Afstand : 21,3km
Duur : 8h40
Klimmen : 1522m
Dalen : 1692m
Bergpassen : Col d’Arraillé (2583m), Col des Gentianes (2729m)
De voorlaatste dag breekt aan. Vermits ik gisteren niet verder was getrokken naar het Vallée du Lutour, zou vandaag een redelijk lange dag gaan worden. Eerst over de Col d’Arraillé (2583m) het Vallée du Lutour in, om dan op een hoog pad te blijven op weg naar de vele bergmeertjes in de Cirque d’Estom. Maar het eigenlijke doel vandaag was de Col des Gentianes (2777m), een hoge bergpas achteraan in de Cirque d’Estom die een prachtig uitzicht biedt op de oostkant van de Vignemale en de Glacier d’Ossoue, de nog meest volmaakte gletsjer die de Pyreneeën rijk zijn. Daarna zou ik terugkeren en naar de bodem van het Vallée du Lutour afdalen om daar ofwel weer te klimmen naar twee hoog gelegen bergmeren die verborgen liggen op de westelijke flank van de vallei, de Lacs d’Estibe Aute (2324m), ofwel naar de Refuge Russell (1980m), een onbemand berghutje reeds hoog gelegen op de oostelijke flank van het Vallée du Lutour onder de Cirque de Culaus. Wat het ging worden zou voornamelijk van mijn stemming gaan afhangen.
De voorlaatste dag breekt aan. Vermits ik gisteren niet verder was getrokken naar het Vallée du Lutour, zou vandaag een redelijk lange dag gaan worden. Eerst over de Col d’Arraillé (2583m) het Vallée du Lutour in, om dan op een hoog pad te blijven op weg naar de vele bergmeertjes in de Cirque d’Estom. Maar het eigenlijke doel vandaag was de Col des Gentianes (2777m), een hoge bergpas achteraan in de Cirque d’Estom die een prachtig uitzicht biedt op de oostkant van de Vignemale en de Glacier d’Ossoue, de nog meest volmaakte gletsjer die de Pyreneeën rijk zijn. Daarna zou ik terugkeren en naar de bodem van het Vallée du Lutour afdalen om daar ofwel weer te klimmen naar twee hoog gelegen bergmeren die verborgen liggen op de westelijke flank van de vallei, de Lacs d’Estibe Aute (2324m), ofwel naar de Refuge Russell (1980m), een onbemand berghutje reeds hoog gelegen op de oostelijke flank van het Vallée du Lutour onder de Cirque de Culaus. Wat het ging worden zou voornamelijk van mijn stemming gaan afhangen.Die ochtend werd ik vroeg gewekt om tien voor zeven en stond meteen op. Het was 2°c in mijn tent. Buiten was het nog eerder nacht dan dag, maar dat veranderde snel. Ik wou vooral klaar staan om te kunnen aanschouwen wat de zon met de Vignemale ging doen want vorig jaar kleurde de bleke kalksteen van de Vignemale oranje toen de eerste ochtendstralen van de zon de top raakten, maar deze keer was dit niet erg het geval.
Het weer was weeral prachtig. Opnieuw een staalblauwe hemel en geen enkel spoor van een wolkje te herkennen desondanks dat er gisteren veel hoge cirruswolken aanwezig waren. Wind was er niet. Het was dan ongeveer kwart voor negen toen ik vertrok na ontbeten te hebben, tent afgebroken en rugzak klaargemaakt te hebben.
De Spanjaarden hadden er vandaag blijkbaar nog geen zin in want zij sliepen nog. Over de vlakte liep ik naar de Refuge de Gaube (2151m) om daar het stenige pad op te nemen dat al gauw matig steil stijgend en met brede zigzaggen naar boven loopt naar de Hourquette d’Ossoue (2734m), een bergpas waar ik nu wel niet naar toe moest. Vorig jaar had ik hier reeds gelopen, maar toen al afdalende komende van de Hourquette d’Ossoue. Nu zal ik ongeveer halfweg afslaan op de klim naar de Col d’Arraillé (2583m).
