Pyreneeën (2004)

You are currently browsing the archive for the Pyreneeën (2004) category.

De volgende ochtend werd ik wakker omstreeks acht uur. Het was frisjes maar je kon al meteen merken dat ook vandaag weer een warme nazomerdag ging worden. Boven me was een blauwe hemel zichtbaar met enkel wat cirruswolken net als gisteren. Mijn tent was wel nat gecondenseerd. Dat heb je altijd na een windstille nacht in een vallei. Ik at eerst een ontbijt, ging me daarna wassen in het campinggebouwtje. Vervolgens brak ik mijn tent af en stopte alles in mijn rugzak. Vervolgens trok ik naar de Gare de SNCF, dat ik nog wist zijn van vorig jaar. Hier wachtte ik nog even op de bus en stapte vervolgens op na mijn rugzak in de bagageruimte gelegd te hebben. Er reisden nog heel wat mensen mee. De bus vertrok stipt om 9h50. Tijdens de reis naar Lourdes keek ik nog zoveel mogelijk naar buiten. Nabij het dorp Argèles-Gazost had ik nog een verassend zicht op de Balaïtous (3144m) doorheen het Vallée d’Estaing. Vervolgens kwamen we in Lourdes aan. Ik lette vooral op de borden die de weg aanduidden naar het heiligdom want omdat er nog voldoende tijd was tot mijn trein vertrok kon ik gerust het religieuze spektakel gaan bezichtigen. De wegwijzers wezen een weg in aan de zuidrand van de stad, maar de bus reed nu net nog heel de stad door tot aan het station dat net aan de noordrand van de stad is gelegen. Daar kwamen we aan om 10h50, weer een uur rijden van Cauterets dus.

We stapten uit waarop ik mijn rugzak nam en vervolgens mijn weg zocht doorheen de stad naar de eerste wegwijzers voor het heiligdom. Na heel de stad weer doorkruist te zijn te voet liep ik zo de weg in aan de zuidrand van Lourdes die wat verder naast de Gave de Pau liep. Een vierhonderd meter verder kwam ik dan aan de reuzenparking aan waar bussen vol ettelijke ladingen bejaarden en gehandicapten werden gedropt. Het heiligdom was nog steeds niet in zicht. De wegwijzers leidden me terug de stad in. Over een brug ging ik de Gave de Pau over, moest vervolgens naar rechts door een straat die de linkeroever van de rivier bleef volgen om dan een zeer drukke wandelstraat in te gaan die uitgaf op een pleintje.

Tussen de mensenmassa door zag ik nu dat het heiligdom voor me lag. Ik liep het binnen door één van de poorten waar enkele agenten de wacht hielden. Vervolgens liep ik met de mensenmassa mee het heiligdom rond. Er was net een soort processie bezig met een priester vooraan, gevolgd door allemaal halve gare mensen, net zoals een processie in het Vaticaan die je soms ziet op TV. De gave de Pau loopt ook midden doorheen het heiligdom. Enkele mensen waren van het pad gegaan om erin pootje te baden of om hun wijwaterflesjes met het water van de rivier te vullen. Dit is kompleet belachelijk! Je moet weten dat de Gave de Gavarnie en Gave de Cauterets in feite de Gave de Pau vormen eens ze samenkomen. Het water dat bijvoorbeeld doorheen de Oulettes de Gaube stroomt aan de noordrand van de Vignemale, stroomt hier dus ook voorbij. De mensen waren dus met andere woorden hun flesjes aan het vullen waar de Spanjaarden eergisteren in hun blote hadden in gelegen op de Oulettes de Gaube. Ferm heilig water! Ik keerde me maar om want het was veel te druk. Vrijwel iedereen die hier rondliep waren bejaarden of gehandicapten. Zelfs mensen die op sterven lagen op een brancard bracht men hier naartoe. Ik zag gekke dingen, maar dat zullen ze over mij waarschijnlijk ook gedacht hebben want velen bekeken me maar onbegrijpelijk aan. Een jonge kerel met een trekkersrugzak aan, vuile kleren en een bedenkelijk gezicht?

Die komt hier maar om te gapen en niet voor het geloof. Die gedachte kon ik zo van enkele mensen hun gezicht aflezen. Ik ging een gebouw binnen dat uiteindelijk een kerk bleek te zijn toen ik binnen was. De mis was bezig en dus zat ze stampvol. Dan heb ik me maar weer naar buiten begeven en de trappen opgegaan die me in feite in de bovenverdieping van hetzelfde gebouw leidden. Dit was geen kerk. Wat het juist moest voorstellen wist ik niet. Er waren veel beelden binnen en alles was versierd met lusters en wat weet ik nog allemaal. Het was hier gelukkig minder druk. Rustig slenterde ik heel het gebouw door en ging dan weer terug naar buiten. Al het volk was nu aan het wegtrekken. De mis was blijkbaar net beëindigd en de processie was ook al even afgelopen. Omdat het nu heel wat minder druk was ging ik eens heel het heiligdom rond buiten. Ik kwam ook voorbij de rotsen waar tientallen wagens stonden vol brandende kaarsen en de grot, de bekende grot van Lourdes. Enkel de ingang heb ik gezien want er stond een kilometers lange rij van mensen die aanschoven om binnen te kunnen. Als laatste ben ik terug de kerk in gegaan. Die was nu bijna leeg in vergelijking met daarnet. Het was een erg grote kerk, maar voor de rest zien alle kerken er voor mij hetzelfde uit. Dus ging ik weer naar buiten en ging nu naar de hoofdpoort waarlangs ik het heiligdom verliet.

