. Toen dacht ik eraan om eens even mijn gsm te nemen en te kijken of ik hier in de buurt van het dorpje ontvangst had. Dat was inderdaad het geval. Zo stuurde ik snel een berichtje naar huis, stopte vervolgens mijn gsm weer weg en pompte me dan weer moed in om te vertrekken en niet meer te stoppen voor ik aan het meertje zou uitkomen.

De klim verliep nog even zigzaggend tussen de naaldbomen en kwam dan even aan de rand van een open grasvlakte uit, reeds een heel eind boven het dorpje. Hier liep het pad al snel weer zigzaggend de berghelling op en kwam ik opnieuw tussen de mininaaldboompjes terecht. Hier was het dat ik enkele mensen passeerde die weer naar het dorp afdaalden. Zo kwam het dat ik opeens schrok wanneer van tussen de naaldboompjes plots een Spanjaard opdoemde, gekleed in dikke winterkledij en met muts en handschoenen aan. Ik stond versteld. Ik liep hier in mijn hemd rond te zweten in de zon en deze Spanjaard deed precies of het winter was. Sommige Spanjaarden zijn precies duidelijk aan veel hogere temperaturen gewend. De klim was ondertussen behoorlijk zwaar geworden. Dat kwam enkel omdat ik vermoeid was en een verschrikkelijke dorst had. Nog steeds had ik geen water tegengekomen. Ik mompelde tegen mezelf dat ik uit het eerste beekje dat ik zou tegenkomen meteen zou drinken, of het water nu te betrouwen is of niet. Niet veel verder, waar de mininaaldboompjes reeds minder talrijk waren, merkte ik dan plots een klein beekje op rechts van het pad. Snel ging ik ernaartoe. Het was maar een klein beekje, maar wel groot genoeg om uit te drinken. Ik nam snel mijn lege colaflesje en liet het vol lopen met het beekjeswater onder een klein watervalletje. Het water was gelukkig zuiver. Ik dronk er dus rechtstreeks van, maar of het nu zuiver was geweest of niet, met een zulke dorst had ik zelfs van water met zwevende wiertjes erin gedronken. Bijna een liter fris water heb ik hier naar binnen geslokt. Vervolgens liep ik weer naar het pad en vervolgde de klim. Mijn waterzak had ik niet bijgevuld, want ik kon nu wel weer even zonder drinken verder tot aan het meertje.

Het pad liep nu over een egale grashelling verder, met het dal achter me, waar nog steeds het helse lawaai vanuit het dorp uit weerklonk. Hoe hoger ik klom hoe minder naaldboompjes er nog groeiden. Voor me was ondertussen de top van de Pico de Garmo Negro (3051m) opgedoemd. Dit is de berg die ik morgen graag had beklommen. Echter fraai was de omgeving hier eigenlijk niet. Niet veel verder kwam ik de laatste groep dagjesmensen tegen die verder afdaalden naar het dal. Ondertussen werd het uitkijken geblazen want het Ibon de los Arnales ligt verborgen naar het noorden. Er loopt geen pad naar het meertje en het pad waar ik nu over klom komt veel hoger uit op een col, de Cuello de Pondiellos (2809m), die gekneld ligt tussen Garmo Negro en de Picos del Infierno. Het uitzicht van op deze col op de bergmeetjes van Pondiellos en de zuidflank van de Picos del Infierno zou geweldig moeten zijn, maar de col lag helaas niet op mijn uitgestippelde route. Op ongeveer een hoogte van 2200m zou ik het pad moeten verlaten om dan op het gevoel naar het meertje te gaan zoeken in het noorden. Wanneer ik zo hoog was verkoos ik toch om het pad nog wat verder hogerop te vervolgen. Zo kon ik nog even een merrie met haar veulentje opmerken op enige afstand verderop langs het pad. Wat verder hogerop graasden nog meer paarden zag ik niet veel later.

Hier verliet ik nu het pad en liep zo licht stijgend tussen het gras en de rotsblokken verder langsheen de berghelling naar het noorden op zoek naar het verborgen gelegen meertje. Het veulentje stond me nog constant gade te slaan tot ik weer verdwenen was achter de berghelling. De merrie bleef ongestoord verder grazen. Wanneer de paarden uit het zicht verdwenen waren stootte ik op een rotsveld dat ik met de nodige aandacht doorkruiste. Daarna klom ik nog even door het gras verder en kwam zo al snel op een bergrug uit. Voor me doemde nu een ondiep komdalletje op met daarin, tot mijn verbazing, een klein langwerpig meertje. Dit kon dus niet het Ibon de los Arnales zijn want dat meertje heeft een ronde vorm. Het werd meteen duidelijk dat het Ibon de los Arnales nog wat verderop lag. Dit meertje staat niet op de kaart aangegeven. Ik daalde van de bergrug af naar de zuidpunt van het langwerpige meertje, waar ik het beekje dat hier uit het meertje stroomt over platte rotsblokken overstak en klom zo geleidelijk de helling op langs de oostkant van het meertje naar het noorden. Het meertje zelf was overal erg ondiep. Op vele plaatsen groeide weer bloeiend waterranonkel. Wanneer ik hogerop was zag ik dan uiteindelijk het echte Ibon de los Arnales (2310m) liggen. Het meertje ligt echt verborgen in een kom op de zuidoostelijke flank van de Picos del Infierno. Nog even liep ik door het gras langs grote rotsblokken heen tot ik op een vlak stuk gras uitkwam vlak naast de oevers aan de zuidpunt van het meertje. Mijn horloge wees net kwart over vijf aan.