En daar was ik een goed half uur later. Gele bordjes wezen de weg aan. Ik sloeg links af en het pad stootte al gauw op een slagveld van granietblokken. Hier liep ik langzamer verder over de rotsblokken de steenmannetjes volgend in een steeds woester decor met de kleine glasheldere Lacs d’Airraillé rechts van me, eveneens omringd door granieten woestenij en de Vignemale op de achtergrond, nog steeds zijn aandacht opeisend. Maar dat verdween geleidelijk, want na een eerder vlakkere zone begon nu een steile klim die een couloir in drong waar niet zo veel hoger, na doorheen een nauwte in de couloir te zijn geklommen, de Col d’Arraillé (2583m) bovenaan als een nauwe bres reeds te zien was. Langzaam aan klom ik over de grote rotsblokken verder en niet veel later omstreeks tien over tien kwam ik op de col aan. Veel kon hier nog niet van het Vallée du Lutour gezien worden want ook aan de andere kant van de col lag een vrij open en lange couloir die toch het zicht op de vallei ontnam. Ook langs deze kant vielen uitgestrekte woeste puinhellingen tot beneden in de couloir. Rechts bovenaan lag zelfs nog een klein sneeuwveld. De granietblokken waren hier wel opvallend kleiner. Hier op de col moest ik nu noodgedwongen op zoek naar een plek voor een grote boodschap en dus ook op zoek naar gras dat hier gelukkig te vinden was tussen enkele rotsblokken. Daarna rustte ik nog enkele minuten uit alvorens ik weer vertrok.
De route daalde in eerste instantie een stuk zeer steil over losliggende stenen naar beneden om dan op een pad uit te komen dat vrijwel vlak over de puinhelling in de linker kant van de couloir verder liep. Een eindje verder kwam ik vervolgens aan de eerste haarspeldbocht en vanaf hier begon het pad weer te dalen, niet al te steil via brede zigzaggen. Van het Vallée du Lutour bleef vrijwel niets zichtbaar. Na goed 450m afdalen steeds over de woeste puinhelling in de linkerkant van de couloir kwam ik nu beneden in de couloir uit. Hier splitste het pad. Links daalde een pad verder naar het Lac d’Estom (1800m), gelegen beneden in het Vallée du Lutour. Maar omdat ik daar nog niet moest zijn sloeg ik rechts af op een pad dat weer steil zigzaggend naar omhoog steeg. De puinhelling maakte hier plaats voor een helling gedomineerd door gras en uitstekende rotsen. Een fransman kruiste net niet mijn pad. Hij kwam van beneden en vervolgde zijn weg naar de Col d’Arraillé.
Lang duurde het klimmen niet want na een poosje liep het pad vlak langs de steile helling verder naar het oosten met nu een prachtig uitzicht over het Vallée du Lutour met daarin vooraan het Lac d’Estom en achteraan lieflijke met naaldbomen begroeide hellingen. Op de bergkam rechts boven de vallei was de Pic d’Ardiden (2988m) duidelijk te herkennen.
Morgen zal ik deze berg beklimmen. Een bordje langs het pad maakte duidelijk dat deze route vroeg op het seizoen mogelijk versperd is door sneeuwvelden en met mogelijk lawinegevaar. Niet veel verder kwam ik vooraan beneden in de Cirque d’Estom aan. Het pad liep nu langsheen enkele plasjes door het korte gras naar de beek die het water van de hier hoger gelegen bergmeren via enkele watervallen wegvoert naar het Vallée du Lutour achter me. Ik stak de beek over en na een korte klim kwam ik aan het eerste meer aan, het fel blauwe Lac de Labas (2281m) gedomineerd door de Pic d’Estom Saubiran (2829m) op de achtergrond. Hier liep ik even van het pad vandaan en zette me in het gras om mijn middagmaal reeds te houden, hoewel het nog maar 11h40 was. Enkele dagjesmensen passeerden terwijl ik mijn maaltijd aan het nuttigen was. Na nog wat rusten vervolgde ik weer mijn weg. Na weer een korte klim kwam ik aan de westelijke punt van het grotere ronde Lac des Oulettes d’Estom Soubiran (2360m) aan, waar ik over rotsblokken de beek overstak die uit het meer stroomde naar het Lac de Labas dat rechts beneden nu net uit het zicht verdwenen was. Het pad vervolgde even langs de oever in zuidoostelijke richting en klom dan steil van het meer weg. Zo kwam ik weer hoger uit bij het volgende meer dat plots voor me opdoemde toen het pad tot dicht bij het beekje was geklommen. Op de punt waar het beekje het meer verliet kwam ik aan.