Zo kwam ik in de hoofdwinkelstraat van Lourdes uit. Het ene winkeltje naast het andere, een beetje vergelijkbaar met Scherpenheuvel, met enig verschil dat het hier in Lourdes geen prullenwinkeltjes zijn. In een restaurantje at ik een omelet met frieten en daarna kocht ik nog in een winkeltje een t-shirt met een wolf op. Vervolgens besloot ik om me naar het station te begeven. De hoofdwinkelstraat lag uiteindelijk niet zo ver van het station vandaan want ik kwam al snel op een plek terecht waar ik gepasseerd was daarstraks toen ik de wegwijzers volgde naar het heiligdom. Het heiligdom lag dus ook niet zo ver van het station, wat ik ook al vermoedde toen ik ernaar op weg was daarstraks. Ik had daarstraks dus een hele omweg gelopen. De wegwijzers leidden enkel de auto’s om naar de parking. Ach ja, dan had ik nog eens extra kilometers te voet afgelegd vandaag om het te verleren. Terug in het station wachtte ik nog even op het perron tot de TGV er aankwam omstreeks 14h55 en stapte vervolgens op. Veel herinner ik me nu niet meer van de rit naar Parijs. Wat ik wel nog weet is dat ik veel geslapen had. Om 20h25 kwam de trein aan in Paris Montparnasse. Daar snelde ik weer snel de metro in naar Paris Nord. Vervolgens heb ik daar nog een lange tijd moeten wachten voor de Thalys naar Brussel die om 21h55 afreisde.

Op de Thalys zat ik aan het raam en naast een mevrouw. Een paar plaatsen verder zaten zakenmensen. Het waren Walen en één van hen was strontzat. Hoe liep van hier naar ginder op de trein, viel mensen lastig en brabbelde van alles en nog wat zowel in het Frans als in het Vlaams, maar dan wel met een ferm Frans accent. Het was wel grappig. In Brussel aangekomen was het 23h20. Hier ontmoette ik nu weer mijn ouders die me aan het opwachten waren. Tenslotte reden we weer naar huis en daarmee eindigt dit avontuur helemaal. Mijn derde trektocht en de tweede in de Pyreneeën was één die ik denk niet gauw meer mee te maken. Voornamelijk het weer was gedurende de tien dagen uitzonderlijk prachtig op uitzondering van die ene dag waarop het even regende en stormde ’s nachts. Maar dat verdwijnt in het niets tegenover al die zonnige dagen waarbij steeds het zicht erg goed bleef. Ik had gehoopt om de eerste herfstkleuren te kunnen meemaken. Daarom was ik ook helemaal op het einde van september gegaan. Hier en daar had ik wel enkele plekjes gepasseerd waar sommige plantjes hun herfstooi reeds twijfelachtig ten toon hadden gespreid, maar nu weet ik dat de herfstmaand in de Pyreneeën toch oktober is net zoals bij ons. Het zal niet lang meer duren voor ik de Pyreneeën eens bezoek in oktober. Voornamelijk de beklimmingen en uitzichten van op de bergtoppen als Picos del Infierno (3082m), Gran Facha (3005m), Garmo Negro (3051m), de avondbeklimming van Pico de Bacias (2758m), Pico de Tendeñera (2853m) en de half nachtelijke beklimming van Pic d’Ardiden (2988m) behoren tot de mooiste hoogtepunten alsook de overnachtingen aan de vele meertjes waarvan het Ibon Azul Superior (2410m) en het Lac de la Fache (2420m) de twee prachtigste bivakplekjes geboden hadden. Ook mijn tweede overnachting op de Oulettes de Gaube onder de nog steeds indrukwekkende noordwand van de Vignemale mag niet vergeten worden.

Daarnaast mag ik niet ontkennen dat de laatste dagen een beetje mentaal zwaar waren geweest. Vooral de drie laatste dagen was mijn zin om verder te trekken soms getemperd. Dat had er vooral toe geleid dat ik de laatste dag niet meer naar de Lacs d’Estibe Aute ben getrokken en in de plaats daarvan meteen naar Cauterets was afgedaald. Dit is iets waar ik de volgende keer beslist rekening mee ga houden. Af en toe minder lange dagen maken en meer rust inlassen kan dit zeker verhelpen. En voor de rest, rest er me nog maar één ding te zeggen: tot volgend jaar Pyreneeën!

Afstand : 17,8km
Duur: 7h50

Klimmen : 1068m
Dalen : 2138m

Bergtoppen : Pic d’Ardiden (2988m)

In de loop van de nacht werd ik wakker. Hoe laat het precies was wist ik niet. Eén van de Fransen snurkte toch behoorlijk. Ik voelde aan dat ik hier niet meer in slaap ging vallen en keek dus op mijn horloge hoe laat het was. Bijna half vijf was het en dus nog even en mijn alarm zou gaan aflopen. Met mijn horloge in mijn hand heb ik dan verder zitten rusten met mijn ogen dicht steeds met het Franse gesnurk aan de overkant. Wanneer het alarm dan afliep drukte ik het snel af met mijn vinger om de Fransen niet te wekken. Nog even bleef ik liggen om dan mijn zaklamp te nemen en in het licht ervan mijn broek en trui aan te trekken. Vervolgens nam ik mijn slaapzak mee en stommelde zo stil mogelijk naar beneden. Eén van de Fransen was wakker geworden, ik vermoedde het meisje.

