Pyreneeën (2003)

You are currently browsing the archive for the Pyreneeën (2003) category.

Terugreis

De bus reed het Vallée de Cauterets uit tot in Pierrefitte-Nestalas. Hier had de Ronde van Spanje vorige week ook gepasseerd. In Pierrefitte-Nestalas was het dat ik vorige week op een andere bus moest stappen. Nu stapten hier de mensen op uit Barèges en Luz-St.-Sauveur die de andere bus hier al had afgezet. Langs Argèles-Gazost ging het dan door het brede dal van de Gave de Pau de Pyreneeën uit naar Lourdes. Ondertussen had ik nog een laatste blik op de hoge bergwereld achter me. Naarmate de bus Lourdes naderde werden de omliggende bergen steeds lager tot we het gebergte waren uitgereden. Lourdes ligt net aan de rand van de Pyreneeën. De stad zelf wordt slechts omringd door flauwe heuveltjes, maar de Pyreneeën zelf zie je in de verte steeds liggen. Het was heel druk in de stad. Ook toen ik aan het station aankwam. Overal liepen mensen rond. Dat was vorige week anders, maar toen was het dan ook nog zeer vroeg in de ochtend. Het was nu twee uur. In het station kocht ik enkele chocolade broodjes die ik dan op een bankje aan het perron op at. Er liepen hier ook veel nonnen rond. Het lachwekkende was dat de meeste van hen sportschoenen droegen. Zo herken je nu eenmaal een non op vakantie.

Om twintig voor drie kwam dan de TGV vanuit Tarbes aangereden. Ik stapte op de trein en zocht mijn plek. Er zaten weer weinig mensen in de wagon. Op weg naar Pau keek ik uit het raam om de Pyreneeën in de verte nog te bekijken. Nu merkte ik weer die enorme piek op. Dit was absoluut weer de Pic du Midi d’Ossau (2884m). Van op de Petit Vignemale (3032m) was enkel het bovenste gedeelte van zijn top te zien. Nu zag ik deze kanjer eens helemaal, weliswaar van op ruime afstand, maar je kon er niet naast zien. Geen enkele berg heerst zo dominant over zijn omgeving als de Pic du Midi d’Ossau. De bergen verdwenen geleidelijk in de verte naarmate de trein Pau naderde. In deze stad stapten plots zeer veel mensen op de trein. De wagon zat nu bijna helemaal vol. Vervolgens reed de trein door de Landesstreek naar Bordeaux. Zand en dennenbos zijn de twee woorden waarmee je de Landes kan samenvatten. De streek leek erg verlaten. Om de vijf kilometer zag je eens een boerderijtje omringd door zeer grote maïs– of aardappelvelden.

In Bordeaux stapten enkele mensen uit, maar stapten ook weer veel mensen op. De trein zat nu helemaal vol en reed nu zonder te stoppen tot in Parijs. Ondertussen had ik veel geslapen. De zon ging net onder toen de trein in Parijs aankwam even voor acht uur. Vanuit Gare de Montparnasse nam ik nu de metro naar Gare du Nord. Op de metro was het veel drukker dan een week geleden in de heenreis. Toen ik in Gare du Nord aankwam vertrok net enkel minuten later de trein naar Brussel van 20h55. Ik moest echter de trein van een uur later hebben. In die tijd at ik nog een broodje en wachtte tot de volgende trein aankwam en stapte dan op. Gelukkig waren niet alle plaatsen bezet, zodat ik alleen kon gaan zitten. Nu reed deze TGV wel in één uur en vijfentwintig minuten van Parijs naar Brussel. De vorige keer was het een stuk langer. In Brussel nam ik dan vervolgens de laatste trein tot in Berchem en was dan weer zo goed als thuis.

 
Het is een mooie trektocht geweest met uitzonderlijk schitterend weer. De beklimming van de Piméné (2801m) door de sneeuw, de steile klim naar de Brèche de Tuquerouye (2666m), de overnachting bij volle maan op het dichtgesneeuwde Balcon de Pineta onder de noordwand van de Monte Perdido, het Valle de Pineta, de diepe nauwe Cañon d’Añisclo, het uitzicht van op de Taillon (3144m), de klim uit de Cirque de Gavarnie, de Ordesacanyon, Punta Acuta (2242m), de Circo de Cotatuero met de gevaarlijke Clavijas de Cotatuero, het stille Ibon de Bernatuara, op de top van de Petit Vignemale (3032m) en de overnachting onder de noordwand van de Vignemale zijn de voornaamste hoogtepunten geweest. Toch blijft er een genuanceerd gevoel over. Voornamelijk van de Cirque de Gavarnie en de Breche de Roland had ik me veel meer voorgesteld. Waarschijnlijk heeft de enorme bekendheid van de cirque en de brèche me te hoge verwachtingen gegeven. Toch ben ik blij dat ik dit merkwaardige en drukst bezochte stukje Pyreneeën heb kunnen ontdekken, maar wat ik eveneens heb ontdekt is dat die woeste granieten wildernis waarin weinigen zich wagen me toch meer aantrekt. Tot de volgende keer, Pyreneeën!

Afstand : 17,5km
Duur: 4h30

Klimmen : 180m
Dalen : 1440m

Om 6h00 wekte mijn horloge me. Het was buiten nog donker en windstil. De halve maan bescheen de noordwand van de Vignemale. Een prachtig gezicht was het. De bleke kalksteen met glanzende plekjes sneeuw erop. De andere bergen in de omgeving waren veel donkerder. Ik at snel een hardkek, waste me en pakte alles in. Rond zeven uur lichtte het licht op in de Refuge des Oulettes de Gaube, net wanneer het licht begon te worden. Wanneer ik vertrok was het 7h40. De fransen bleven rustig verder slapen in hun twee tenten. Ze zullen nog snel moeten zijn, want om 9h00 moeten ze normaal hun tenten afgebroken hebben.

De zon scheen nu net op de toppen van Pointe Chausenque (3204m) en de Pic longue de Vignemale (3298m) waardoor de toppen oranjegeel kleurden. VignemaleNabij de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) nam ik het pad dat verder afdaalde door het dal naar het Lac de Gaube (1725m). Eerst ging het over een redelijk steile afdaling naar beneden tot ik opnieuw in de volgende moerassige vlakte terechtkwam. Dit waren de Petites Oulettes, waardoor de Gave des Oulettes de Gaube weer in verschillende armen door stroomde. De bergen rondom het dal bestonden nu uit graniet. Achter me was de Vignemale nog steeds te zien. Vanaf hier verliet ik voor het eerst de kalksteenzone midden in de Pyreneeën waardoor ik dagenlang gewandeld heb. Na de Petites Oulettes liep het pad weer dalend verder door het aantrekkelijke dal langs verschillende rotsblokken. Even verder moest ik weer in een kleine vlakte de beek oversteken via een houten brug. Dan daalde ik weer verder door het dal op enige afstand rechts van de beek. Regelmatig liep het pad langs en over rotsen. Niet veel verder verschenen de eerste naaldboompjes en kwam opeens het Lac de Gaube in zicht. Links klaterde het water van de Gave des Oulettes de Gaube via de Cascade Esplumouse over de rotsen naar beneden. Op het pad waren plots twee arbeiders met een mini kraantje aan het werken. Ze maakten de wandelweg beter begaanbaar door de stenen in trapjes te stapelen. Wanneer ik dicht bij het meer kwam wandelde ik tussen de kleine naaldboompjes en berkenbomen, waarvan de blaadjes al in gele herfstkleuren gehuld waren. Ik stak de rivier weer over en kwam dan aan het fel blauwe water van het Lac de Gaube (1725m) uit om kwart over negen. Aan de noordkant van het meer stond de Hôtellerie de Gaube. Ik wandelde langs de westkant van het meer, stak dan de uit het meer stromende rivier weer over en kwam dan aan de Hôtellerie de Gaube uit. Hier nam ik de wandelweg naar links die afdaalde naar de Pont d’Espagne (1496m), de plek waar de Vallée de Gaube en de Vallée du Marcadau bij elkaar komen en vanaf daar het diepe Val de Jéret vormen. Deze afdaling liep al snel tussen de dichte naaldbomen en werd steeds steiler. Het was onaangenaam afdalen. Men had van het wandelpad een lange trappenweg gemaakt, door de stenen ordelijk te stapelen. Ik kwam nu vele dagjesmensen tegen die vanaf de Pont d’Espagne hun dagwandeling begonnen het Vallée de Gaube in.

Om vijf voor tien kwam ik nu bij de Pont d’Espagne (1496m) uit. Hier stopt de autoweg vanuit Cauterets en staan er verschillende grote parkings. Ik liep naar de Chalet du Clot en nam daar het pad dat door het Val de Jéret naar La Raillière loopt even ten zuiden van Cauterets. Cascade de BoussesEven ging ik hier een kijkje nemen naar één van de lawaaimakende watervallen. Het Val de Jéret is bekend om zijn vele wilde watervallen. Dan wandelde ik door het dal naar beneden. Veel was er van de wilde beek niet te zien want ik wandelde steeds door het dichte naaldbos. Het pad kwam even uit bij de Cascade de Bousses. Hier verliet ik het pad even om de waterval beter te kunnen bekijken. Daarna liep ik weer verder. Af en toe kwam ik nog eens bij een waterval uit. Bij de enkele afslagen op het pad naar de onopvallende autoweg boven de rechterkant van de beek stond steeds een bewegwijzeringbordje. Op elk bordje stond steeds dezelfde tijdsduur naar La Raillière. Als ik weer eens, na een kwartier wandelen, aan de volgende bewegwijzering kwam, stond er weer dezelfde tijdsduur vermeld op het bordje naar La Raillière. Dit kon dus niet correct zijn.