Dit was het Lac Couy (2445m), een kleiner ovaalvormig meer dat wellicht het mooiste meer is van al de bergmeren in de Cirque d’Estom. Het pad liep enkele meters boven de oever verder en klom vervolgens weer van het meer weg tot ik op een rotsrichel uitkwam achter het Lac Couy. Hier wezen enkele steenmannetjes de weg verder. Achter de rotsrichel lag een kleine vlakte waardoor de kleinere beek stroomde op weg naar het Lac Couy. Op de vlakte lag hier ook een klein meertje welke geen naam draagt op de kaarten. Ik was reeds ver de Cirque d’Estom ingewandeld en Malh Arrouy (2965m) en Soum d’Aspe (2968m), de twee hoogste toppen die de Cirque d’Estom begrenzen, toornden hier nu vlak voor me uit. De steenmannetjes leidden me naar de rechterkant van de kleine vlakte waar ik plots een puinhelling diende op te klimmen. Zo kwam ik een eind verder hoog boven een kloof terecht waarin beneden de beek stroomde die achter me op de kleine vlakte uitkwam. Het pad klom nu steil verder over rots met de kolkende beek diep beneden. Op een bepaald stuk moest ik met handen en voeten omhoog klimmen over de steile rotsen tot links van me het trogvormige uiteinde van een meer tevoorschijn kwam. Na nog enkele meters klimmen verscheen het uitgestrekte Lac Glacé (2570m) voor me.
Dit grote ronde meer had een erg donker blauwe kleur en leek zeer koud en diep. Het heeft zijn naam zeker niet gestolen. Hoogstwaarschijnlijk blijft dit meer tot een stuk in de zomer nog met ijs bedekt. Daarnaast lag het nog eens ingebed in een erg grijze omgeving. Groen was hier niet veel meer aanwezig, overal grijze rotsen en puinhellingen. De Col des Gentianes (2777m) was nu rechts boven het meer te zien. De col leek meer een breed zadel.
Ik vervolgde de route verder die nu een eindje boven de meeroever liep. Niet voor lang want slechts enkele tientallen meters verder wezen de steenmannetjes me erop om een bocht naar rechts te maken en over rotsig terrein van het meer weg te klimmen. Doorheen ruig terrein klom ik zo naar een heuvelrug reeds hoog boven het Lac Glacé. De Col des Gentianes verdween nu uit het zicht. Op de heuvelrug vond ik nog enkele schaarse steenmannetjes die me geleidelijk de depressie inleidde achter de heuvelrug. Hier bevond zich weer een slagveld van rotsblokken en ik vond ook geen steenmannetjes meer. De kaart hield ik niet boven. Ik besloot om in de depressie af te dalen en vervolgens doorheen een nauw dalletje, dat achteraan in de depressie begon, verder te trekken tussen de heuvelrug en de berghelling. Langzaam daalde ik over de rotsblokken de depressie in en kwam dan bij de ingang van het dalletje terecht. Hier zag ik een eindje verderop een steenmannetje staan. Mijn intuïtie had me dus niet fout gestuurd. Tussen grote rotsblokken door, die hier op de bodem van het dalletje lagen, trok ik verder tot ik plots tot mijn verbazing bij de uitgang van het dalletje voor een klein meertje stond. Dit meertje is ook aangeduid op de kaarten, maar er staat geen naam bij vermeldt en ik had er ook nooit aandacht aan besteed zodat ik vergeten was dat er na het Lac Glacé nog een meertje ligt. Uit de boeken van Ton Joosten kwam ik te weten dat het meertje Lac du Col de Gentianes (2650m) heet. Het had een vrijwel perfecte ronde vorm en leek niet zo diep. In tegenspraak met hoe de route staat aangegeven op de kaarten, nam ik nu een bocht naar links en trok vlak langs de oever over de rotsblokken verder terwijl ik kon merken dat er kleine visjes in het meertje rondzwommen. Dit vond ik wel zeer uitzonderlijk. Een meertje dat op 2650m hoogte ligt en nog leven bevat in de vorm van visjes kom je niet zo vaak tegen. Vooral het feit dat er geen beekje het meertje uitstroomde deed me de vraag rijzen hoe die visjes hier ooit terecht zijn gekomen.
