Lawinenlagebericht vom Samstag, den 16.02.2008, um 07:30 Uhr für Tirol
Günstige Tourenverhältnisse
Lawinegefahr Kitzbüheler Alpen: Gering (1/5)
Beurteilung der Lawinengefahr
In den Tiroler Tourengebieten herrschen unverändert günstige Tourenverhältnisse. Die Lawinengefahr ist unterhalb von etwa 2200m zumeist schon als gering, oberhalb als mäßig inzustufen. Gefahrenstellen liegen in sehr steilen, von Nordwest über Nord bis Nordost gerichteten Hängen oberhalb von etwa 2200m. Lawinen können dabei am ehesten an den Übergängen von wenig zu viel Schnee ausgelöst werden. Etwas ungünstiger bleibt die Situation in den nördlichen und südlichen Ötztaler und Stubaier Alpen sowie den Tuxer und Zillertaler Alpen. Hier können Lawinen auf Grund des schlechteren Schneedeckenaufbaues noch tiefer in der Altschneedecke ausgelöst werden und dadurch vereinzelt auch größere Ausmaße erreichen.
Schneedeckenaufbau
Sonnseitig ist die Schneedecke oberflächlich häufig schon tragfähig verharscht und firnt untertags auf. Guten Firn findet man aber meist nur in steilen Süd- und Südosthängen unterhalb von etwa 2500m. Schattseitig liegt in windberuhigten Lagen oft noch trockener Pulverschnee, während die Schneeoberfläche hochalpin überwiegend vom Wind geprägt ist: abgewehte oder hartgepresste Flächen grenzen an eingewehte und triebschneegefüllte Rinnen und Mulden. Zu beachten ist der schlechte Schneedeckenaufbau in den inneralpinen Regionen: in den nördlichen und südlichen Ötztaler und Stubaier Alpen sowie den Tuxer und Zillertaler Alpen findet man vor allem in der Höhenlage von etwa 1800m bis 2500m sehr lockeren, bindungslosen Schwimmschnee zwischen härteren Schichten eingelagert, die als mögliche Lawinengleitflächen in Frage kommen.
Alpinwetterbericht der ZAMG-Wetterdienststelle Innsbruck
Ein Hoch verlagert sein Zentrum von der Nordsee in Richtung Deutschland. Es wird in den nächsten Tagen für eine sonnige und stabile Witterung verantwortlich sein. Auch heute bestes Wintersportwetter: Auf den Bergen bietet sich eine Fernsicht über 100 km. Beginnend mit heute findet eine langsame und stetige Frostabschwächung bis Dienstag statt. Temperatur in 2000m zwischen -10 bis -8, in den höheren Tälern um -12 Grad, in 3000m zwischen -14 bis -10 Grad. Höhenwind: Schwacher bis mäßiger Ostwind.
Tendenz
Weiter günstige Tourenverhältnisse.
(Bron: www.lawine.at)
Afstand: 13.5km
Duur: 8h50
Klimmen: 910m
Dalen: 1260m
Bergtoppen: Schafsiedel (2447m), Aleitenspitze (2449m), Schwebenkopf (2354m), Punt 2393m, Fünfmandling (2403m), Dristkopf (2361m)
-17°c is het verdict. Langs de ene kant gelukkig maar dat het zo koud is want nu heb ik tenminste niet meer liggen zweten in mijn slaapzak. Langs de andere kant moet ik er zo dadelijk wel uit zien te geraken en mijn lijf in de kou gooien. Uiteraard blijf ik nog zo lang ik kan in de slaapzak. Na het ontbijt trek ik dan mijn kleren aan en duik de slaapzak uit. Mijn schoenen staan mooi warm. Heerlijk om steeds elke ochtend in schoenen van 20°c te kruipen. Sinds wat ik heb meegemaakt in het Totes Gebirge neem ik ze steeds mee de slaapzak in, gewikkeld in een plastiek zak.
Buiten schijnt de laagstaande zon al volop. Ze maakt toch al veel goed in deze bittere kou. Snel pak ik mijn boeltje in en bezoek dan nog even het topkruis van Schafsiedel (2447m) een dertig meter van de bivakplek. Het lage wolkendeken in de dalen is nog steeds present.
Dan neem ik mijn rugzak op de rug en trek over de kam voort naar de top van Aleitenspitze (2449m). Hier krijg ik een duidelijk uitzicht over het open dal in het oosten en de bergen in het zuiden. Niet goed wetende wat ik vandaag nu juist zou gaan uitrichten ga ik er even bij zitten op de top van de Aleitenspitze en tuur wat rond met de kaart in de hand. De blik op het vervolg van de bergkam over Schwebenkopf (2354m) en Fünfmandling (2403m) naar de dubbel getopte Salzachgeier (2469m) doet me al snel beslissen om even af te dalen naar de Roßwildalm en van daaruit opnieuw de bergkam op te zoeken en deze toppen te beklimmen. Hopelijk kan ik heel de kam over lopen, maar zeker ben ik er niet van.
Tijdens het afdalen over de oostgraat van Aleitenspitze komen er een paar gemzen in het vizier. Ze staan verzameld te zonnen op de zuidflank van een secundaire top verder op de kam. Natuurlijk heeft er één me meteen gezien en het duurt niet lang of er wordt een vluchtactie op touw gezet. Meteen verschijnt er een hele familie van achter de helling. Met zijn zeven nemen ze de benen naar beneden. Onbegrijpelijk hoe die beesten met hun dunne hoeven zo snel over het sneeuwdek kunnen stormen en toch maar niet diep in de sneeuw zakken.