Om 11h40 kwam ik in La Raillière aan. Hier komt het Val de Jéret samen bij het Vallée de Lutour en vormt vanaf hier het bredere Vallée de Cauterets. Het dorp Cauterets ligt nog slechts twee kilometer van hier. Het was hier verschrikkelijk druk. Overal liep het vol met bejaarden die men hier met bussen vanuit Lourdes had afgezet. La Raillière zelf bestond eigenlijk uit een restaurant en vele toeristenkraampjes. Ik stopte hier even om op de kaart te kijken waar het laatste pad naar Cauterets loopt. Ik moest even een zeer kort stukje het Vallée de Lutour in tot net onder de grote Cascade de Lutour en was dan al meteen van de drukte af, want de bejaarden wagen zich toch niet aan dit stijgende wandelpad. Onder de Cascade de Lutour stak ik de Gave de Lutour over via het bruggetje. Dan steeg ik nog een stukje tot ik op het wandelpad uitkwam dat naar Cauterets loopt. Dit pad liep redelijk hoog door de vallei tussen de bomen. Af en toe kreeg ik nog een zicht op het Val de Jéret of het Vallée de Lutour. De bergen rondom Cauterets zijn niet meer zo hoog, minder dan 2500m en daarom ook minder ruig. Het pad liep zo goed als volledig vlak. Na een tijdje zag ik het dorp plots voor me beneden in het dal liggen. Wat verder begon het pad dan te dalen tot ik aan de oude vervallen badhuizen kwam boven Cauterets. Daar stak ik de smalle asfaltweg over en nam een nieuw pad dat kronkelend verder afdaalde naar het dorp. Naast en zelfs op dit pad bloeiden mooie paarse bloemen.

Het was klokslag twaalf uur wanneer ik in Cauterets (910m) aankwam. Het dorpje is niet groot, maar voor Pyreneese begrippen is dit toch een klein stadje. Het is er enorm toeristisch. Overal staan hotels en toeristische winkeltjes. Ik zocht nu eerst naar de plek waar de bus vertrok naar Lourdes, maar vond die nergens. Ondertussen had ik nog twee appels en een flesje cola gekocht in een klein supermarktje. Omdat ik de vertrekplaats van de bus niet vond, ging ik naar het Bureau de tourisme aan het pleintje om het daar te vragen, maar het was gesloten. Dan vroeg ik het aan een oude man op straat, maar hij was ook maar een toerist. Uiteindelijk zag ik toch op straat twee mensen praten die van Cauterets zelf afkomstig waren. Ze wezen me de weg. De bussen vertrokken aan de rand van het dorp op een pleintje, waar ik niet was gaan kijken. De bus voor Lourdes stond al klaar om te vertrekken. Het was nu halféén. Nog een half uur dus. Ik at één van mijn appels op aan het busstation op een bankje. Daarna daagde de buschauffeur op en stapte ik de bus op nadat ik mijn rugzak in de bagageruimte had gelegd. Mijn wandeltocht was afgelopen.

Afstand : 25,0km
Duur: 10h00

Klimmen : 2280m
Dalen : 1470m

Om 5h30 liep het alarm van mijn horloge af. Ik kleedde me aan en ging naar buiten. Het was nog volledig nacht, maar de bijna halve maan verlichtte de bergen nog goed. Het was windstil, volledig onbewolkt en er waren opvallend veel sterren te zien. Ik zocht naar mijn zaklamp en zette dan mijn kookvuurtje klaar om mijn laatste zakje roerei met uien te bereiden. Toen dit rustig begon te bakken ging ik me wassen in het gebouw, maar de verlichting werkte niet zodat het er pikkedonker was. Dan ging ik maar terug naar mijn tent en pakte de dingen in die ik al kon inpakken in mijn rugzak, terwijl mijn ei verder bakte. Wanneer dit na een hele tijd klaar was at ik mijn ontbijt op en stak ik daarna alle andere spullen in mijn rugzak. Ondertussen had ik weer koude handen gekregen want het was weer een ontzettend koude morgen. Hoe koud het juist was wist ik niet, maar het moest bijna vriezen. Rond zeven uur begon het licht te worden en ging ik me wassen aan een lavabo net naast een raam in het gebouw aan de camping. Nu zag ik dat er aan de ingang van het gebouw een blad hing met daarop vermeld dat er enkel warm water was voor de douches tussen 8h30 en 22h00. Dit had ik gisteren niet gezien. Daar ging mijn plan om nog snel een douche te nemen. Buiten nam ik mijn rugzak en ging naar de herberg. Het was net halfacht, maar men wou voor mij nog niet open doen. De deur naar de bar was op slot en dit was eveneens het geval voor de deur waarop “private” stond. Ik klopte op beide deuren, maar niemand kwam open doen, hoewel ik iemand achter de deur hoorde stoelen klaar zetten en wat rommelen. Verschillende keren heb ik geklopt en ik weet zeker dat hij het hoorde, maar hij kwam niet open doen. Uiteindelijk ben ik maar naar buiten gegaan en kijkje gaan nemen naar de Rio Ara en de oude stenen brug, de Puente de Bujaruelo.

Wanneer het acht uur was begon het ontbijt voor de gasten van de herberg en deed de herbergier open. Ik kon uiteindelijk de rekening vragen. Nu wist ik wel waarom hij niet eerder open deed. Het was iemand anders dan gisteren die nu de waard was. Ik denk dat hij de broer was van de persoon van gisteren. Hij kon veel slechter Engels en begreep niet direct dat ik wilde afrekenen. Ik vroeg hem nog een cola die ik snel buiten opdronk en vertrok dan direct.

Het was nu tien over acht. Dat viel wel wat tegen. Ik stak de oude brug over en sloeg dan af op het pad dat naar de Port de Boucharo (2270m) klimt door een zijvallei van het Valle de Ara. Op een rots stond ook Boucharo geschilderd en een pijl die de richting aanwees van het pad. Ik klom nu tussen dicht struikgewas en bomen steil omhoog regelmatig over rotsen. Het pad kronkelde naar boven. Na een tijdje moest ik door een poortje. Ik hoorde de koeienbellen al rinkelen in de verte. Geleidelijk werd het struikgewas opener en kwam ik in overwegend grasland terecht. Hier en daar stonden nog enkele naaldbomen. Het pad kwam enkele meters boven het beekje, de Barranco de Lapazosa, uit. Hier zag ik nu de eerste koeien. Er waren ook veel kalveren. Ik passeerde slechts een twee meter naast een stier die links van me naast de beek stond te grazen. Hij was totaal ongeïnteresseerd in mij en keek me zelfs nog niet aan. Wat verder kwam ik aan een splitsing. Ik keek even op de kaart of dit al de splitsing was die ik moest nemen voor het Ibon de Bernatuara. De splitsing lag op 1600m volgens de Franse kaart, 1640m volgens de Spaanse kaart en volgens mijn hoogtemeter zat ik ook ongeveer zo hoog. Hier moest ik dus niet meer rechtdoor naar de Puerto de Boucharo maar moest ik links afslaan en over het stalen brugje de beek oversteken. Vervolgens steeg het pad door een stuk loofbos om dan op een hellende grasvlakte uit te komen nabij de Refugio Plana de Sandaruelo (1680m). Dit was enkel een herdershutje. Er stonden hier weer veel koeien en kalveren. Het pad steeg geleidelijk terug steiler naarmate ik de vlakte doorkruiste. Soms stonden er koeien op het pad, die dan op het laatste moment angstig voor me opzij stapten.

Nadat ik boven aan de vlakte was liep het pad op enige hoogte de Sandaruelovallei in. Dit is een steil kort zijdal van het dal waardoor de Barranco de Lapazosa stroomt. Het pad ging steil verder omhoog en na korte tijd moest ik verschillende beekjes oversteken die in het dal samenstromen. Er graasden hier nog steeds groepjes koeien op de berghelling. Het pad was soms sterk platgetrapt door de koeien en er liepen vaak koeienpaden naast het eigenlijke wandelpad die het wandelpad dan weer eens kruisten. Zo was het soms verwarrend welk pad nu het eigenlijke wandelpad was. Af en toe lag er nog een steenmannetje die de juiste weg dan duidelijk maakte. Naarmate ik verder steeg kwam ik plots aan een plek waar het gras met rijm was bedekt. Aan alle grassprietjes hingen stukjes ijs. Het vroor hier dus. Het was hier dus nog kouder dan deze nacht in Bujaruelo. Gelukkig stond er nog steeds zo goed als geen wind zodat er toch aangenaam kon gewandeld worden. Ongeveer midden in de vallei steeg ik uit de bergschaduw en werd het warmer in de zon. Niet veel verder verloor ik het pad op een drassig vlak stuk. Ik wandelde verder op mijn intuïtie en kwam plots weer op het pad uit. Vanaf nu klom ik sterk kronkelend verder omhoog over de berghelling over een wirwar van koeienpaadjes.

Het ging al eventjes niet meer zo snel vooruit. Ik was duidelijk vermoeid van de laatste twee dagen die me veel krachten hadden gevraagd. Ik ging zitten op één van de weinige rotsen die hier tussen het gras uitstaken en at mijn laatste powerreep op. Daarna klom ik traag verder naar omhoog terwijl ik duidelijk voelde dat ik niet zo veel krachten meer had. Dat zag er niet zo goed uit want ik moest vandaag op zijn minst hoe dan ook bij de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) uitkomen om morgen nog op tijd in Cauterets te kunnen zijn. Na deze klim volgde in Frankrijk nog een laatste lange en steile klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Na de Brèche de Roland (2807m) was dit de hoogste en tevens de laatste bergpas in mijn tocht.

Ik zag links voor me reeds de col waarnaar ik toe moest klimmen. Het was niet ver meer. Na nog een tijdje klimmen liep het pad naar rechts ongeveer vlak langs de berghelling lopend naar de col (2305m). Op de kleine col stond plots een frisse bries vanuit het noorden en nu zag ik het kleine kratermeer Ibon de Bernatuara (2275m) beneden liggen. Ik daalde het korte steile stuk af tot aan de waterkant van het meer en volgde dan het vage pad langs de oever verder. Een eindje verder zette ik me dan in het gras om even uit te rusten. Ik keek op mijn horloge en zag dat het 10h35 was. Ik zat dus nog op schema want toen ik deze ochtend in Bujaruelo (1338m) vertrok, legde ik mezelf op om ten laatste om elf uur aan het meertje te zijn.