Ik zag in elk geval de Col des Gentianes terug liggen. Na één vierde van de gehele omtrek van het meer te zijn gevolgd klom ik het verlengde van de eerdere heuvelrug op over kleine rotsblokken die niet zo stabiel lagen en daar kwam ik dan terug een steenmannetje tegen nadat ik er geen meer gezien had vanaf het meertje. Het werd nu duidelijk dat de heuvelrug wel eens een oude morenewand kon zijn. De steenmannetjes leidden me over de heuvelrug naar de berghelling die vervolgens schuin naar links opgeklommen werd. De Col des Gentianes verdween nu weer uit het zicht. Na een heel eind klimmen doorheen het rotsig terrein werd de berghelling opnieuw vlakker en doemde de brede Col des Gentianes weer voor me op, maar dit keer vlak voor me. Doorheen vriendelijker terrein klom ik de laatste meters naar de col waar ik vervolgens overdonderd werd door het zicht aan de overkant. Het was nu omstreeks half twee. Ik wist dat het zicht op de Vignemale (3298m) van op de Col des Gentianes erg mooi moest zijn. Ik was inderdaad sprakeloos.
Dit was nog geweldiger dan ik me had voorgesteld. Ik liep een eindje de col over en zo kwam er een stukje lager een klein meertje tevoorschijn dat blijkbaar minder water bevatte dan normaal het geval zou moeten zijn. Dit plaatje was prachtig: het kleine meertje beneden, het witte kalksteen van het Vignemale Massief met het nog wittere ijs van de spletenrijke Glacier d’Ossoue, misschien wel de mooiste gletsjer in de Pyreneeën, het morenepuin eronder en dan nog de donkere gesteenteband nabij de toppen. Rechts dan de bruine gesteentesoort welke ik nog steeds niet dadelijk kan thuisbrengen. Hierin de Hourquette d’Ossoue (2734m) met eronder de hoogst gelegen berghut van de Pyreneeën als een klein stipje, de Refuge de Bayssellance (2651m). En dan de begrenzing tussen de bleke kalksteen en het bruine gesteente, een kaarsrechte lijn in het landschap. Niet alleen de noordwand van het massief maakt indruk, ook de oostkant.
Ik liet mijn rugzak op de col achter en klom links de helling op in de hoop misschien een veilige weg te kunnen vinden naar de Pouey Mourou (2848m), de berg ten zuiden van de Col des Gentianes. Over rotsen bereikte ik de bergkam waar een weids zicht zich opende op de Cirque de Gavarnie en met een erg steile afgrond naar beneden. De top van Pouey Mourou lag rechts. Ik klom nog even langs de kam over de rotsen steil verder maar wat hogerop zag ik dan dat de top van Pouey Mourou alpinistenwerk is en stopte ik dus met verder klimmen. De Vignemale lag nu verborgen achter de top van Pouey Mourou. Het uitzicht op de Cirque de Gavarnie had ik toch en daar was het me tenslotte om te doen. Maar ik zag nog veel meer. Verder weg kon ik La Munia (3133m) zien, de hoogste top in de Cirque de Troumousse en in het zuiden zag ik vlak naast de top van de Pouey Mourou het oostelijke deel van de Sierra de Tendeñera met de Pico de Tendeñera (2853m) waar ik eergisteren nog op de top op de uitkijk heb gestaan. Aan de andere kant een heel ander gezicht. Malh Arrouy (2965m), Soum d’Aspe (2968m) en Pic Sud d’Aspe (2924m), de drie hoogste toppen die de Cirque d’Estom omzomen, met een eerder bescheiden uitzicht en beneden aan de voet het donker blauwe Lac Glacé (2570m), ingebed in die ruige grijze omgeving. Een mooi uitzicht.
Ik keerde terug naar de Col des Gentianes, genoot daar nog even van de Vignemale en keerde vervolgens terug. Over het ruige rotsterrein daalde ik weer af naar het Lac du Col de Gentianes (2650m). Hier stopte ik weer even om mijn watervoorraad aan te vullen want op de Col des Gentianes had ik het allerlaatste water uit mijn waterzak opgedronken. Na het vullen dronk ik met het colaflesje nog een goeie halve liter van het meerwater rechtstreeks op. Regelmatig sprongen er visjes op uit het water zodat er vrijwel steeds kringetjes van golfjes op het meertje te zien waren.