In de loop van de nacht werd ik wakker. Hoe laat het precies was wist ik niet. Eén van de Fransen snurkte toch behoorlijk. Ik voelde aan dat ik hier niet meer in slaap ging vallen en keek dus op mijn horloge hoe laat het was. Bijna half vijf was het en dus nog even en mijn alarm zou gaan aflopen. Met mijn horloge in mijn hand heb ik dan verder zitten rusten met mijn ogen dicht steeds met het Franse gesnurk aan de overkant. Wanneer het alarm dan afliep drukte ik het snel af met mijn vinger om de Fransen niet te wekken. Nog even bleef ik liggen om dan mijn zaklamp te nemen en in het licht ervan mijn broek en trui aan te trekken. Vervolgens nam ik mijn slaapzak mee en stommelde zo stil mogelijk naar beneden. Eén van de Fransen was wakker geworden, ik vermoedde het meisje.Beneden deed ik het licht niet aan, maar nam enkele kaarsen die hier nog stonden en stak ze aan met mijn aansteker. In het kaarslicht propte ik mijn slaapzak nu in zijn hoes en at haastig een hardkek met wat confituur. Daarna pakte ik mijn rugzak volledig in. Maar alvorens ik volledig alles ingepakt had, trok ik al even naar buiten om mijn gezicht fris te wassen aan de bron. Ik had mijn trui aan. Het was ijskoud buiten zoals ik verwacht had. Je voelde duidelijk aan dat het vroor en het bronwater was pas echt ijskoud. Snel trok ik weer naar binnen zonder goed rond gekeken te hebben buiten.

Alles bijeen duurde het toch langer dan verwacht voor ik vertrekklaar was. Het was tien voor zes toen ik weer naar buiten kwam met mijn rugzak en de buitendeur van de refuge sloot. Op de kou was ik voorzien want ik had al mijn kleren aan: onderhemd, hemd, trui, gore-tex jas en daarbovenop muts en handschoenen. Een zwak briesje blies vanuit de Cirque de Culaus, de anabatische wind dus. Het was eigenlijk niet zo donker buiten want het was net bij toeval volle maan. Na goed kijken zag ik wel dat er een hele sluier cirruswolken hing, maar daar kon het maanlicht vrijwel ongehinderd de bergen doorheen beschijnen. De contouren van de bergen staken fel af tegen de met vele sterren gevulde nachtelijke hemel. Op de grond zag je wel niet ver en daar had ik ook aan gedacht. Ik had slechts één van mijn paar wandelstokken in de hand. De andere had ik op mijn rugzak gestoken. Het doel hiervan was om zo één hand vrij te hebben voor mijn zaklamp waarmee ik zo het pad kon beschijnen. Ik vertrok op weg en al snel doofde ik mijn zaklamp weer. Het maanlicht gaf genoeg licht om zonder zaklamp mijn weg te vinden. Het pad was zonder problemen te volgen, maar waar ik mijn voeten steeds neer plantte zag ik wel niet altijd duidelijk in de schemering. Met één stok klom ik zo gestaag verder over het kleine paadje tussen de struiken en kleine berken. Het zacht lawaai van het fonteintje van de bron aan de Refuge Russell doofde geleidelijk uit achter me en zo werd het muisstil. Dit was prachtig. Al snel verdwenen de berkenbomen en volgden hier en daar verspreidde naaldboompjes. Zo kwam ik beneden midden in de Cirque de Culaus terecht. Dit had wel iets aparts. ’s Nachts doorheen de bergen wandelen is een bijzondere belevenis. Die stilte, die er anders overdag soms ook wel is, is toch veel nadrukkelijker ’s nachts. Een eind verder in de Cirque de Culaus zou het pad voor Pic d’Ardiden (2988m) naar links afbuigen om dan de nis uit te klimmen naar de Brèche des Agudes (2566m), een bres in de schouder die van de top van Pic d’Ardiden steil naar het zuidwesten afdaalt. Een ander pad blijft echter rechtdoor lopen door de bodem van de Cirque de Culaus en komt uit op de Col de Culaus (2565m), een col die een verbinding vormt naar het Vallée de Cestrède dat nabij het dorpje Gèdre in het Vallée de Gavarnie uitloopt. Van deze laatste route had ik niks gemerkt in het donker want na een poosje was ik al steiler noordwaarts aan het klimmen van de bodem van de Cirque de Culaus vandaan. De top van Pic d’Ardiden, een heel eind hoger rechts van me, loerde als een heerser over de Cirque de Culaus. Niet veel verder, waar het pad weer naar rechts was gedraaid stopte ik even om te drinken en nam dan mijn tweede stok van mijn rugzak. Het was nu steiler klimmen en dat vlotte duidelijk beter met behulp van mijn beide stokken.

Na enkele zigzags kwam ik na het laatste naaldboompje gepasseerd te zijn een heel stuk hoger bij een blokkenveld uit reeds dicht onder een rotswand die de lange zuidwestelijke schouder vormt van Pic d’Ardiden. Ondertussen waren de meeste sterren verdwenen. De nachtelijke hemel begon stilaan een donker blauwe kleur te vertonen en de cirruswolken trokken weg naar het oosten. Stilaan begon het lichter te worden. Nog ongeveer een uur en de zon zal gaan opkomen. Het werd al duidelijk dat ik te laat ging zijn om de zonsopgang op de top te kunnen meemaken.

Op de granietblokken waren hier en daar steenmannetjes geplaatst. Gelukkig begon het nu net lichter te worden en kon ik nu duidelijk zien waar ik liep. Over het slagveld klom ik langzaam hogerop in noordoostelijke richting. De steenmannetjes waren wel niet al te dik bezaaid ofwel zag ik ze niet allemaal. Toch kwam ik na een poos al snel onder de Brèche des Agudes uit, die aanvankelijk uit het zicht was gebleven. Zeer steil klom ik het laatste stuk naar boven over los gesteente en kwam dan in de bres uit. Het was nu 7h30. Ik plaatste mijn rugzak en leki’s tegen de rotsen in de bres en deed mijn handschoenen uit. Vervolgens keek ik even snel rond. Hier had ik nu een verrassend zicht op Cauterets (910m) diep beneden in de verte. Als de straatverlichting niet brandde dan kon je het zelfs moeilijk opmerken in het donkere dal. Dagen geleden begon alles ginds. Vandaag zal ik nog van de top van Pic d’Ardiden helemaal gaan afdalen naar Cauterets, een afdaling van meer dan 2000m! In het zuiden was de Vignemale (3298m) nu zichtbaar geworden, alsook het dalhoofd van het Vallée du Lutour en de Cirque de Culaus beneden. De cirrusbewolking was ondertussen afgenomen en de volle maan was nu tot dicht bij de horizon gedaald in het westen. De zon was nog niet opgekomen, maar de bergwereld leek al opvallend lichter te zijn terwijl de dalen beneden erg donker bleven.