Ibon de BernatuaraHet Ibon de Bernatuara is een uitzonderlijk bergmeertje omdat het helemaal ingesloten licht in een soort krater en dan nog wel net op de hoofdkam van de Pyreneeën. Geen enkel beekje stroomt in of uit het meertje en daarom was het ook muisstil in deze put. Er was ook weer helemaal geen wind. Slechts af en toe werd de stilte doorbroken door een visje dat uit het water sprong. Het water van het meertje had een groenige kleur en zat vol kleine vissen. Opeens merkte ik een grotere slanke vis op. Ik dronk weer wat en merkte dan dat mijn waterzak weer leeg was. Toch besloot ik om hier geen water uit het meer te nemen om mijn watervoorraad weer aan te vullen want het meerwater zag er toch niet betrouwbaar uit. De koeien van de naburige vallei kwamen blijkbaar ook over de col tot bij het meertje, want ik had koeiensporen opgemerkt in de korte afdaling naar het meertje en op de oever lag trouwens een koeienvla.

Uitgerust vertrok ik weer en klom nu over de zeer steile klim de krater uit naar de Puerto de Bernatuara of in het Frans de Col de la Bernatoire (2336m). Hierboven aangekomen zou ik net op de Frans-Spaanse grens moeten staan. Ik klom nog een stukje de berghelling op om een foto van het meertje te nemen. De Taillon (3144m) en de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) verschenen vanaf hier in de verte. Daarna daalde ik dan voorgoed Frankrijk in. Het Ibon de Bernatuara was het allerlaatste stukje Spanje geweest. Ik daalde nu de Vallée de la Canau in. Dit is een zijvallei van de tien kilometer lange Vallée d’Ossoue die van de Vignemale tot aan Gavarnie loopt. Het was een kale vallei vol met reeds verdord gras. Ik hoorde ook weer koeienbellen, maar zag ze nog niet. Dan passeerde ik een kleine groep trekkers die hier naar omhoog kwamen. De afdaling verliep niet al te steil en zonder haarspeldbochten. Na een hele tijd was ik beneden in de kleine vallei en nabij een bron naast de beek vulde ik mijn waterzak. Het water kwam hier met een groot debiet gewoon uit de berghelling geborreld. Vervolgens deed ik de allerlaatste hoeveelheid Extran die ik nog bij had in de waterzak. Wanneer ik niet veel verder was kwam ik een oude fransman tegen die me vroeg of ik van het kratermeertje kwam. Hij vroeg me nog of het de moeite was, waarop ik hem antwoordde dat het wel een mooi meertje is. Eventjes verder kwam zijn vrouw achterna. Ik liep verder meestal licht dalend door het kleine dal tot op het plateau in het einde van het dal tegen de Vallée d’Ossoue aan. Op dit plateau kwam ook nog een tweede korter en steiler dal uit, het Vallée de Lécadé. Ik nam hier nu het pad naar links dat, nadat ik het plateau doorkruist had, langs de linker dalwand van het Vallée d’Ossoue verder liep eigenlijk weer over wandterrassen zodat de bodem van de vallei nooit zichtbaar werd. De top van de Grand Pic de Tapou (3150m) werd even zichtbaar. Dit is de meest zuidelijke drieduizender van het Vignemalemassief. Achter me zag ik de Piméné (2801m) en nog net de twee Astazous (3012m en 3071m). Het Valle d’Ossoue was in prachtige kleuren gehuld. De hele bergwereld had een bruine tot oranjeachtige kleur onder de brandende zon. De herfst was duidelijk begonnen in de bergen in tegenstelling tot het prachtige weer. De lucht was volledig donkerblauw. Nog steeds was er geen enkel spoor van een wolkje te bespeuren. Dit was ongetwijfeld de dag met het mooiste weer van heel de tocht. Nadat ik enkele dagjesmensen passeerde verscheen na een tijdje plots de Barrage d’Ossoue (1830m) voor me. Dit is een klein stuwmeer met ongelooflijk zuiver water. Eigenlijk verbaasde het me dat het water zo helder was, want de Gave d’Ossoue vervoert immers het smeltwater van de Glacier d’Ossoue en normaal is het smeltwater van een gletsjer steeds troebel.

Ik moest slechts een tiental meter afdalen tot ik aan de kleine stuwdam kwam. Het water loopt in het midden van de dam over de dammuur en valt dan via een brede waterval naar beneden. Nabij het stuwmeertje ging ik in de schaduw zitten onder een rots en nam dan de tijd om een hardkek te eten. Het was 12h30 toen ik weer vertrok. Ik stak de Gave d’Ossoue over via een stalen brugje achter de stuwdam. De rivier stroomt achter de dam door een smalle kloof. Even werd ik nat van de opzwalpende druppeltjes van de waterval.

Ik kwam nu uit aan de andere oever van het stuwmeertje en hier volgde ik nu het pad verder naar het westen. Het Vignemalemassief lag nu voor me en er kon een klein stukje van de Glacier d’Ossoue waargenomen worden onder de toppen van de Petit Vignemale (3032m) en Pointe Chausenque (3204m). Ik passeerde de Oulettes d’Ossoue, de vlakte voor het stuwmeertje waar de Gave d’Ossoue met verschillende armen door stroomt alvorens in het meertje uit te monden, stak dan de rivier over via een vervallen betonnen brugje en startte dan aan de lange en steile klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Zo’n 900m moest ik nu dus klimmen het Vignemalemassief in. De klim begon al ineens steil. De gave d’Ossoue stroomde rechts van me steeds dieper door een nauwer dal. Voor me kwam nu de vrij hoge waterval helemaal in zicht, waarvan ik het bovenste gedeelte reeds lang had gezien. Via enkele haarspeldbochten klom ik steil verder en net boven de waterval maakte het pad een bocht naar links zodat achter de rotswand weer een nieuw deel van het dal in zicht kwam. Door een opener stuk in het dal liep de weg nu verder omhoog langs de rotsige berghelling. Op de berghelling links van me lagen enkele plakken oude sneeuw die de zomer overleefd hadden. Even verder lag er een grote blok harde oude sneeuw net naast het pad. Ik moest toch net af het pad gaan om de blok te kunnen passeren. Na een tijdje draaide het pad weer naar links om de hoek van een vooruitstekende rotsrug in het dal en kwam zo weer een ander opener deel van het dal te voorschijn. Het pad liep nu een stuk dalend verder. Ik rustte even uit in de schaduw onder een steile rotswand en liep dan het stuk verder dat licht afdaalde. Ik kwam een stuk onder de eindtong van  de Glacier d’Ossoue uit. De gletsjer kon van hier uit niet gezien worden, maar zonder op de kaart te kijken wist ik dat de Glacier d’Ossoue hier wat hoger eindigde. Het pad liep nu over afgeronde keien die een veel lichter grijze kleur hadden dan de rotsen in de omgeving. De gletsjer moest hier duidelijk vroeger hebben over geschuurd, maar heeft zich ondertussen al sterk terug getrokken. Het pad begon van hier uit weer geleidelijk steil te stijgen en draaide dan stilaan naar links zodat na een tijdje de Glacier d’Ossoue wel voor me verscheen. Ik passeerde de Grottes de Bellevue. Dit zijn de kleine holten die Henry Russell in het begin van de twintigste eeuw op zijn eentje ooit heeft uitgehakt in de kalkstenen rotsen om gemakkelijk onder de Vignemale te kunnen overnachten.

Glacier d'OssoueHet pad kronkelde steil naar boven tot ik weer aan een bocht kwam naar links die me in het bovenste gedeelte van het dal bracht. Het zicht op de gletsjer verdween nu en na enkele haarspeldbochten verscheen plots de eerste glimp van de Refuge Bayssellance (2651m), de hoogst gelegen berghut van de Pyreneeën. Tegelijkertijd kwam ik weer de eerste hoopjes sneeuwresten tegen naast het pad. Restjes van de sneeuw die vorige week was gevallen. Ik zat al zeer hoog in de bergen. Indien ik hier exact zes dagen eerder moest passeren dan zou ik waarschijnlijk weer door een dertig centimeter dikke sneeuwlaag moeten ploeteren. Tussen een wildernis van fel rode rotsen klom ik nu over het pad het laatste stuk tot aan de hut. Rondom de hut zaten weer veel mensen. De meeste van hen dronken bier. Toen hoorde ik de taal die ze spraken en dat was, hoe kon het ook anders, Duits. Ik dronk een cola aan de hut en at er een twix. Het was ondertussen net drie uur. Ik had de klim tegen een onverwacht snel tempo afgelegd. De kleine krachtinzinking die ik plots kreeg op weg naar het Ibon de Bernatuara deze ochtend was gelukkig snel volledig over gegaan.

De Refuge de Bayssellance was mooi proper van binnen. Men heeft de hut een lange tijd gerestaureerd. Daarom is ze pas sinds deze zomer weer open. Vanaf de refuge is de Hourquette d’Ossou (2734m) zichtbaar, met links van de bergpas de top van de Petit Vignemale (3032m) en in de achtergrond de toppen van Pointe Chausenque (3204m) en de Pic Longue de Vignemale (3298m) zelf. Dit was de eerste keer dat ik de Pic Longue van dichtbij zag. Ik was al ver gevorderd voor vandaag en daarom was het perfect mogelijk om de Petit Vignemale nog te beklimmen. Deze ochtend dacht ik nog dat ik deze berg sowieso moest overslaan wegens tijdsgebrek. De Petit Vignemale is trouwens de enige bergtop van het hele Vignemalemassief die kan beklommen worden zonder daarbij over de Glacier d’Ossoue te moeten gaan.

Na ongeveer een half uur aan de hut vertrok ik weer voor het laatste stuk van de klim naar de Hourquette d’Ossoue (2734m). Dit laatste stuk was niet meer zo steil. Om tien over vier kwam ik op de bergpas aan en was meteen weer onder de indruk van het uitzicht in en over het Vallée de Gaube. Het blauwe Lac de Gaube (1725m) lag helemaal achteraan in dit dal en viel fel op. Eigenlijk zag ik nu weer op een heel ander stukje Pyreneeën. Van de allereerste dag tot en met nu heb ik door een berglandschap gewandeld dat gevormd is door gelaagde kalksteen en waarin piekvormige bergen een zeldzaamheid zijn. Enkel het Massif de Néouvielle was het enige stukje Pyreneeën dat ik van relatief dichtbij heb gezien en dat niet uit kalksteen bestaat. Nu zag ik in het westen granieten pieken zoals de Grand Barbat (2813m), de piramidale Gran Facha (3005) en de met gletsjers bedekte Balaïtous (3144m) en deze berg is tevens de meest westelijke drieduizender van de Pyreneeën. Ook de befaamde steile noordwand van het Vignemalemassief zag ik nu van opzij met de Glacier des Oulettes met zijn diepe spleten in de diepte. Het was duidelijk te zien dat het Vignemalemassief de meest westelijke uitbreiding vormt van de kalksteen.