Na zo’n goed kwartier vertrok ik weer op pad. Na weer doorheen de depressie te trekken en vervolgens de heuvelrug op te gaan om vanaf daar weer de steenmannetjes afdalend te volgen, kwam ik weer nabij de oever van het Lac Glacé (2570m) uit. Hier nam ik weer de ijle route naar beneden boven de kloof zodat ik na het passeren van de kleine vlakte met het kleine meertje weer bij het Lac Couy (2445m) uitkwam.
Nu pas nam ik tijd om een foto te nemen van dit meer met de Pic d’Estibe Aute (2815m) op de achtergrond. Tijdens de afdaling van het Lac Couy naar het Lac des Oulettes d’Estom Soubiran kwam ik nog enkele dagjesmensen tegen die een rustpauze hielden een stuk van het pad vandaan. Eén van hen kwam naar me toe om te vragen of het nog lang was naar het Lac Glacé. “Une demi heure environ,” antwoordde ik. Dat leek zelfs precies te lang naar zijn zin. Ik daalde verder af en kwam snel weer bij het Lac d’Estom Soubiran (2360m) aan, gevolgd door het laatste meer, het Lac de Labas (2281m). Vandaar liep het pad nog even met de beek mee tot aan enkele kleine plasjes, het punt waar ik daarstraks op de route uitkwam die van uit het Vallée du Lutour komt gestegen. Hier zal ik nu dus rechts houden om zeer steil de Cirque d’Estom uit te dalen het Vallée du Lutour in.
De afdaling werd steeds steiler en liep al gauw over granietblokken en vaste rots. Snel ging het niet vooruit. Mijn wandelstokken waren weer eens een grote hulp in deze lastige afdaling. Beneden kwam het Lac d’Estom tevoorschijn. Geleidelijk liep het pad kronkelend naar beneden doorheen struikgewas en rotsblokken steeds erg steil. Na een hele tijd kwam ik dan beneden op de hellende dalbodem van het Vallée du Lutour aan. Het pad was hier onduidelijk en moeilijk te vinden want overal groeide hier op de vochtige bodem een dichte begroeiing van hoefblad, een plant met grote bladeren. De beek lag nu links van me waar ik stilaan dichter bij kwam. Vervolgens stak ik het water over en kwam dan op gras terecht. Hier liep ik gewoon verder pal naar het Lac d’Estom toe. Een vijf minuten later kwam ik nabij de zuidpunt van het meer aan. Het pad dat naar de Col d’Arraillé loopt, bevond zich nu enkele meters hoger links op de berghelling. Een grote groep fransen trok hier nu net naar boven. Ik liep naar het pad toe en vervolgde het verder tot ik omstreeks half vijf aan de Refuge d’Estom (1804m) aankwam nabij de noordpunt van het Lac d’Estom (1800m).
De Refuge d’Estom is een berghut gelegen op de drempel in het dal die het Lac d’Estom afdamt. De berghut had eerder het uitzicht van een klein restaurantje dan die van een berghut door de grote glazen ramen en de enkele tafels met stoelen en parasols die aan de hut stonden langs de kant van het meer.
Ik hoopte op een cola, maar de deur was op slot en niemand was binnen te zien. Een papier aan de zijkant van de berghut vermelde dat de hut gesloten was vanaf 25 september. Drie dagen te laat dus. Een eindje van de hut vandaan was wel een man bezig met het klieven van hout, misschien de eigenaar van de hut. Er stond nog een man en een vrouw bij. Ik zette mijn rugzak neer tegen een bankje aan de hut langs de kant van het meer. Vervolgens nam ik weer mijn waterzak die weeral bijna leeg was en vulde hem weer met het water aan de achterkant van de hut. Daar stond zo’n traditionele boomstam waar bovenaan water uit een buisje spoot. Dan ging ik op het bankje zitten aan de hut en rustte wat uit terwijl ik het Lac d’Estom en de bergen bekeek. Ik voelde dat ik bijna genoeg had gewandeld voor vandaag want veel energie leek mijn lichaam niet meer te bezitten.