In de Brèche des Agudes liet ik nu mijn rugzak en wandelstokken achter want nu ging het ruigste deel van de klim beginnen, over rotsen en rotsblokken steil omhoog net onder de schouder langs de noordelijke zijde ervan. De eerste meters van de bres vandaan maakte de route een travers langsheen een steile rotswand. Hier was het even voorzichtigheid geblazen om veilig het stuk over te steken. Daarna klom ik steil omhoog over een vaag pad tussen puin en rotsblokken enkele meters onder de kam van de schouder. Hier en daar vond ik nog een klein steenmannetje. De top van Pic d’Ardiden bleef onzichtbaar en daarom was het moeilijk in te schatten hoe lang de klim nog zou duren.

Een eind hogerop verschenen in het westen de bergen achter de bergkam aan de overkant van het Vallée du Lutour.Grande Fache & Balaïtous Zo kwamen bekende bergen tevoorschijn waar ik tijdens het eerste deel van de trektocht dicht bij was geweest en ook die toppen die ik beklommen had, zoals Garmo Negro (3051m), Picos del Infierno (3082m) en Gran Facha (3005m). De Balaïtous (3144m) verscheen ook uiteraard en de aanblik van zijn oostkant met daarop de duidelijk te herkennen Glacier de las Néous was me tot nu toe vreemd geweest. Sterren waren inmiddels niet meer zichtbaar en een roze gloed had zich ondertussen genesteld aan de horizon in het westen. Ik bevond me nu boven 2600m en nog steeds stond er zeer weinig wind.

Er was nu geen sprake meer van een te volgen gemarkeerde route. Steenmannetjes kwam ik niet meer tegen en daarom klom ik over de rotsblokken stilaan dichter naar de kam. Een stuk hoger kwam ik zo pal op de kam uit. De andere kant was een vrijwel loodrechte afgrond, met beneden wilde puinhellingen die tot dicht naar de bodem van de Cirque de Culaus vielen. Links van de kam klom ik geleidelijk verder en klom af en toe weer tot op de kam om de Vignemale aan de andere kant in de gaten te houden. Dit deed ik niet zomaar. De Vignemale (3298m) is de hoogste top die zichtbaar is tijdens de beklimming en zal dus hoogstwaarschijnlijk als eerste zon vangen wanneer de zon opkomt. En niet veel later gebeurde ook wat ik verwacht had.

Een oranje gloed had te top van de Vignemale gevangen en breidde zich langzaam naar beneden uit. VignemaleAl snel vingen de zonnestralen ook de andere toppen in het massief zoals Cerbillona (3247m) en Pic de Montferrat (3219m). Na de Vignemale volgden Picos del Infierno (3082m) en Balaïtous (3144m) ook hetzelfde tafereel tot na een tijdje de ochtendgloed aan kleur verloor. In al die tijd dat ik dit schouwspel kon gade slaan klom ik gestaag verder met af en toe een pauze om de bergwereld te observeren. Na een heel eind op de kam begon dan alles nog steiler te worden. De granietblokken kregen af en toe afmetingen die de grootte van een auto benaderden. Met handen en voeten klom ik nu behoorlijk steil verder van de ene koude rotsblok op de andere. En dit bleef maar duren want de top kwam nog steeds niet in zicht. Volgens mijn hoogtemeter zat ik zelfs nog maar net voorbij 2800m. En effectief, na onmenselijk lang deze enorme granietblokken te trotseren kwam ik dan eindelijk op de top aan die pas tegen het einde van de klim zichtbaar werd. Pas nu kon de laagstaande zon me ook beschijnen. Het was nu enkele minuten voor half negen en ik stond op de top van Pic d’Ardiden (2988m) waar ik nu eens flink uitblies en me neerzette op een rotsblok om de bergwereld gade te slaan. Pic d'ArdidenHet was koud op de top. Het vroor zeker vijf graden en er stond een zwakke bries uit het westen. Ook de top bestond uit grote granietblokken en was zo’n tien meter lang en zes meter breed. Naar het zuiden, langs de kant van de Cirque de Culaus viel een ferme afgrond naar beneden. Hetzelfde langs de noordoostkant waar beneden de Cirque d’Ardiden lag gevuld met vele bergmeertjes, de Lacs d’Ardiden (+/- 2400m). Naar het zuidwesten liep de schouder naar beneden langs waar ik dus naar boven was geklommen. De top van Pic d’Ardiden vormt het hoogste punt van de nauwe granieten berggraat tussen het Vallée de Gavarnie en Vallée du Lutour. In het zuidoosten verhinderde Pic de Chanchou (2949m) het zicht op de Cirque de Gavarnie, maar de toppen waren wel zichtbaar met inclusief de nummer drie van de Pyreneeën, Monte Perdido (3355m).Vignemale Het zicht naar het oosten werd ontsierd door de laagstaande ochtendzon. De bergen waren ginder moeilijk te herkennen, maar ik geloof dat Bachimala (3174m) en Posets (3375m), de nummer twee van de Pyreneeën, zichtbaar waren. In het noordoosten lag de uit de Ronde van Frankrijk bekende Col du Tourmalet (2115m) onder de Pic du Midi de Bigorre (2872m), de top waarop een zendmast staat, een kabelbaan toekomt en een bergmeteostation is gevestigd. In het noorden kon je de Pyreneeën uitkijken op de vlakte aan de voet ervan die in nevel gehuld was. Na goed kijken kon ik hier Lourdes zien liggen. In het westen en zuidwesten waren natuurlijk de toppen te zien die ik reeds de gehele tijd gedurende de klim had kunnen aanschouwen. Een prachtige uitzichtsberg was het. Misschien met een kleine voorsprong de mooiste uit de gehele tocht, net voor Picos del Infierno.