Ik beef even op een rots zitten op de col om rond te kijken. Als laatste bekeek ik nu de klim naar de top van de Petit Vignemale die hier op de Hourquette d’Ossoue begint. Een groep was net halfweg in de klim. Het leek erg op de beklimming van de Taillon, alleen nog wat steiler. Ik begon eraan met mijn rugzak aan, hoewel ik hem liever had achtergelaten op de pas, maar er kwamen nog steeds mensen aan gewandeld. Zigzaggend liepen er verschillende paden steil naar boven over de platte oostelijke berghelling van de berg. Ik passeerde een groot sneeuwveld en kwam na heel wat klimmen over de losse ondergrond ongeveer halfweg bij de steile afgrond uit aan de zuidkant van de berghelling. Hier had ik een goed zicht op de Glacier d’Ossoue en de Montferrat (3219m). De diepe spleten in de gletsjer waren van hier uit goed te zien. De klim liep nu verder dicht bij de afgrond en na een tijdje maakten de losse rode steentjes onder mijn voeten plaats voor vaste grijze kalksteenrots. Hier en daar lag nog een plek sneeuw. Opeens kwam de top in zicht toen ik iemand van de groep voor me boven zag staan. Over de kalksteenrotsen klom ik het laatste stuk naar boven. Iets voor de top plaatste ik mijn rugzak veilig tussen de rotsen en passeerde dan de groep op de eerste top. Het waren Engelsen. Zij stonden in feite niet op de eigenlijke top van de Petit Vignemale (3032m). Een twintig meter verder lag de eigenlijke top die nog een twee meter hoger was dan de plaats waar de Engelsen stonden.

Cirque de GavarnieOp de echte top nam ik enkele foto’s en genoot van het uitzicht. Het uitzicht vanop de Taillon (3144m) was al grandioos, maar deze berg was beslist de mooiste uit mijn tocht. Vlak voor me in het westen ligt grote broer Pic Longue de Vignemale (3298m). Aan de linker kant ligt beneden in de diepte de witte Glacier d’Ossoue en aan de horizon dichtbij de zuidelijke toppen van het Vignemalemassief als de Cerbillona (3247m) en de Montferrat (3219m). Aan de rechterkant de duizelingwekkende verticale afgrond aan de noordkant van het massief, met beneden de Glacier des Oulettes en de Oulettes de Vignemale in de bodem van het Vallée de Gaube. Aan deze sandrvlakte was de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) als een piepklein gebouwtje te ontwaren. Natuurlijk lag achter in het dal weer het grote Lac de Gaube (1725m). In het noordwesten waren de granieten pieken nu nog mooier te bewonderen. De Grand Barbat (2813m), die me vanaf nu altijd weer aan de Besiberri (3014m) uit het Parque Nacional d’Aïguestortes y Estany de Sant Maurici zal doen denken. Deze twee bergen lijken sterk op elkaar. Vallée de GaubeDe enorme piramide die de Gran Facha (3005m) is, en de Balaïtous die eigenlijk alles domineert schuin achter de Gran Facha. Nu zag ik ook in de uiterste verte het bovenste gedeelte van het symbool van de Pyreneeën : de Pic du Midi d’Ossau (2884m). Deze berg is een echte kollos van een piek. In het zuidoosten was bekend terrein te zien. De Barrage d’Ossoue en de Cirque de Gavarnie met de Brèche de Roland (2807m), langs de rechterkant begrensd door de Taillon (3144m) en de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) en langs de linkerkant door de Astazou-tweeling (3012m en 3071m), centraal de Pic du Marboré (3248m), de hoogste top van de cirque en met net achter deze laatste berg de top van de Monte Perdido (3355m) die nog net te voorschijn kwam. Ik zag hem dan toch nog eens. Ook de kleinere Cirque d’Estaubé zag ik van hieruit. Ginder was het dat ik mijn eerste twee nachten had doorgebracht. In het oosten lag weer het Massif de Néouvielle, waar in al die tijd nog steeds veel sneeuw lag. In het noordoosten was de Pic d’Ardiden (2988m) de opvallendste berg. Er lag een enorme puinwaaier tegen zijn zuidkant aan. Achter de bergen in het noorden lag de Franse vlakte onder een grijze nevel gehuld, waarop ik zelfs de stad Tarbes duidelijk kon zien liggen. Er was enorm veel te zien vanop deze berg en nog steeds was het stralend weer met zo goed als geen wind, ook hier op de top.

Ik wou net weer afdalen toen de Engelse groep ook wou gaan vertrekken. Iemand van hen vroeg of ik wilde dat ze een foto van me namen. Oké dan maar. Hierna daalde ik af, veel sneller dan de Engelse groep. Na een stukje afdalen kwam ik weer dicht bij de steile afgrond uit aan de zuidkant van de berghelling. Glacier d'OssoueHier nam ik nog een foto van de Glacier d’Ossoue. Dan daalde ik verder af over de wirwar van paadjes vol losse steentjes en langs enkele sneeuwvelden tot terug op de Hourquette d’Ossoue (2734m). Het was nu tien voor vijf en ik begon meteen verder aan de afdaling het Vallée de Gaube in naar de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m). Deze afdaling begon al meteen lastig. Het pad lag vol met grote losse keien. Na vele kronkels daalde het pad wat minder steil verder naar het noorden en nam ik even de tijd om te pauzeren. Toen ik weer verder wandelde passeerde ik na een tijdje op enige afstand van de kleine Lacs d’Arraillé. De meertjes liggen in een echte wildernis van rotsblokken onder de Col d’Arraillé (2583m), langs waar je het Vallée de Lutour kan inwandelen. Door die wildernis van rotsblokken daalde ik verder tot ik even verder aan de splitsing kwam naar de Col d’Arrailé. Ik nam het pad naar links en daalde zo verder naar de Refuge des Oulettes de Gaube. De afdaling bleef lastig. Overal lagen steeds losse keien op de weg. Het zicht op de noordwand van de Vignemale werd steeds beter. Na een hele tijd afdalen liep het pad tot slot nog tussen en over rotsblokken onder een rotswand en kwam dan bij de Refuge des Oulettes de Gaube (2151m) uit.

De refuge ligt op een schitterende plaats net op een oude eindmorenerug aan de noordkant van de moerassige vlakte van de Oulettes de Gaube. Door deze vlakte stroomt het smeltwater van de Glacier des Oulettes via verschillende meanderende armen van de Gave des Oulettes de Gaube. De grasplekken in deze vlakte waren al helemaal oranje–bruin gekleurd. De Oulettes de Gaube liggen net onder de steile hoge noordwand van het Vignemalemassief met aan de voet van de wand het blauwe gletsjerijs van de Glacier des Oulettes en jonge morenes. De noordwand van de Vignemale heeft een totaal ander uitzicht dan die van de Monte Perdido, maar hoeft zeker niet onder te doen voor de Monte Perdido. In tegendeel zelfs, het zicht vanaf de Refuge des Oulettes de Gaube op de noordwand van de Vignemale is voor mij het mooiste zicht dat ik in de Pyreneeën reeds gezien heb.

Aan de hut zaten vele mensen van dit uitzicht te genieten. Ik zette mijn rugzak tegen de muur en ging een kijkje nemen binnen in de hut. In het eetzaaltje hingen verschillende kaarten en foto’s van de Vignemale tegen de muur. Op een bord hingen enkele zeer oude foto’s van de Glacier des Oulettes en de Glacier d’Ossoue, naast ook recentere foto’s. Hierop was duidelijk te zien dat de gletsjers aan de Vignemale zich snel terugtrekken. De Glacier d’Ossou is nog de meest complete gletsjer en misschien wel de nog enige complete gletsjer in de Pyreneeën. Als je de evolutie ziet dan zal ook deze gletsjer binnen vijftig jaar nog maar een blok restijs in een kar zijn, net als eigenlijk alle andere kleine gletsjers in de Pyreneeën. Tegenover gletsjers als de Sulzenauferner of de Alpeinerferner vorig jaar in de Stubaier Alpen, is zelfs de Glacier d’Ossoue een dwergje. De Alpengletsjers zijn dan ook van een heel andere dimensie dan deze in de Pyreneeën.

In de hut probeerde ik nog om een omelet te krijgen, maar het was al zes uur voorbij en de middagkeuken was dus al afgesloten. Men was reeds in de voorbereiding op het avondeten. Ik kon nog wel een sandwiche au saucisson krijgen. Met mijn cola en broodje ging ik dan weer buiten zitten op een vlakke rots naast de refuge en terwijl ik mijn boterham op at genoot ik van het zicht op de Vignemale. Het broodje bestond weer uit twee dikke boterhammen met veel boter ertussen en enkele plakken saucis.

Wanneer het bijna zeven uur was nam ik dan mijn rugzak en ging naar de kampeerplek op enige afstand van de hut. De kampeerplek stond op een papier in de hut aangeduid, want volgens de regels van het Parque National des Pyrénées mag enkel gekampeerd worden op de aangeduide plaatsen nabij een hut of op meer dan een uur lopen van de grenzen van het park en dan nog wel tussen 19h00 en 9h00. Ik stak de beek over en liep dan de moerassige vlakte in. De kampeerplek lag onder een puinwaaier aan het begin van de klim naar de Col des Mulets (2591m) op de grens met Spanje, nog net op de vlakte van de Oulettes de Gaube. Er waren meerder kampeerplekken afgezet met stenen muurtjes. Een groep van vijf jonge Fransen volgde me vanaf de hut en kwam hier ook bivakkeren. De bodem van de vlakte bestond uit klei. Ik stelde mijn tent op en at dan soep en enkele hardkeks, want mijn laatste warme maaltijd had ik gisteren opgegeten. Om 20h50 ging ik dan slapen, wanneer het bijna donker was. Ondertussen kwam een kleine kudde schapen op de vlakte aan. Ze keken eens naar onze tenten en liepen dan verder door de vlakte om ergens dichter bij de Vignemale een slaapplek te zoeken. Dit was het einde van de laatste volledige wandeldag. Morgen daalde ik verder af tot in Cauterets (910m) en dat was nog een heel eind zodat ik het alarm van mijn horloge weer op een vroeg tijdstip in stelde. Ik viel weer niet direct in slaap door het gepraat van de Fransen.