Het meer gaf een rustgevende sfeer. Weer ongelofelijk zuiver water dat een groenachtige tint had, in tegenstelling tot de blauwe meren van daarnet hoog in de Cirque d’Estom. Vrijwel overal zag je de meerbodem die niet erg diep werd vooraan. Het wateroppervlak was vrijwel spiegelglad op uitzondering van enkele plekjes met wat rimpelend water veroorzaakt door een lokaal briesje achteraan het meer. Het weer was vandaag weer ongelooflijk. Het was behoorlijk warm, slechts even een spoor van een wolkje gezien en er stond vrijwel geen wind en dat al de gehele dag. Achter het meer verhieven de Pic de la Sède (2976m) en de Pic de Labas (2946m) zich in het tegenlicht van de zon als een muur hoog boven het dalhoofd van het Vallée du Lutour uit.
Na wat rusten trok ik weer verder. Het pad daalde nu via enkele kronkels de drempel in de vallei af naar beneden en terwijl ik afdaalde kwam ik tussen de naaldbomen terecht en in de schaduw, niet door de bomen maar de schaduw van de bergkam want de zon was reeds laag gezakt zodat de bergen hun schaduw over het Vallée du Lutour wierpen. Al snel wandelde ik in het bos tussen erg dikke en hoge naaldbomen. Rechts hoorde ik de Gave de Lutour stromen maar ik zag ze slechts af en toe met een glimp. Op regelmatige afstand was nu op rotsen langs de linkerkant van het duidelijke brede pad een wit vierkant geschilderd met daarin in het rood een gemzenkop met de letters P en N langs beide zijden. Deze tekens duiden de grens van het Parc National des Pyrénées aan want de westkant van het Vallée du Lutour behoort nog tot het nationaal park. Na een kleine honderd meter afdalen werd het pad opnieuw vlakker en liep dan doorheen open stukken met gras en wat uitstekende rotsblokken en zonder veel bochten verder doorheen de dalbodem. Verspreid groeiden groepjes naaldbomen en de berghellingen waren bekleed met naaldbos dat hier en daar onderbroken werd door een puinhelling.
Een eindje verder zou nu links een route moeten beginnen het pad vandaan en steil stijgend naar omhoog. Deze route loopt naar de hoog gelegen Lacs d’Estibe Aute (2324m) waar ik mogelijk kon bivakkeren, maar ik vond het pad of de steenmannetjes die de route konden markeren niet. Erg hard heb ik wel niet uit mijn doppen gekeken want het was al reeds vijf uur gepasseerd en doordat ik al vermoeid was stond mijn stemming meer open voor de Refuge Russell (1980m) dan voor de Lacs d’Estibe Aute vermits de onbemande berghut een stuk lager ligt dan de twee bergmeren en dus minder klimmen vormt. Uiteindelijk kwam ik al bij de Passerelle de Pouey (1552m) aan.
Dit is de kleine brug over de Gave du Lutour welke al een stuk voorbij de splitsing voor de Lacs d’Estibe Aute ligt. Ik stak de brug over en vervolgde het pad dat nu langsheen rotsblokken en struikgewas verder liep langs de rechterkant van de Gave du Lutour. Een eindje verder stopte ik dan even om op de kaart te kijken waar juist de route voor de Refuge Russell begint want straks ben ik ze weer voorbij gewandeld zonder dat ik iets gemerkt had, net zoals bij de splitsing voor de Lacs d’Estibe Aute. De splitsing was niet ver af meer. Ik nam mijn rugzak terug op en vervolgde het pad. Rechts graasden nu verspreid koeien tussen de struiken en verspreide naaldbomen. Een goeie vijftig meter verder kwam ik dan bij een bewegwijzering omstreeks 17h20. Gele bordjes met een pijl duidden Refuge Russell en Col de Culaus aan. Deze splitsing kon ik nu onmogelijk missen. Ik sloeg dus rechts af en begon meteen te klimmen terwijl ik tussen de koeien terecht kwam. Er waren ook veel kalveren bij. Na een tweehonderd meter klimmen op het smallere pad kwam ik bij de eerste haarspeldbocht. Deze nam ik naar links en klom dan matig steil over een mooi pad het bos in dat bestond uit een mengeling van naaldbomen en steeds meer berken welke reeds vele geel en oranje verkleurde bladeren telden. De laatste koe keek me nog even na tot ik in het bos verdween. De Refuge Russell ligt een goeie 450m hoger. Met deze klim zal ik dus wel naar schatting een dik uur mee bezig zijn. Na talloze haarspeldbochten kwam ik weer in de zon terecht want ik klom weer boven de bergschaduw uit die beneden het Vallée du Lutour vulde. Een heel eind hogerop werd het bos geleidelijk minder dicht en kon ik eindelijk eens regelmatig een blik werpen over het Vallée du Lutour beneden. Het pad klom stilaan minder steil en liep nu de voorkant van een vallei in, welke in feite de onderkant van de Cirque de Culaus vormt. Tussen de berkenbomen verscheen ze dan plots, de Refuge Russell (1980m) en zodoende had ik eindelijk mijn eindpunt bereikt voor vandaag. Er leek niemand te zijn. Het was nu 18h20 en ik had de klim naar het berghutje dus toch nog aan een snel tempo afgelegd. Maar toch was ik moe.