Een dik half uur ben ik op de top van het uitzicht blijven genieten. De dalen bleven met een donkere schaduw gevuld. Toen ik naar beneden vertrok hadden mijn handen het al erg koud. Over de rotsblokken daalde ik weer met handen en voeten te gebruiken naar beneden. Het duurde lang voor ik halfweg was tussen de top en de Brèche des Agudes. Maar eens ik halfweg was koos ik voor een andere route dan tijdens het klimmen. Ik bleef tot een vijftig meter onder de kam van de schouder en vermeed zo de meeste grote rotsblokken dichter bij de kam. Een eind verder verscheen er meer en meer fijn puin en kon ik sneller afdalen. Dan volgde weer de gevaarlijke passage langsheen de rotswand en zo kwam ik weer in de Brèche des Agudes (2566m) uit waar ik mijn rugzak en leki’s weer ontmoette. Het eerste wat ik deed was eens goed drinken. Nog een paar minuten rustte ik uit en pakte dan mijn rugzak op om de rest van de afdaling aan te snijden weer naar de Refuge Russell. Zo kwam ik weer op de granietblokken terecht onder de Brèche des Agudes. Nu waren de steenmannetjes wel goed te volgen.

Toen ik dan een tijdje later aan de onderkant van de granietblokken aankwam waar weer het pad verscheen, zag ik net de drie Fransen van vannacht in de Refuge Russell, langzaam naar boven komen. Ik zette me een paar meter van het pad vandaan op een rotsblok om mijn middagmaal reeds te houden. Het was nu slechts enkele minuten over tien, maar omdat ik vroeg was opgestaan had ik nu al honger. Een paar minuten later passeerden de Fransen me. Eerst de twee jongens dicht bij elkaar en vervolgens het meisje dat vijftig meter achterop bleef. Zij had blijkbaar niet zo’n goede conditie want met haar kop in de grond ging ze hijgend naar boven waarbij ze om de tien meter even tien seconden bleef stilstaand uithijgen. Erg vriendelijk waren ze niet. Slechts de eerste antwoordde met bonjour toen ik hen begroette. Het meisje zei helemaal niets.

Ik at rustig weer een hardkek op met wat confituur terwijl de Fransen langzaam naar boven sukkelden over de granietblokken. Tenslotte deed ik mijn jas uit, borgde hem op in mijn rugzak en een tijdje later vertrok ik weer. Het pad dook via enkele zigzags tussen de eerste naaldboompjes naar beneden tot op de bodem van de Cirque de Culaus. Daar vervolgde ik het pad verder tussen de berkenboompjes en kwam zo niet veel later weer bij de Refuge Russell (1980m) uit omstreeks elf uur.

Ik zette mijn rugzak tegen de muur van de refuge. Er stond nog een andere dagrugzak tegen de muur. De luiken waren nog gesloten, maar de deur stond open. Ik nam mijn waterzak uit mijn rugzak, die ik ondertussen weer bijna leeg gedronken had. Dan ging ik hem weer bijvullen aan het fonteintje van de bron en dan pas kon ik merken hoe koud het deze nacht wel niet moet geweest zijn. Op sommige plaatsen waar de bomen hun schaduw op het gras wierpen was het gras nog bedekt met kleine ijskristalletjes en dat was nog niet alles. De waterstraal van de bron viel op een steen, waarop het water in een kleine modderige plas stroomde en op deze plas lag nu nog ijs. Voorbije nacht was het licht van de volle maan te zwak geweest om het ijs te kunnen opmerken toen ik me hier kwam wassen. Je kon duidelijk voelen dat het nu nog koud was, vooral in de schaduw, maar omdat er zo goed als geen wind stond en de zon al sterk scheen voelde het toch aangenaam warm aan in de zon.

Ik ging terug naar mijn rugzak, stak mijn waterzak er weer in en dan kwam er iemand naar buiten van uit de Refuge Russell. Het was een Fransman van een jaar of 45. Hij was hier net aangekomen, had zijn rugzak tegen de muur gezet en was binnen in de hut gaan kijken. Ik begroette hem met bonjour en dan volgde er een heel gesprek. Hij was deze ochtend vroeg in Cauterets vertrokken en wist me te vertellen hoe prachtig hij het Vallée du Lutour wel niet vond. Hij vroeg van waar ik kwam, waarop ik vertelde dat ik de Pic d’Ardiden net had beklommen, deze nacht in de refuge had overnacht en voor de beklimming speciaal om half vijf was opgestaan.

Ik zei dat er nog drie fransen met me overnacht hadden en dat ze nog maar pas vertrokken waren naar Pic d’Ardiden. Hij wist niet goed wat te doen leek me. Hij keek over de berkenbomen naar de bergkam achteraan in de Cirque de Culaus en vroeg me dan waar precies de top van Pic d’Ardiden te zien was. Ik wees hem aan, maar duidelijk was hij niet te zien van aan de Refuge Russell. Dan vroeg hij of het een moeilijke beklimming was waarop ik antwoordde dat het niet zo moeilijk is maar nog wel erg lang en het laatste stuk lang klauteren is over grote rotsblokken. Toen ik dat vertelde leek hij het uit zijn hoofd te zetten. Vervolgens vroeg hij van waar ik kwam want hij had natuurlijk al wel gehoord dat ik geen Fransman was, hoewel ik naar mijn eigen verbazing behoorlijk vlot Frans sprak zonder te moeten zoeken naar woorden. Dan vertelde ik dat ik Belg was waarop hij dan nog wou weten of ik Vlaming of Waal was. Uiteindelijk was ik hem heel die ingewikkelde taalstructuur in ons landje aan het uitleggen met de Duitstalige Oostkantons en dat Brussel eigenlijk in Vlaanderen ligt maar dat ze daar dan weer wel Frans spreken. Hij was stomverbaasd om dit te horen. Dat er een Duitstalig gedeelte was in België wist hij zelfs helemaal niet. Dat verbaasde me dan weer helemaal niet. Nadat hij mijn grote rugzak had gezien volgde logischerwijze de vraag wat ik voorbije dagen had gedaan. Ik vertelde hem dat ik tien dagen lang rondgetrokken had met een tent en voor het overgrote deel doorheen Spanje. Hij vond het eigenaardig dat ik niet in berghutten overnachtte. Dat kon ik wel geloven want wat ik doe zie je geen enkele Fransman doen. Fransen zie je uiterst zelden een bergtrekking maken met een tent. Zij houden het bij dagtochten of een kleine huttentocht. Spanjaarden durven het wel eens doen, maar dan nooit voor zo’n lange tocht als ik. Maar de meeste Spanjaarden doen toch net zoals de Fransen, met het enige verschil dat de helft van de Spanjaarden die je in de Pyreneeën tegenkomt wel klimmers zijn.