Afstand : 29,0km
Duur: 9h40

Klimmen : 830m
Dalen : 1620m

Vandaag ging de dag aanbreken waarop ik de langste afstand heb afgelegd. Normaal moest de dag gisteren de langste zijn, maar door onvoorziene omstandigheden had ik een andere weg moeten nemen. Ik was van plan om de Faja de las Flores te volgen hoog aan de noordwand van de Canyon van Ordesa tot in de Circo de Carriata. Hier zou ik dan de Faja de Mondarruego volgen tot in het Valle de Ara. In deze vallei zou ik dan afdalen naar Bujaruelo (1338m) om dan terug te klimmen naar het Ibon de Bernatuara (2275m), een kratermeer dat zo goed als op de Frans-Spaanse grens gelegen is. Ik wist die morgen nog niet dat ik hier vandaag nooit ging geraken. De Faja de Mondarruego bestaat namelijk niet (meer), maar staat wel op de Spaanse kaarten ingetekend. Om 7h15 werd ik weer wakker. Buiten schemerde het nog en de bergtoppen lagen verscholen in een wolkendek dat de hele hemel bedekte. Het was 8,4°c en er stond zo goed als geen wind. Dit moest ook de hele nacht het geval geweest zijn, want mijn tent was helemaal nat van de gecondenseerde dauwdruppels. Na het ontbijt en het inpakken van mijn spullen in mijn rugzak was ik om 8h35 klaar om te vertrekken.

Gisteren was ik bij het oversteken van de Barranco de Cotatuero het pad kwijt geraakt. Ik besloot dus om hier terug heen te gaan. Op de kaart staat de weg ook aan de overkant van de beek ingetekend. Toen ik terug de beek naderde zag ik plots een steenman staan een stuk over de beek en een dertig meter hoger op de helling van de plaats waar het pad ophield. Deze steenman had ik gisteren niet gezien. Ik stak de beek over en steeg dan zeer steil door het gras de helling op. Er was helemaal geen pad, maar om de twintig meter stond wel een steenmannetje. Ik kwam al snel tussen de kalksteenrotsen die door het gras uit staken. Vlak voor me zag ik nu een gems op de uitkijk staan op een rotsblok. Ze keek me onbeweeglijk aan om dan plots weg te springen uit mijn gezichtsveld. Het gras maakte volledig plaats voor rotsbanken en puinhopen van stenen waarop ik verder naar omhoog klom door steeds de steenmannen te volgen. Soms was het onduidelijk hoe ik verder moest omdat ik niet direct een nieuw steenmannetje zag staan. Ik kwam zo uit in de enorme karstvlakte van Cotatuero. Dit is een dorre wildernis van rotsen op de hoogvlakte van Ordesa gelegen tussen de Pica del Descargador (2627m) en de Pico de Salarons o Gallinero (2752m). In het noorden wordt de Cotatuerovlakte begrensd door de wat hoger gelegen Llanos de Millaris, de vlakte in de doline ten zuiden van de Brèche de Roland. Ondertussen was het wolkendek opengebroken en de zon scheen af en toe door de wolken heen. In de vlakte vond ik nog een steemmannetje, maar daarna miste ik elk spoor dat de weg kon aanduiden. Ik bleef in noordwestelijke richting voort wandelen tot ik op een gegeven moment een pad zag dat dwars voor me tussen de rotsen doorheen de vlakte liep. Ik ging er naartoe en volgde het dan naar links. Niet veel verder kwam ik aan een splitsing uit. Er liep een onduidelijk pad naar rechts dieper de karstvlakte in. Dit was de weg die naar de Brèche de Roland liep. Ik bleef het pad echter naar links volgen en al gauw werd het pad onduidelijk om dan weer te verdwijnen. CotatueroOver de rotsbanken liep ik verder in zuidelijke richting tot ik enkele tientallen meters verder weer een steenmannetje opmerkte. Ik liep ernaartoe en zag er dan nog een ander exemplaar op enige afstand verder. Over en tussen de rotsbanken liep de weg nu licht stijgend verder met op regelmatige afstand een steenmannetje. De weg liep nu geleidelijk de karstvlakte van Cotatuero uit. Ik keek nog even om en nam een foto op het moment dat een optrekkende wolk de Taillon (3144m) beter zichtbaar maakte. De wolken waren nu bijna allemaal opgelost. In het noordoosten lag de Circo de Cotatuero nu in de diepte en op de achtergrond loerde weer de top van de Monte Perdido (3355m).

Ik wandelde verder en kwam nu hoog boven de noordwand van de Canyon van Ordesa uit. Hier begon de Faja de las Flores. Het pad liep nu op een terras onder de rotswand van de canyon. Het terras was zelden meer dan drie meter breed. Links van me gaapte de honderden meters diepe afgrond. Wat verder kon ik een foto nemen van de Circo de Cotatuero, de Monte Perdido en mezelf. Circo de CotatueroEen rotsblok met een platte bovenkant was de perfecte plaats om het fototoestel op zetten. Ik liep verder tot ik na een tijdje aan Punta Gallinero uitkwam. Dit is het meest zuidelijke punt van de Faja de las Flores. Vanzelfsprekend had je hier het beste zicht over heel de canyon. Aan de overkant van de vallei was Punta Acuta (2242m) de opvallendste berg aan de rand van de canyon. Ik zag weer een gier of een arend een heel stuk lager in de canyon rondcirkelen. Plots hoorde ik een marmot zijn alarmkreet uitpiepen een stuk terug van waar ik kwam. Toen zag ik waarom. Er zweefde een andere gier langs de berghelling. Hij kwam mijn richting uit gevlogen en passeerde vlak voor me slechts een vijf meter lager onder de rotsbank waarop ik stond. Terwijl hij voorbij zoefde hield hij zijn kop schuin om me aan te staren. Hij had duidelijk die typische gierenkop. Ik geloof dat het een vale gier was. Alvorens ik verder liep over de Faja de las Flores keek ik nog eens goed naar de Monte Perdido (3355m). Dit was misschien de laatste keer dat ik hem zag, want vanaf Punta Gallinero verdween de berg en de Circo de Cotatuero voorgoed uit het zicht.

Vanaf nu helden de rotswanden over het pad. Het was soms net alsof je door een halve tunnel wandelde. Ik passeerde zelfs een kampeerplekje dat begrensd was met een stenen muurtje. Hier op de Faja de las Flores hadden dus zelfs al mensen gebivakkeerd. De Circo de Carriata kwam nu in zicht. Even verder kwam ik aan een enorme rotsblok die van de rotswand was gevallen op het terras. Met zijn bovenkant leunde hij nog tegen de rotswand aan. Je kon onder de rotsblok onderdoor wandelen. Alvorens ik dat deed rustte ik even uit op een kleine rotsblok en at een powerreep op. Ondertussen keek ik de Circo de Carriata in. Deze circo was veel minder lang dan de Circo de Cotatuero. Aan de westkant wordt de circo begrensd door de Tozal del Mallo (2254m). Dit is een opvallende vooruitstekende rots. Beneden in de Circo de Carriata zag ik een pad lopen tussen het gras op een vlak terras. Het kwam van boven afgedaald en stuitte dan op een rotswand, waar het verder naar beneden moest gaan. Dit moest de passage zijn met stalen pinnen in de Circo de Carriata, de zogenaamde Clavijas de Salarons of ook wel de Clavijas de Carriata. Volgens het boek van Ton Joosten zou deze passage minder lastig zijn dan die in de Circo de Cotatuero. Ik moest echter deze passage niet nemen, want ik was niet van plan om door de Circo de Carriata af te dalen terug de canyon in. Alvorens het pad op de rotswand dood liep splitste er zich nog een ander pad af naar rechts dat verder liep over het terras naar de Tozal del Mallo (2254m). Dit pad ging ik nemen. Opeens hoorde ik weer een marmot zeer luid piepen. Al snel werd het een alarmkreet die plots ophield. Daarna hoorde ik niets meer. Het leek net alsof er een roofdier de marmot te pakken had en gedood had. Toen ik weer recht stond merkte ik op dat de kalkstenen rotsen vol met fossiele schelpen zaten. Ooit zijn deze rotsen miljoenen jaren geleden in zee gevormd uit afgestorven koralen.

Ik vertrok weer en liep onder de gevallen rotsblok onderdoor. Al gauw kwam ik op de karstvlakte uit hoog in de Circo de Carriata en hier eindigde dan ook de Faja de las Flores. Ik volgde het vage pad door het gras tussen de kalksteenbanken. Het karstlandschap was hier minder ruig dan dat van Cotatuero. Het pad werd al weer snel onduidelijk, maar ik bleef de steenmannetjes volgen in noordwestelijke richting. Voor me verscheen nu opeens een moerassige grasvlakte, de Aguas Tuertas. Dit was wel een mooi zicht. Een groene vlakte midden in een dor karstlandschap. De lichtbruine en rode kleur van het gesteente van de Picos de Gabieto (3031m en 3034m) op de achtergrond versterkten nog eens het contrast.