Wanneer ik op het tussencolletje aan kom verschijnt er plots een gemzenjong. Waarschijnlijk gaat hij straks zijn eerste verjaardag vieren. Een beetje angstig door mijn aanwezigheid loopt hij een uitkijkpunt op en zie ik dat hij de groep mamma’s beneden heeft gezien. Vervolgens maakt hij het welgekende blaasgeluid waarop plots één voor één nog zeven andere gemzenjongen aarzelend verschijnen. De kroost heeft zich een beetje laten verassen. De jonge leider neemt het initiatief en zet de achtervolging naar de volwassen groep in, achternagezeten door zijn leeftijdgenootjes. Ondertussen ben ik heel de tijd stil blijven staan staren naar dit mooie schouwspel, zo mooi dat ik mijn fototoestel gewoon was vergeten.
Wanneer de hele gemzenfamilie beneden verenigd is daal ik verder af naar beneden, de kam verlatend. De gemzen beginnen steil omhoog te klimmen naar de kam tussen Aleitenspitze en Schwebenkopf om een tijdje later de kam over te steken en uit het zicht te verdwijnen. Wanneer ik over hun vluchtsporen loop stop ik eens even om alles te bestuderen. De afdrukken van hun hoeven liggen maar een tien centimeter diep in de sneeuw. Hoe kan dat toch? Als ik nu eens gemzenhoeven onder mijn voeten had in de plaats van grote lompe sneeuwschoenen…
De Roßwildalm over loop ik via een stijgspoor van een tourskiër weer zigzaggend de oostgraat van Schwebenkopf (2354m) op. Na een eenvoudige voortzetting op de graat sta ik al weer snel op de
top. Over de brede kam zet ik verder door naar het zuiden tot ik aan de voet sta van een naamloze bergtop (2393m). De rotsige helling loopt steil omhoog. Er ligt slechts een dun laagje sneeuw op van hoogstens enkele centimeter met hier en daar schaars gras dat er doorheen priemt. Ik beslis om de rugzak en sneeuwschoenen hier aan de voet achter te laten en eerst eens op verkenning verder te gaan. Nog geen half uur later sta ik alweer terug aan de rugzak. Bijna tot aan de voet van Fünfmandling gekomen na toch wel spannende stukjes op de kam, maar het leek me zeker te doen met mijn rugzak.
Dus neem ik mijn rugzak weer op met mijn sneeuwschoenen aan de zijkanten opgebonden, beklim al zigzaggende de noordflank van de naamloze berg waarbij ik voorzichtig groeven dien te stampen in de dunne harde sneeuw en sta dan op de naamloze top voor het verdere luchtige graatverloop. Oppassend voor overhangende sneeuwcorniches loop ik verder en passeer even een moeilijke rotspassage waar ik me goed dien vast te klampen aan houvastgroeven op de rotsen met de handen. Maar dan wordt de kam meteen breed en sta ik niet veel verder aan de voet van Fünfmandling (2403m). Weer laat ik de rugzak achter en beklim de berg. De sneeuw is meestal hard en bijna verijst zodat het vooral een stampgebeuren wordt tot de top. Vijf grote steenmannen staan er op de top van Fünfmandling, vandaar komt ook de naam van de berg. Steinmandl zegt men hier namelijk tegen een steenman.
Beneden aan de rugzak houd ik de middagpauze in de brandende zon. Ondertussen zijn er twee tourskiërs naar de top gegaan waarbij ik hen nog net zie sukkelen met hun ski’s op de harde sneeuw. Ze hadden beter hun latten uit gedaan op de col.
Tijdens de namiddag daal ik verder af naar het almendoolhof ten oosten van Fünfmandling. Op de oostgraat van Salzachgeier beslis ik dan om toch verder af te dalen en deze top maar te laten voor wat hij is. Er is niet veel moois aan. Heel de berg is plat geskied.
Via de Schwebenboden (2052m) trek ik door naar de Salzachjoch (1983m) op de grens met Tirol en Salzburg. De joch overgestoken klim ik over tourskisporen voort naar de Nadernachjoch (2100m), een brede col tussen Dristkopf (2361m) en Kröndlhorn (2444m). Het is nog vroeg wanneer ik op de col aankom. De top van Dristkopf lijkt nog een cafetaria. Ik zie een hele troep mensen aan het topkruis staan. Met Kröndlhorn lijkt net hetzelfde aan de hand te zijn. Ik beslis om de tent al maar op te zetten en straks wanneer de tourskiërs weer braafjes naar beneden afdalen Dristkopf te gaan beklimmen.
Wanneer de tent recht staat komen onze Oostenrijkers allemaal één voor één in kleine groepjes naar beneden geskied. Ik wacht nog even en vertrek dan op weg. De oostelijke flank van Dristkopf is echt niet om aan te zien. Het lijkt wel een verlaten drukke skipiste. Maar kom, ik troost me maar met het idee dat het uitzicht van op de top slechts datgene is wat telt.
En dat uitzicht maakt inderdaad veel goed. Vooral de Hohe Tauern met Großvenediger (3662m) zo schijnbaar dicht bij, zijn mooi te bewonderen van op deze top. De laagstaande zon creëert nog eens een mooi contrast tussen de bergen en de lucht. Nog voor zonsondergang daal ik weer af naar mijn tentje en zie onderweg de laatste zonnestralen de top van Großvenediger (3662m) rood kleuren. Het is alweer nacht wanneer ik sneeuw smelt in de tent voor het avondmaal en wanneer dat avondmaal op is begint weer de nachtrust, dit maal bij -11°c.
Recent Comments