Het was een klein maar mooi berghutje met een rode metalen deur en kleine raampjes met eveneens rode metalen luiken die gesloten waren. Boven op het dak was een zonnepaneel bevestigd die elektriciteit leverde voor de bescheiden belichting in het hutje. Voor de deur stond weer een boomstam waar water uit sproot net zoals aan de Refuge d’Estom daarstraks. De top van Pic d’Ardiden (2988m) bleef net verborgen van aan de hut. Ik deed de deur open en ging naar binnen. Ik kwam in een portaal terecht waar achteraan brandhout lag gestapeld. Links was een deur die me in de binnenruimte van de hut bracht. Deze deur kon je ook op slot doen langs binnen. Het was donker in de binnenruimte en ik zag dus niet veel. Daarom ging ik weer naar buiten en opende de luiken van de twee raampjes. Weer binnen zag ik nu wel alles. In de binnenruimte stonden twee dikke houten tafels met langs weerszijden houten banken. Achteraan in de rechter hoek stond een open haard. Verder enkele waslijnen met stekkers dicht bij het plafond en langs de kant van de raampjes boven aan de muur tegen het plafond een schap met daarop heel wat potten en pannen. Rechts vooraan stond een steile metalen ladder die me naar de bovenverdieping bracht.
Ook hier was het pikkedonker maar ik vond het lichtknopje naast de bovenkant van de ladder. Na een draai aan het knopje ging het licht aan en begon er iets te tikken. Het licht springt namelijk automatisch na een tijdje uit. De bovenverdieping bestond uit een houten vloer in het midden met aan de twee zijkanten van de hut een hoop matrassen op elkaar gestapeld met daarop enkele dekens gevouwen. Hier zal ik dus de komende nacht op gaan slapen, maar dan wel met mijn slaapzak. Ik opende ook de luiken van de twee raampjes in de bovenverdieping zodat hier ook buitenlicht naar binnen scheen. Op de vensterbanken stonden heel wat kaarsjes. Dan ging ik nog eens buiten het berghutje rond. Terug in het portaal vestigde ik mijn aandacht op de betaalgleuf. Een gleuf in de muur die meer leek op een soort brievenbus en diende om je verblijf in het onbemande berghutje te betalen. Een papier erboven vertelde me dat de hut eigendom is van de Club Alpin Français. Zij onderhouden het berghutje, zorgen regelmatig ervoor dat er brandhout is enzovoort. Voor 2,50 euro mag je in ruil één nacht overnachten.
Ik ging weer de binnenruimte in en begon met het klaarmaken van het eten. Nadat mijn eten klaar was kwam ik op het idee om de open haard aan te steken want het was behoorlijk fris binnen en ook buiten begon het al snel af te koelen. Ik nam wat brandhout en boomschors uit het portaal, wierp het in de open haard en stak het aan met behulp van mijn Trangia brandertje. Het vuur schoot na een tijdje in gang en dan kon ik beginnen te eten. Het vuur gaf veel warmte af.
Na mijn maaltijd ging ik nog even naar buiten en waste me wat met het ijskoude water uit de bron. Daarna verkende ik nog even verder het pad dat van het hutje verder omhoog liep de Cirque de Culaus in want ik wou morgen zeer vroeg hier verder om de Pic d’Ardiden (2988m) te beklimmen.