Net voor de Aguas Tuertas maakte ik een scherpe bocht naar links en volgde nu de steenmannetjes naar het zuidzuidoosten. Ondertussen bleef een marmot maar aanhoudend luid roepen. Zijn schreeuw weerklonk tussen de bergen. Het was geen waarschuwingskreet. Het was net alsof hij riep om de dood van die andere marmot daarnet. Na een lange tijd stopte hij eindelijk en was hij blijkbaar gekalmeerd. Ik liep weer even door een doline en kwam dan weer tussen woeste kalksteenbanken terecht. Hier merkte ik ook geen steenmannetjes meer op. Ik bleef maar dezelfde richting uit wandelen en steeg zo over een enorme kalksteenbank lichtjes naar boven tot ik aan een afgrond kwam waar ik beneden de lagere delen van de Circo de Carriata kon zien liggen. Valle OrdesaIk keek nu of er rechts van de kalksteenbank waarop ik me bevond geen weg naar beneden liep, maar dit leek onmogelijk. Ik liep dan maar wat verder over de bank naast de afgrond naar het oosten tot ik plots het pad wat verder zag. Nadat ik de ruige bank verlaten had kwam ik op het pad terecht. Nu volgde een steile afdaling naar beneden tot ik op het terras kwam dat ik van boven op de Faja de las Flores al had gezien. Ik nam nu het pad naar rechts dat door het gras over het terras vrijwel vlak verder liep tot aan het einde van het terras. Hier liep ik dan licht stijgend verder langs de berghelling tot ik rond halftwaalf op de col uitkwam aan de Tozal del Mallo. Hier liet ik mijn rugzak staan en liep de laatste vijftigtal meter zonder rugzak aan naar het hoogste punt van de Tozal de Mallo (2254m). Hier had ik een mooi uitzicht over de Ordesacanyon. Na wat rondgekeken te hebben keerde ik terug naar mijn rugzak toen er net twee mensen aankwamen. Terwijl zij verder naar de Tozal de Mallo wandelden liep ik nu op de berghelling aan de col wat omhoog om te kijken waar het pad verder liep.

Volgens de kaart zou hier de Faja de Mondarruego beginnen, die me tot in Bujaruelo zou brengen, maar er was helemaal geen pad te zien. In de verte merkte ik blijkbaar een pad op over de grashelling onder de rotswanden. Ik liep dan maar verder over de grashelling ongeveer steeds op dezelfde hoogte blijvend. Opeens verscheen er een gems voor me die snel naar beneden weg vluchtte. Nog steeds werd er geen pad zichtbaar, maar wat verder liep ik plots toch over een vaag paadje. Dit was duidelijk een pad geweest, maar werd nu blijkbaar niet meer gebruikt en was dus vrijwel dichtgegroeid of door het kruipen van de bodem op de helling bijna dichtgeslibd. Dit is weer typisch iets voor de Spaanse kaarten. Een wandelpad intekenen dat er eigenlijk niet meer is. Ik wandelde toch maar verder. Als dit paadje vroeger een wandelpad was en nog op de kaart staat moet ik langs hier wel verder kunnen. Gemakkelijk was het niet want de grashelling was zeer steil.

Af en toe kwam ik aan een rill uit die gevuld was met losliggende stenen, die ik dan voorzichtig over stak. Nadat ik zo twee hangende dalen doorkruist had, stopte ik op de hangende bergrug tussen twee hangende dalen in. Hier was de grashelling minder steil en kon ik gemakkelijker in het gras zitten. Hier at ik dan een hardkek onder de brandende zon. Ik bevond me nu hoog boven het einde van de Ordesacanyon. Het uiteinde van het Valle de Ara werd van hieruit zichtbaar. Beneden in de diepte stroomde ergens een 1300m lager de Rio Arazas met de Rio Ara samen. In de verte lagen de dorpjes Torla (1030m) en Broto (905m) in het daar veel bredere dal tussen de afgeronde bergtoppen. Aan de overkant van het Valle de Ara lag de veelkleurige Sierra de Tendeñera nu veel dichterbij. Ik vertrok weer het volgende hangend dal in, maar was ondertussen het vage paadje kwijtgespeeld. Af en toe kwam ik nog de sporen van een paadje tegen waarop nauwelijks nog gelopen kon worden. Toch liep ik verder en na weer enkele hangende dalen doorkruist te hebben kwam ik aan een passage waar de grashelling over ging in een trapjeshelling van rotsbanken. Elk trapje lag vol met losliggende stenen wat het gevaarlijk maakte. Ik twijfelde of ik nog verder zou gaan. Het was immers al een hele tijd geleden dat ik nog enig spoor van het oude paadje had gezien en de route werd steeds ruiger. Toch ging ik traag en voorzichtig verder tot ik weer op een hangende rug uitkwam tussen twee hangende dalen in. Toen ik het volgende hangende dal zag zakte de moed in mijn schoenen. De grashelling hield in de verte plots op. Er waren enkel nog verticale rotswanden. Het was onmogelijk om hier verder te gaan. Mijn hele plan moest ik nu wijzigen en een enorme omweg maken. Ik moest nu het hele rottige stuk terug tot aan de Tozal del Mallo, om dan via de Clavijas de Carriata in de Circo de Carriata weer helemaal tot beneden in de Ordesacanyon af te dalen. Daar zou ik dan door de bodem van het dal naar het Valle de Ara wandelen om dan de Aravallei via de oninteressante onverharde weg in te wandelen tot het laatste gehuchtje Bujaruelo (1338m). Dat ik vandaag het Ibon de Bernatuara (2275m) aan de Franse grens niet meer kon bereiken was nu wel duidelijk. Om woensdag op tijd in Cauterets aan te komen moest ik nu wel lange dagen gaan maken, schoot er door mijn hoofd.

Ik keerde terug, passeerde weer langs de gevaarlijke trapjeshelling en ontdekte dan het vage paadje dat ik die hele tijd in de heenweg verloren had. Ik ging nu veel sneller vooruit als in het heenkomen, maar het was toch nog een heel eind terug tot aan de col bij de Tozal del Mallo. Hier kwam ik uiteindelijk aan omstreeks 14h15. Ik rustte vijf minuten uit en liep dan verder terug de Circo de Carriata in. Bij de splitsing tussen het gras op het terras liep ik nu naar rechts zodat ik na een steil stukje afdaling inderdaad aan een vijf meter hoge rotswand kwam, waar weer net een groep Engelsen op hun gemakje naar boven kwamen geklauterd. Ondertussen bevestigde ik mijn wandelstokken op mijn rugzak en nadat ze allen boven waren kon ik afdalen. De rotswand was niet volledig verticaal, zodat ik over de verschillende trapniveaus naar beneden kon klauteren. Er waren geen pinnen aangebracht. De clavijas de Carriata moesten dus nog komen. Na deze passage daalde het pad steil verder tot ik niet veel verder aan een gelijkaardige rotswand kwam. Hier waren wel pinnen aangebracht. Ik klom langs de steile rotswand naar beneden en daalde dan weer verder af over het steile pad. De Clavijas de Carriata zijn inderdaad veel minder lastig dan die in de Circo de Cotatuero. Rio ArazasGeregeld moest er nog over enkele rotsen steiler naar beneden afgedaald worden, maar verder liep het pad geleidelijk minder steil naar beneden. Nabij de eerste haarspeldbocht naar links na een lang recht stuk kwam ik bij de eerste naaldboompjes uit. Vanaf nu kronkelde het pad steil verder naar beneden tussen de naaldbomen. Na een tijd afdalen ging het naaldbos weer over in een dicht loofbos en al snel was ik tot helemaal beneden in de canyon afgedaald. Het was nu reeds 15h50. Ik kwam uit op de asfaltweg die door het eerste stuk van de canyon loopt tot aan de Pradera de Ordesa (1310m). Ik stak de weg over net voor de toeristenbus kwam aangereden en volgde nu een paadje door een kleine weide. Een bord duidde aan dat dit paadje naar Torla liep. Nadat ik de kleine weide doorkruist had kwam ik na een kort stukje tussen berkenbomen uit aan een houten brug over de Rio Arazas. De bomen vertoonden al hun eerste herfstkleuren.

Nadat ik de brug had overgestoken kwam ik bij het stenen monument ter ere van Lucien Briet (1860 – 1921). Deze Parijzenaar verkende in het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw elke zomer een deel van de Aragonese Pyreneeën. Met een muilezel en een Spaanse gids trok hij erop uit en schreef alles op wat hij meemaakte en zag. De Ordesa regio heeft hij zeer uitvoerig verkend en daarom heeft men hier een monument geplaatst ter nagedachtenis aan hem.

Ik liep nu verder over het bredere pad door het dichte loofbos. Af en toe kon ik nog een stukje van de canyon of een waterval in de Rio Arazas waarnemen tussen het bladerdek door. Naarmate ik verder wandelde zakte de Rio Arazas rechts van me dieper weg in een kloofdal. Na een heel eind kwam ik eindelijk, bij het eindpunt van de canyon, aan een splitsing uit waar ik nu het pad naar Torla verliet. Ik sloeg rechts af en daalde zo af tot bij een betonnen brug over de Rio Arazas, net voor de monding van de rivier in de Rio Ara. Dan steeg het pad weer en liep onder één van de bogen van de brug van de autoweg die naar de canyon loopt door. Dan kwam het pad ook op deze autoweg uit net op de plaats van de afslag van de grindweg die het Valle de Ara in loopt.

Het was net 16h30 toen ik over deze geleidelijk stijgende grindweg de nauwe vallei in wandelde. Volgens een bord lag Bujaruelo nog een 6,5km verder. Links van me stroomde de wilde Rio Ara en geregeld reed er een auto langzaam voorbij. Na een hele tijd stak ik de Rio Ara via een brug over en wat verder stopte ik even om een kleine pauze te nemen. Dan liep ik weer verder. De vallei werd nu opener en de Rio Ara was hier veel breder en stroomde veel rustiger. Ik passeerde de camping Valle de Bujaruelo, maar liep verder. Na nog een heel eind over de oninteressante weg kwam uiteindelijk Bujaruelo (1338m) in zicht. Volgens de kaart is het een klein gehuchtje, maar dat was het zelfs niet. Er stond enkel een herberg en een campinggebouw. Op het grote vlakke campingterrein stonden slechts vijf tenten. Het laatste stukje tot Bujaruelo verliep licht dalend. Het was tien over zes toen ik hier aankwam.