Uiteindelijk vertrok de Fransman. Hij wou toch een stukje verder de Cirque de Culaus inwandelen. Ik wenste hem nog een mooie dag. Voorts at ik mijn laatste isostar reep op en ging dan nog eens een kijkje nemen in de refuge. Het was natuurlijk donker binnen vermits de luiken nog gesloten waren. Ik deed het licht aan en nam weer een kijkje in het gastenboek op de vensterbank. Hier had ik gisteren al in gekeken. Nu zag ik dat de Fransman net ook twee zinnetjes had geschreven. Ik nam de balpen en begon ook aan mijn stukje. Ik schreef het in het Frans, waarschijnlijk wel met schrijffouten maar dat kon me niet schelen. Ik schreef over mijn overnachting, mijn vroege beklimming van Pic d’Ardiden en het erg mooie maar koude weer. Gisteren had ik het boek reeds bestudeerd maar ik keek toch nog eens naar wat andere gasten hadden geschreven. Wat me vooral interesseerde was hoe vaak de refuge bezocht wordt buiten de zomer. Op een zomerdag schreven wel vijf of meer mensen in het boek. Van november tot half juni maar één iemand om de vijf dagen gemiddeld met van december tot april soms twee of drie weken lang niemand. Ongeveer de helft van de mensen die overnachtte in de refuge bleek de volgende dag Pic d’Ardiden beklommen te hebben. Zo moet het ook. Ik legde het boek weer op zijn plaats en nam dan mijn portefeuille boven want eigenlijk had ik nog een rekening te betalen. 2,50 euro kost de overnachting in de refuge. Ik had niet zoveel klein geld en kon onmogelijk de exacte som betalen. Dan heb ik maar de 2,20 euro die ik had aan klein geld in het gleufje gestopt in het portaal. Ik vroeg me af wie eigenlijk wel eerlijk zijn overnachting betaalt.

Terug buiten sloot ik de deur van de hut achter me, nam mijn rugzak op en vertrok voor de afdaling naar het Vallée du Lutour. Het was nu iets over half twaalf. Tussen de berkenbomen en later naaldbomen wandelde ik zo over het pad zigzaggend naar beneden. Net als gisteren toen ik hier naar boven kwam, ontnamen de bomen weer al het zicht op het Vallée du Lutour. Na goed drie kwartier kwam ik weer beneden in de vallei uit waar nu geen koeien meer te bespeuren waren in tegenstelling tot gisteren. Daar stootte ik weer op het brede pad dat ik rechts op draaide. Zo wandelde ik nu vrijwel vlak verder doorheen de bodem van het Vallée du Lutour. Afwisselend wandelde ik tussen oude naaldbomen en dan weer doorheen een open grasvlakte waar verspreid rotsblokken lagen gezaaid in het gras en een pracht van een beek links van me, de Gave du Lutour, die af en toe durfde te vlechten in meerdere rustig kabbelende beddingen.

Net zoals Ton Joosten beschrijft in één van zijn wandelboeken heeft het Vallée du Lutour iets aparts.Vallée du Lutour De vallei kent geen hoogtepunt, maar het zijn net die kleine details, die moeder natuur hier perfect heeft geplaatst en uitstekend in harmonie samen gaan en die het Vallée du Lutour een erg gezellige aanschijn geven. De oude naaldbomen, de puinhellingen, de vlechtende rivier, de open plekken, de perfecte u-vorm van de vallei en de Pic de Labas (2947m) achteraan in het dal, alles in zijn geheel een schoon zicht. Een eind verderop kwam ik enkele pekzwarte paarden tegen die stonden te grazen op een eilandje gevormd door de vlechtende rivier. Hier ging ik even van het pad vandaan om hen te kunnen fotograferen. Er was een veulen bij. Ik stak de kleine arm van de rivier over en streelde enkele paarden in hun nek. Wanneer ik dan het veulentje probeerde te strelen kwam de merrie achter me naar me toe en beet in mijn rugzak. Allé vooruit, ik mocht alle paarden strelen behalve het veulentje, dat was blijkbaar verboden.

Ik stak maar terug het beekje over en begaf me terug naar het pad. Ondertussen waren de eerste dagjesmensen me gepasseerd terwijl ik bij de paarden was. Een eind verder kruiste ik er af en toe nog. Na een klein half uur kwam dan een hotellerie in zicht, genaamd la Fruitière (1371m). Ik stak de Gave du Lutour over via een houten brug en kwam dan pal voor de hotellerie uit. Hier eindigt de asfaltweg die van Cauterets komt en bevindt zich tevens een kleine parking waar al enkele auto’s stonden geparkeerd van de dagjesmensen die nu reeds in het Vallée du Lutour rondwandelden. De hotellerie was gesloten zo bleek. Je kon er nu dus niet eten. De prijslijst leek me in elk geval wel erg duur.