Ik was blij dat ik er was want de laatste klim vanuit Baños de Panticosa tot hier waren niet aangenaam geweest. Ik had een grote honger en had weer opnieuw dorst gekregen. Toch had ik niet veel zin om snel water te nemen uit het meertje of eten te gaan klaar maken. Het eerste wat ik deed was mijn rugzak neerzetten en mezelf laten neerploffen op het verdorde gras. Vervolgens keek ik wat rond. Het was hier stil rond het meertje. De late namiddagzon scheen niet zo fel meer, maar gaf toch nog een aangename warmte af, ondanks dat het hier nu hoog in de bergen niet zo warm meer was als daarstraks beneden in het dal. Nog een uurtje en de zon ging verdwijnen achter de hellingen van de Picos de Pondiellos. Het meertje zelf was toch groter dan verwacht. Aan de overkant botste het zicht op de steile grijze graniethellingen van de Picos de Pondiellos, die reeds in de schaduw gehuld waren. Langs mijn kant werd het meertje begrensd door een zachte grashelling met daarop verspreid redelijk grote rotsblokken. Deze grashelling geeft vervolgens in het oosten, een honderd meter hogerop, uit op een heuvelrug waarachter het diepe dal van Panticosa gelegen is. Geen uitzichten dus hier, enkel het Ibon de los Arnales en de grauwgrijze flank van de Picos de Pondiellos. Erg fraai vond ik de omgeving dus niet. Foto’s nemen was dus niet direct aan de orde. Toch straalde de omgeving een bepaalde charme uit. De rust en stilte die ook weer rond dit meertje heerste zal daar wel voor verantwoordelijk zijn. Ik kon beter nog snel van de laatste zonnestralen profiteren alvorens de kilte zou toeslaan nadat de zon achter de berghelling ging wegzakken straks. Ik deed mijn wandelbottines uit, stond recht, opende mijn rugzak en gooide er wat spullen uit op het gras, tot ik aan mijn toiletgerief kwam. Net zoals gisteren aan het Lac de la Fache kleedde ik me nu opnieuw weer uit tot in mijn onderbroek om me te gaan wassen in het meer. Vervolgens zocht ik een goede plek om pootje te baden. Die was enkel te vinden in een inham waar het water via een rustig kabbelend beekje het meer verliet. Elders werd het water verder van de oever vandaan direct redelijk diep. Net zoals gisteren waste ik me hier dus weer ondanks het opnieuw ijskoude water. Na deze klus kleedde ik me opnieuw aan, vulde dan mijn waterzak nabij de oever terwijl een kikker plots van naast me de dieperik in sprong. Ook nam ik nog extra water mee in mijn potten voor het avondeten.

Ibon de los Arnales Vervolgens stelde ik mijn tent op en begon dan water te laten koken. Ondertussen kroop de zon weg achter de berghelling en begon het zoals verwacht snel frisjes te worden. Wanneer de pot water aan het opwarmen was ging ik vlug een kijkje nemen verder langs de oever van het meer naar het noorden. Het meer was achteraan verschrikkelijke diep. De bodem viel al snel van de oever vandaan een donker blauwe dieperik in. Het diepste punt waar de bodem nog net zichtbaar was schatte ik op een twintig meter diepte. Verder weg was het meer nog dieper, maar kon de bodem niet meer ontwaard worden in het donker en koud ogend water aldaar. Daarna liep ik even de grashelling op naar het oosten, in de hoop om misschien toch een foto te kunnen nemen van het meer en de Picos de Pondiellos hoog erboven. Maar het meer was te groot en de bergen te hoog om op de foto te kunnen. Dan keerde ik maar terug naar mijn tent en trok onderweg maar een foto van mijn tent en de zuidpunt van het meer.

Terug bij mijn tent kroop ik snel in mijn slaapzak, at het klaargemaakte eten op, dronk nog wat en ging dan al maar slapen omstreeks zeven uur hoewel het nog licht was buiten. Het was nog steeds onbewolkt met zo goed als geen wind meer, niets dat de weeromslag van morgen reeds kan verraden. Snel viel ik in slaap.

About

U leest het reis- en fotografie weblog van Joery Truyen. Contacteer me via joerytruyen [at] hotmail.com

Flickr

Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 Sarek 2008 

Recent Comments

    Archives