Ik ging eerst een kijkje nemen in de herberg en kocht er een cola, die ik dan buiten op een bank opdronk. Daarna ging ik naar het gebouw aan de camping, maar er opende niemand de deur waar ik me moest aanmelden. Ze was ook op slot. Dan ging ik terug naar de herberg. Daar kwam ik te weten dat je een plaats voor de camping moest aanvragen in de herberg zelf. Ik moest mijn paspoort laten zien en de waard noteerde vervolgens zorgvuldig mijn naam en mijn identiteitsnummer. Dan begreep ik waarom. Ik moest pas betalen wanneer ik morgen vertrok. Dan vroeg ik vanaf wanneer ik morgen vroeg kon afrekenen, waarop hij antwoordde in gebrekkig Engels dat ze open waren vanaf halfacht. Ik zocht me vervolgens een kampeerplek en stelde mijn tent op. Wanneer dat klaar was stopte ik alles in mijn tent, ritste ze dicht en ging eens een kijkje nemen in het gebouw aan de camping. Binnen waren er tientallen lavabo’s, toiletten en douches. Alles was netjes proper. Dit was nogal eens een verschil met de camping in Gavarnie.

Ik liep terug naar mijn tent en nam snel mijn douchegerief. Eerst dacht ik dat er geen warm water uit de douches ging stromen, maar na heel lang, wanneer ik me al bijna helemaal had gewassen met koud water, stroomde er plots wel warm water door. Ik waste ook mijn haar en bleef dan een lange tijd onder het warme water staan. Dit was de eerste keer in acht dagen dat ik me eens helemaal kon wassen. Toen ik terug in mijn tent was maakte ik eten klaar met het water dat ik uit de douche had meegenomen in één van mijn colaflessen en nadat ik het eten opgegeten had ging ik slapen. Het was dan al 20h40. Ik zette het alarm van mijn horloge op 5h30, want ik wou absoluut om halfacht weg zijn. Doordat ik het Ibon de Bernatuara (2275m) vandaag niet meer had kunnen bereiken, zou het morgen weer een lange dag worden. Toen het al donker was reed er nog een fransman met zijn auto het campingterrein op en daarna hoorde ik hem zijn tent nog opstellen. Daarna viel ik in slaap.

Afstand : 28,5km
Duur: 10h20

Klimmen : 1630m
Dalen : 1670m

Vandaag ging de zwaarste dag aanbreken. Ik zou over de Faja de Pelay hoog in de Canyon van Ordesa de vallei vrijwel volledig doorkruisen om dan na Punta Acuta (2242m) beklommen te hebben af te dalen tot op de bodem van de canyon op 1310m, om er dan weer helemaal terug uit te klimmen naar de Circo de Cotatuero. Die laatste klim moest wel, want je mag in het Parque Nacional de Ordesa y Monte Perdido niet kamperen onder 2200m hoogte.

Ik werd gewekt om kwart over zeven. Het was nog donker toen ik naar buiten keek. Het was volledig onbewolkt en mijn horloge vertelde me dat het 7,2°c was. Er brak weer een dag met perfect weer aan. Ik was de eerste die wakker was van de kampeerders aan de hut. Er stonden veel meer tenten rond de hut als gisteren. Een veertigtal schatte ik. Die morgen at ik voor de tweede keer één van mijn roereieren en het duurt heel wat voor deze klaar gebakken zijn. Daarom kon ik niet zo vlug vertrekken. Nadat ik ontbeten had pakte ik snel alles bijeen in mijn rugzak en vertrok. Er waren enkele groepen die sneller waren dan ik en reeds voor me op pad gingen. Toen ik vertrok was het enkele minuten voor negen uur. Ondertussen stond er weer een massa mensen voor de ingang van de berghut te niksen, net als eergisteren. Ik nam nu het pad dat van de Refugio Goriz (2160m) langzaam afdaalde in de Circo de Goriz. Het pad was hier diep ingesneden in de met gras begroeide helling. Na een stuk afgedaald te zijn kwam ik op een klein plateau terecht. Hier stak ik reeds enkele mensen voorbij die enkele minuten voor me vertrokken waren aan Refugio Goriz. Nadat het plateau doorkruist werd, volgde een steilere kronkelende afdaling. Circo de SoasoAl snel kwam ik tot bij een tweede groep Spanjaarden. Eén van hen schoof plots vlak voor me uit. Niet moeilijk, hij had versleten sportschoenen aan. Weer typisch voor een Spanjaard. Ik stak de groep langzaam voorbij en kwam dan dadelijk op een tweede plateau uit waarop het pad splitste. Ik bevond me nu boven aan de Circo de Soaso. Dat is de cirque aan het hoofd van de canyon van Ordesa. Ik nam even het rechtse pad om wat verder een foto te kunnen nemen van de Ordesavallei. Door de nog laagstaande zon was de vallei nog gevuld met een donkere schaduw.

De groep die ik net voorbij gestoken had nam nu ook het rechtse pad en stak me zo terug voorbij. Dit pad daalde al snel zeer steil naar beneden en volgens de kaart volgt er een zeer steil stuk met kabels. Ik keerde terug en nam het andere pad naar links. Dit pad moest ik hebben, want het komt uit bij het beginpunt van de Faja de Pelay. Het rechtse pad daalt helemaal af tot in de vallei en daar moest ik niet zijn. Ik wandelde eerst even vlak om dan met vele haarspeldbochten af te dalen tot aan het startpunt van de Faja de Pelay. Hier stond een bord met de vermelding in het Spaans, Frans en Engels om niet aan de Faja de Pelay te beginnen na 15h00. De Cascada Cola de Caballo of in het Nederlands de paardenstaartwaterval was nu zichtbaar geworden. Nu begreep ik waarom de waterval die naam had.

Ik liep verder over het nu licht stijgende pad van de Faja de Pelay. Achter me werd naast El Cilindro (3328m), de Monte Perdido (3355m) nu zichtbaar. Er verschenen meer en meer kleine dennenboompjes naarmate ik verder wandelde. De bodem van de vallei rechts van me zakte steeds dieper weg en de watervallen van de Gradas de Soaso in de Rio Arazas waren soms te zien. Las Tres SororesAls ik naar links keek zag ik boven me de steile kliffen die de bovenrand van de canyon vormen. De vallei maakte nu een brede bocht naar rechts zodat ik na een hele tijd uit de schaduw van de bergflank kwam in de zon en ook het einde van de canyon in zicht kwam. Ik was verbaasd hoe kort de vallei toonde. Ook de Monte Perdido (3355m) verdween na een tijdje achter Punta Tobacor (2779m). Later kwam de Taillon (3144m) en de Brèche de Roland (2807m) op hun beurt in zicht aan de overkant van de canyon. Het pad liep nu vrijwel volledig vlak om dan af en toe een stukje te dalen. Ik liep nu afwisselend door loofbos of dennenbos en dan weer eens door een open plek op de berghelling. Op zo een open plek kwam ik plots twee gemzen tegen. Ze stoorden zich weinig aan mij en graasden verder. Het was warm en geregeld kwam ik enkele dagjesmensen tegen vanuit de tegenovergestelde richting.

Om enkele minuten voor twaalf kwam ik uit aan het uitzichtpunt bij de Refugio y mirador de Calcillarruego (1930m). Dit is een klein schuilhutje aan het einde van de Faja de Pelay. Een dikke Spanjaard vroeg me hier hoe lang het was naar de Refugio Goriz. Weer vertikte hij om een andere taal te spreken wanneer ik hem duidelijk maakte dat ik geen Spaans sprak, maar ik begreep wat hij vroeg in het Spaans. Ik antwoordde “Three Hours”, waarop hij het nog eens herhaalde in het Spaans: “Trés Oras”.

Op het uitzichtpunt rustte ik even uit en keek rond. Beneden in de canyon zag ik de Rio Arazas zich een weg banen door het loofwoud. Ik zag nu ook frontaal op de Circo de Cotatuero met de waterval die hier naar beneden stort. Ik hoefde me dus geen zorgen te maken, want het water voor deze avond had ik al gevonden. Hoe ik de Circo de Cotatuero straks moest in klimmen was iets anders. Het leek van hieruit onmogelijk om de verticale rotswand te passeren. Volgens de kaart is er echter wel degelijk een weg naar boven via de Clavijas de Cotatuero, een reeks van 32 stalen pinnen die hier in 1881 door twee inwoners van Torla in de rotswand zijn aangebracht in opdracht van de Engelse steenbokkenjager Edward Buxton. Het is trouwens deze Engelsman samen met sir Victor Brooke en nog enkele andere Engelsen van adel, die voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor het uitsterven van de Pyreneese steenbok. Vele Engelsen kwamen in de negentiende eeuw elke zomer als hobby jagen op de Pyreneese steenbokken. Sindsdien was de Pyreneese steenbok met uitsterven bedreigd en in december 1999 is helaas de allerlaatste Pyreneese steenbok hier in het Parque Nacional de Ordesa y Monte Perdido gestorven. De Clavijas de Cotatuero staan ook beschreven in het wandelboek van Ton Joosten. Hoe moeilijk de passage ook mocht gaan zijn, ik zou hier straks naar boven klauteren voor de uitzichten op de Faja de las Flores.

Op het uitzichtpunt kwam plots een Spanjaard naar me toe en duwde me zijn digitaal fototoestel in mijn handen. Hij wou dat ik een foto van hem nam met de Circo de Cotatuero op de achtergrond. Nadat ik de foto had getrokken vertrok ik weer. Het pad daalde nu steil naar beneden tussen de naaldbomen en plots schoof ik uit over een gladde plek, zodat ik op mijn rugzak belandde. Het kostte me heel wat moeite om met mijn zware rugzak aan terug recht te staan. Al gauw kwam ik nu bij de afslag uit waar de klim naar Punta Acuta begint. Ik had me voorgenomen om niet meer aan de klim te beginnen indien ik hier na halféén zou aankomen omdat ik anders mogelijk niet meer de Circo de Cotatuero kon bereiken voor zonsondergang. Het was tien na twaalf. Ik nam dus de afslag en verliet zo de afdaling naar de bodem van de canyon. Eerst volgde nog een korte afdaling maar dan begon een steile kronkelende klim. Op het pad lagen heel wat losse stenen. Dat zou de afdaling straks niet gemakkelijk maken. Na een heel stuk klimmen kwam ik plots aan een ondiep couloir uit. Tegen mijn zin moest ik nu weer afdalen. Het pad liep nu over een losliggende puinhoop van stenen en kleine rotsblokken zeer steil naar beneden de couloir in. Dan klom het pad weer steil omhoog de couloir terug uit. Daarop volgde tot mijn frustratie weer even een korte afdaling. Ik wandelde nu langs steile afgronden hoog in de canyon. De klim begon al snel weer zeer steil te worden. Door een klein hangend dal en langs verschillende rotswanden klom het pad de canyon uit. Nadat ik twee mensen passeerde uit de tegenovergestelde richting, kwam ik op een met gras begroeide helling uit. Punta Acuta (2242m) was nu voor me te zien. Het pad maakte nog één haarspeldbocht naar rechts en kwam dan op de col uit ten westen van Punta Acuta.