Ik ging maar meteen verder en wandelde aanvankelijk over de asfaltweg verder de vallei uit, maar dan zag ik aan de overkant van de Gave du Lutour een oud pad lopen. Ik daalde dus af naar de beek en stak ze langzaam over door me van de ene naar de andere rotsblok te begeven. De beek was hier al wel diep en het was maar net te doen om ze nog over te steken. Gelukkig lukte het. Aan de overkant vervolgde ik over het oude pad, eerst doorheen open grasland, maar dat maakte al snel plaats voor loofbomen en vanaf dan verdween de autoweg aan de overkant van de vallei ook uit het zicht, hoewel deze nooit echt storend was geweest want ondertussen had ik in al die tijd slechts twee auto’s zien passeren. Het pad werd nu een duidelijk wandelpad en liep nu onder oude eiken en beuken door. Dit was mooi want de bomen hun bladeren waren reeds aan het verkleuren. Ondertussen verwijderde de Gave du Lutour zich meer en meer van het pad vandaan en nog een eind verder maakte de verspreide bomen plaats voor een dicht loofbos. Een zicht op de bergwereld had ik nu niet meer. Ik stopte nu even om mijn trui uit te trekken want het was al behoorlijk warm geworden.

Nog een stukje verder kwam ik nu hoog boven La Raillère uit, het gehuchtje op de plek waar het Vallée du Lutour uitmondt in het Vallée de Cauterets. Het wandelpad dat van La Raillère via de Cascade du Lutour naar omhoog komt voegde zich nu van links bij het pad.Cauterets Vorig jaar ben ik hier naar boven gekomen op de laatste dag op weg naar Cauterets. Het laatste stuk vandaag zal dus net hetzelfde worden dan verleden jaar. Ik liep verder over het pad dat vlak verder liep langsheen de berghelling doorheen dicht loofbos. Toch op de plek waar een hangend dalletje weer uitgewandeld werd, had ik even een uitzicht in het Val du Jéret, de vallei waar ik tijdens de allereerste dag de bergwereld was door ingetrokken in de mist, toen nog met Sarah en Jeroen. Nog een eind verder kwam Cauterets (910m) in zicht beneden in het dal. Ter hoogte van het dorp ging het pad even over in een nauwe asfaltweg nabij de thermen. Tenslotte nam ik aan de thermen het pad dat kronkelend naar beneden afdaalt tussen de bomen tot in het dorp. Net als vorig jaar bloeiden hier weer paarse bloemen naast het pad.

Beneden in het dorp zette ik mijn rugzak even op een bankje bij een klein pleintje. Hier nam ik al mijn afval uit mijn rugzak en gooide het in de vuilbak. Dan trok ik verder het dorp in. Het was nu half drie en erg warm hier beneden. Iedereen op straat liep in zomerkledij rond. Het was zeker 25°c en dit kon je moeilijk geloven want deze ochtend vroor het nog behoorlijk aan de Refuge Russell en op de top van Pic d’Ardiden. Maar dat was dan ook een heel stuk hoger in de bergen.

Bij een bakker kocht ik nu drie koffiekoeken en at ze meteen op terwijl ik me een stukje verder op een bankje plaatste naast de weg. Nadat deze maaltijd naar binnen geschrokt was liep ik naar de noordrand van het dorp. Inkopen voor het avondeten kon ik nog niet maken want de supermarkt was ’s middags gesloten. Na dan een sms te versturen naar het thuisfront zocht ik weer de bekende camping op aan de noordrand van Cauterets, Le Mamelon Vert. De uitbaatster herkende me blijkbaar niet meer. Tien dagen terug waren we hier nog met een ander koppel op de camping, dit keer was ik er helemaal alleen en had alle keuze waar ik mijn tent ging neerplaatsen tussen de bungalows. Ik verkoos om helemaal beneden plaats te nemen in de schaduw van enkele bomen en niet te ver van het campinggebouw waar de douches en toiletten zich bevonden. Ik stelde mijn tent op, installeerde alles en ging me dan douchen. Dat deed nog eens deugd. Terug bij mijn tent ritste ik alles dicht en trok dan weer het dorp in om eten te kopen. Daar kocht ik in het supermarktje een zakje sla, een doosje minitomaatjes, een pak koeken en een grote fles cola. Vervolgens kocht ik nog bij een bakker een stokbrood en keerde dan terug naar de camping.

Terug in mijn tent begon ik aan de feestmaaltijd. Het stokbrood at ik helemaal op belegd met de sla en tomaatjes. Daarna at ik nog eens heel het pak koeken op en dat had ik beter niet zo gulzig gedaan want samen met al de cola die ik ook al half opgedronken had stond mijn buik nu op ontploffen. Een lange tijd hield ik nu noodgedwongen een platte rust. Het was dan rond zes uur dat de zon verdween achter de wolken, maar het bleef toch behoorlijk warm op deze laatzomerdag. Buiten merkte ik dan plots op dat de top van Pic d’Ardiden in de verte net kon gezien worden van op de campinggrond. Ik ging al vroeg slapen want vandaag was een lange dag geweest als je ermee rekening houdt dat ik zeer vroeg was opgestaan. Morgen begint de terugreis. Het bleef nog lang licht buiten, maar ik viel voor het donker werd al in slaap.