Het was een klein nauw pad dat tussen het struikgewas en verspreide berkenbomen gestaag verder bergop liep. Ver heb ik het niet verkend en keerde dus weer snel naar de Refuge Russell terug. De zon was nu net achter de bergkam gedaald aan de overkant van het Vallée du Lutour. Het begon snel frisjes te worden. Ik trok weer naar binnen, ruimde mijn spullen wat bijeen en zette alles klaar om morgen vroeg zo snel mogelijk te kunnen vertrekken. Het vuur in de open haard smeulde nu naar zijn einde. Mijn bedoeling was om ergens tegen het einde van de nacht op te staan, rond half vijf, om dan de beklimming van Pic d’Ardiden in het donker af te leggen en hopelijk net op de top aan te komen wanneer de zon over de horizon komt geklommen. Een zonsopgang gezien van op een bergtop, dat wou ik beslist wel eens meemaken. De beklimming is toch niet van de poes. De top van Pic d’Ardiden ligt precies 1000m hoger vanaf de Refuge Russell en voert hoger over zeer ruig terrein. De Pic d’Ardiden zal dus nog een hele aparte belevenis gaan worden. Het was dan iets over half negen dat ik alle luiken van het hutje sloot terwijl het buiten nu al bijna pikkedonker was geworden. Vervolgens trok ik naar binnen, deed de deur van het berghutje op slot, doofde vervolgens het licht beneden en klom naar de bovenverdieping op het steile laddertje. Daar ging ik in mijn slaapzak liggen en probeerde in slaap te vallen.
Een dik uur later pas dommelde ik bijna in tot ik plots buiten stemmen van beneden het hutje hoorde naderen. Vervolgens hoorde ik mensen bij de Refuge Russell aankomen. Ze probeerden de buitendeur te openen, maar slaagden daar natuurlijk niet in vermits ik ze op slot had gedaan. De mensen raakten blijkbaar in paniek. Ik hoorde ze harder tegen elkaar roepen en rond de refuge heen wandelen. Het waren duidelijk Fransen. Wie komt er nu in godsnaam nog zo laat hier naar boven terwijl het al meer dan een uur pikkedonker is buiten. Ik kon niets anders dan maar weer uit mijn slaapzak kruipen en in de pikkedonker het lichtknopje zoeken boven de val van de steile ladder. Vervolgens kon ik mijn broek, trui en slippers snel aantrekken en naar beneden gaan.
Ik opende de buitendeur en zag een schim nabij het hoekje van de refuge. Ik riep even bonjour waarop de schim naar me toe kwam. Ik kon zijn gezicht nog niet zien in het donker, maar hij vroeg of ze binnen mochten. “Mais oui, bien sûr”, antwoordde ik. Vervolgens verschenen twee andere schimmen die aan de achterkant van het berghutje naar een ingang hadden zitten te zoeken. Ze waren dus met z’n drieën. Binnen kon ik eindelijk hun gezichten zien. Het waren twee jongens en een meisje, allen een paar jaar ouder dan ik. Ze hoorden snel aan mijn slecht Frans dat ik een buitenlander was. Ik zei dat ik Belg was en morgen zeer vroeg van plan was om de Pic d’Ardiden te beklimmen. Ze vertelden me dat ze morgen net hetzelfde van plan waren, maar niet zo vroeg natuurlijk. Lang duurde het gesprek niet want ik wou snel weer gaan slapen. Ik wenste hen nog een goeie nacht toe en ging de ladder weer op naar boven. Daar kroop ik weer mijn slaapzak in. Snel kon ik natuurlijk niet slapen door het geroezemoes van de Fransen beneden. Ze fluisterden wel, maar niet bepaald stil. Ik hoorde nog dat ze de open haard weer aanstaken en dan eten begonnen klaar te maken. Bijna twee uur lang verdorie duurde het voor ze klaar waren om te gaan slapen en al die tijd hielden ze me wakker. Zo stil mogelijk stommelden ze naar boven met z’n drieën. Ze deden het licht niet aan, maar hadden hun zaklamp bij. Ze installeerden zich op de matrassen aan de overkant en dan werd het eindelijk stil. Het was nu zo goed als middernacht en ik viel eindelijk snel en ongetwijfeld voor hen in slaap.