Hier stond een bord met de regels van het Parque Nacional de Ordesa y Monte Perdido. Ik was nu aan de grens van het park. Ik zette mijn rugzak tegen de paal aan het bord en klom het laatste stuk door het gras verder naar de top van Punta Acuta. Circo de CotatueroEr is geen pad dat naar de top leidt. Opeens verscheen er een groep mensen van rechts die ook naar de top gingen. Ik was hen voor. Stipt om één uur bereikte ik de top. Pal in het noorden zag ik weer op de Circo de Cotatuero en met achter aan enkele toppen van de Cirque de Gavarnie. Ook de Brèche de Roland (2807m) was van hieruit te bewonderen. Het grootste deel van het Valle de Ordesa kon overzien worden, maar de bodem van de canyon was van hier uit onzichtbaar. In het westen zag je op de veelkleurige Sierra de Tendeñera en rechts ervan lag in de verte de Pico del Infierno (3082m). Keek je naar het oosten of het zuiden dan zag je de glooiende uitlopers van de Pyreneeën. Slechts enkele bergen bereiken hier nog de 2000m.

De mensen van de groep kwamen nu één voor één boven. Het waren weer Engelsen. Ze gingen op de top picknicken terwijl ze van het uitzicht genoten. Ik daalde terug af naar de col waar mijn rugzak nog stond. Hier aangekomen zette ik me ergens in het gras en at weer één van mijn hardkeks. Het was iets na halftwee toen ik weer vertrok dezelfde weg terug de canyon in. Het was een lastige afdaling over vele losse stenen. Ik passeerde weer de steile afgrond en kwam nu weer na het eerste stukje klim, terug via een korte afdaling in de couloir terecht. Hier volgde dan weer de zeer steile klim over de los liggende puinhoop van stenen tot ik weer op het pad kwam dat al snel terug verder afdaalde. Via vele haarspeldbochten kwam ik zo rond 14h15 terug aan de splitsing uit.

Aan de splitsing draaide ik nu naar links en daalde zo verder af naar de bodem van de canyon over een kronkelend pad. Het pad was gemakkelijk begaanbaar en daarom ging ik redelijk snel zodat ik verschillende mensen voorbij stak gedurende de afdaling. Naarmate ik verder afdaalde veranderde het naaldbos ook geleidelijk in een loofbos. Slechts een uur later was ik beneden in de canyon. Hier kwamen verschillende paden samen. Het was er redelijk druk. Vele Spaanse gezinnen kwamen er een zondags wandelingetje maken. Ik stak de Rio Arazas, met zijn zeer zuiver water over en kwam nu uit bij de Pradera de Ordesa (1310m). Hier is het dat de bus vanuit Torla de toeristen afzet. Je mag namelijk niet met je auto het park in. Er stond hier ook een souvenirwinkeltje en een restaurant. Ik dronk hier een cola en kocht dan toch nog een stuk cake en een soort suikerbrood als snelle hap. Dat at ik op het terras buiten op.

Nu moest ik aan de klim beginnen naar de Circo de Cotatuero, die bijna 1000m hoger ligt. Het was reeds iets over halfvier toen ik weer vertrok. Ik volgde nu de brede grindweg doorheen de canyon en nam dus niet het pad dat snel rechtstreeks in de richting van de Circo de Cotatuero klimt. De weg verliep eerst redelijk vlak, maar begon al snel licht te stijgen. Er liepen hier nog steeds veel mensen over de weg. Van de Canyon de Ordesa kon nu niet veel gezien worden want de weg liep steeds door het dichte loofbos in de bodem van het dal. Af en toe maakte de weg ook een haarspeldbocht. Je hoorde de Rio Arazas constant stromen, maar ook de rivier kwam nooit in zicht. Valle OrdesaIk passeerde enkele afslagen die tot bij de watervallen in de rivier leidde (Cascada de Arripas, Cascada de la Cueva en Cascada del Estrecho), maar ik negeerde ze en liep verder over de weg. Bij een haarspeldbocht kwam ik dan plots wel aan een uitzichtpunt. Hier zag ik de Rio Arazas en de Cascada de la Cueva. De weg liep al snel terug het dichte loofbos in en na langer dan verwacht kwam ik dan om 16h35 bij de afslag uit waar de Faja Petazals Los Canarellos begint. Hier nam ik het pad dat steiler het bos in klom. Na een tijdje wanneer ik aan de verticale rotswand uitkwam, liep het pad glooiend verder net onder de rotswand. Ik liep nu al hoog boven de bodem van de vallei. Af en toe had je een mooi uitzicht tussen de naald– en loofbomen door over een stuk van de canyon.

Na een hele tijd draaide het pad dan uiteindelijk het dal van de Cico de Cotatuero in. Hier werd het landschap plots ruwer. Hier groeiden enkel nog naaldbomen en onder aan de rotswand lagen onbegroeide puinhellingen. Ik kon van dichter bij analyseren hoe de klim naar de Circo de Cotatuero moest lopen. Ik merkte geen enkel pad op en de verticale rotswand naast de waterval, waar zich de befaamde Clavijas de Cotatuero moeten bevinden, leek totaal onoverbrugbaar. Ik nam een foto, terwijl er net een groep alpenkauwen voor me rond cirkelde en wandelde dan verder.

Circo de CotatueroHet pad liep stijgend, dan weer dalend verder over de puinhelling en langs naar beneden gevallen rotsblokken tot dicht bij de waterval, waar een kronkelende afdaling begon langs een steile rotswand naar de rivier. Hier stak ik de rivier over via een stalen brug en kwam dan in het bos uit bij een schuilhutje aan een kruispunt van paden. Ik rustte enkele minuten uit op een rotsblok en dronk nu de laatste druppels water op uit mijn waterzak. Dan volgde ik het pad dat volgens de wegwijzers naar de clavijas leidt. Dit pad klom weer kronkelend naar omhoog door het naaldbos. Na een tijdje kwam ik weer aan een splitsing uit waar ik rechts afsloeg, zodat ik het pad naar de Faja Racun negeerde. Het pad klom nu nog steiler en liep over enkele passages waar op handen en voeten over een steile rotswand naar omhoog geklommen moest worden. Mijn wandelstokken had ik ondertussen al op mijn rugzak bevestigd, want die waren nu meer een last dan een nut. Hier groeiden nu nog slechts enkele kleine naaldboompjes. Al snel kwam ik bij de Clavijas de Cotatuero uit. Het was 17h40 en er kwam net een groep Spanjaarden naar beneden, zodat ik even moest wachten. Ze hadden allemaal een klimriem aan en hadden zich beveiligd met een touw aan de kabel. Het zag er niet gemakkelijk uit. Je moest inderdaad een gang loodrecht omhoog inklimmen via stalen pinnen. Hoe het dan verder ging kon ik nog niet zien.

Toen de groep beneden was begon ik eraan. Zo’n vijf meter klom ik loodrecht omhoog door de rotsgang op de stalen pinnen. Vanaf dan liepen de pinnen horizontaal verder langs de verticale rotswand. Er was vanaf hier ook een kabel. Voorzichtig en beredeneerd zette ik mijn voeten telkens één voor één verder op de volgende pin, terwijl ik me goed vast hield met mijn handen aan de kabel of een hoger aangebrachte pin. De voet van de rotswand lag een tien tot twintig meter onder mijn voeten. Na ongeveer tien meter langs de rotswand gezweefd te hebben kwam ik veilig uit op een rots. De passage was uiteindelijk niet al te moeilijk, maar het was wel indrukwekkend. Tot mijn verbazing verscheen slechts een twintig meter voor me het bovenste gedeelte van de waterval. Ik was zo goed als boven. Na nog over enkele rotsblokken omhoog te klimmen kwam het pad nu in de Circo de Cotatuero uit, net naast de plaats waar de rivier zich naar beneden stort. Er staat hier geen enkele boom meer. Wat verder in de circo was er nog een brede waterval, waarna de Barranco de Millaris en de Barranco de Cotatuero in elkaar uitmonden. Het was een raar gezicht. De twee beken stromen hier rustig en langzaam door de vlakte en plots verdwijnt al het water bruusk in de afgrond. Ik volgde het pad verder tot bij de brede waterval, waar ik het pad eventjes verliet en mijn waterzak vulde uit de waterpoel onder de waterval. Dan liep ik weer verder. Het pad klom eventjes omhoog en kwam dan op een wat hoger gelegen terras uit boven de vlakte waar het verder door het gras liep. Hier was het pad niet meer zo duidelijk, maar af en toe stond er nog een steenman. Nadat ik het terras doorkruist had, kwam ik weer bij de Barranco de Cotatuero uit, die zich hier klaterend naar beneden stort langs de helling. Ik stak de beek over en verloor dan elk spoor van een pad. Ik merkte ook nergens nog een steenman op. Ik besloot dan om maar verder te blijven wandelen langs de helling. Niet veel verder kwam ik uit bij een vlakke plek achter een rotsrichel. Ik twijfelde geen moment en stopte hier om mijn tent op te stellen. Het was ondertussen al 19h20.

Daarna maakte ik het avondeten klaar en wanneer ik alles op had was het al donker aan het worden. Ondertussen waren er steeds meer en meer wolken verschenen die de hemel geleidelijk helemaal bedekten. De top van Punta Tobacor verdween in de wolken. Ik wist dat dit geen teken was van slecht weer, maar had gemerkt dat de wind nu in tegenstelling tot de voorbije dagen niet meer uit het noorden waaide, maar vanuit het Spaanse binnenland. Daarom was het vandaag al zo opmerkelijk warmer. Ik kon uiteindelijk gaan slapen om 20h40 na een lange en vermoeiende dag.

« Older entries