Afstand : 21,3km
Duur : 8h40

Klimmen : 1522m
Dalen : 1692m

Bergpassen : Col d’Arraillé (2583m), Col des Gentianes (2729m)

De voorlaatste dag breekt aan. Vermits ik gisteren niet verder was getrokken naar het Vallée du Lutour, zou vandaag een redelijk lange dag gaan worden. Eerst over de Col d’Arraillé (2583m) het Vallée du Lutour in, om dan op een hoog pad te blijven op weg naar de vele bergmeertjes in de Cirque d’Estom. Maar het eigenlijke doel vandaag was de Col des Gentianes (2777m), een hoge bergpas achteraan in de Cirque d’Estom die een prachtig uitzicht biedt op de oostkant van de Vignemale en de Glacier d’Ossoue, de nog meest volmaakte gletsjer die de Pyreneeën rijk zijn. Daarna zou ik terugkeren en naar de bodem van het Vallée du Lutour afdalen om daar ofwel weer te klimmen naar twee hoog gelegen bergmeren die verborgen liggen op de westelijke flank van de vallei, de Lacs d’Estibe Aute (2324m), ofwel naar de Refuge Russell (1980m), een onbemand berghutje reeds hoog gelegen op de oostelijke flank van het Vallée du Lutour onder de Cirque de Culaus. Wat het ging worden zou voornamelijk van mijn stemming gaan afhangen.

De voorlaatste dag breekt aan. Vermits ik gisteren niet verder was getrokken naar het Vallée du Lutour, zou vandaag een redelijk lange dag gaan worden. Eerst over de Col d’Arraillé (2583m) het Vallée du Lutour in, om dan op een hoog pad te blijven op weg naar de vele bergmeertjes in de Cirque d’Estom. Maar het eigenlijke doel vandaag was de Col des Gentianes (2777m), een hoge bergpas achteraan in de Cirque d’Estom die een prachtig uitzicht biedt op de oostkant van de Vignemale en de Glacier d’Ossoue, de nog meest volmaakte gletsjer die de Pyreneeën rijk zijn. Daarna zou ik terugkeren en naar de bodem van het Vallée du Lutour afdalen om daar ofwel weer te klimmen naar twee hoog gelegen bergmeren die verborgen liggen op de westelijke flank van de vallei, de Lacs d’Estibe Aute (2324m), ofwel naar de Refuge Russell (1980m), een onbemand berghutje reeds hoog gelegen op de oostelijke flank van het Vallée du Lutour onder de Cirque de Culaus. Wat het ging worden zou voornamelijk van mijn stemming gaan afhangen.Die ochtend werd ik vroeg gewekt om tien voor zeven en stond meteen op. Het was 2°c in mijn tent. Buiten was het nog eerder nacht dan dag, maar dat veranderde snel. Ik wou vooral klaar staan om te kunnen aanschouwen wat de zon met de Vignemale ging doen want vorig jaar kleurde de bleke kalksteen van de Vignemale oranje toen de eerste ochtendstralen van de zon de top raakten, maar deze keer was dit niet erg het geval.

VignemaleHet weer was weeral prachtig. Opnieuw een staalblauwe hemel en geen enkel spoor van een wolkje te herkennen desondanks dat er gisteren veel hoge cirruswolken aanwezig waren. Wind was er niet. Het was dan ongeveer kwart voor negen toen ik vertrok na ontbeten te hebben, tent afgebroken en rugzak klaargemaakt te hebben.

De Spanjaarden hadden er vandaag blijkbaar nog geen zin in want zij sliepen nog. Over de vlakte liep ik naar de Refuge de Gaube (2151m) om daar het stenige pad op te nemen dat al gauw matig steil stijgend en met brede zigzaggen naar boven loopt naar de Hourquette d’Ossoue (2734m), een bergpas waar ik nu wel niet naar toe moest. Vorig jaar had ik hier reeds gelopen, maar toen al afdalende komende van de Hourquette d’Ossoue. Nu zal ik ongeveer halfweg afslaan op de klim naar de Col d’Arraillé (2583m).

En daar was ik een goed half uur later. Gele bordjes wezen de weg aan. Ik sloeg links af en het pad stootte al gauw op een slagveld van granietblokken. Hier liep ik langzamer verder over de rotsblokken de steenmannetjes volgend in een steeds woester decor met de kleine glasheldere Lacs d’Airraillé rechts van me, eveneens omringd door granieten woestenij en de Vignemale op de achtergrond, nog steeds zijn aandacht opeisend. Maar dat verdween geleidelijk, want na een eerder vlakkere zone begon nu een steile klim die een couloir in drong waar niet zo veel hoger, na doorheen een nauwte in de couloir te zijn geklommen, de Col d’Arraillé (2583m) bovenaan als een nauwe bres reeds te zien was. Langzaam aan klom ik over de grote rotsblokken verder en niet veel later omstreeks tien over tien kwam ik op de col aan. Veel kon hier nog niet van het Vallée du Lutour gezien worden want ook aan de andere kant van de col lag een vrij open en lange couloir die toch het zicht op de vallei ontnam. Ook langs deze kant vielen uitgestrekte woeste puinhellingen tot beneden in de couloir. Rechts bovenaan lag zelfs nog een klein sneeuwveld. De granietblokken waren hier wel opvallend kleiner. Hier op de col moest ik nu noodgedwongen op zoek naar een plek voor een grote boodschap en dus ook op zoek naar gras dat hier gelukkig te vinden was tussen enkele rotsblokken. Daarna rustte ik nog enkele minuten uit alvorens ik weer vertrok.

De route daalde in eerste instantie een stuk zeer steil over losliggende stenen naar beneden om dan op een pad uit te komen dat vrijwel vlak over de puinhelling in de linker kant van de couloir verder liep. Een eindje verder kwam ik vervolgens aan de eerste haarspeldbocht en vanaf hier begon het pad weer te dalen, niet al te steil via brede zigzaggen. Van het Vallée du Lutour bleef vrijwel niets zichtbaar. Na goed 450m afdalen steeds over de woeste puinhelling in de linkerkant van de couloir kwam ik nu beneden in de couloir uit. Hier splitste het pad. Links daalde een pad verder naar het Lac d’Estom (1800m), gelegen beneden in het Vallée du Lutour. Maar omdat ik daar nog niet moest zijn sloeg ik rechts af op een pad dat weer steil zigzaggend naar omhoog steeg. De puinhelling maakte hier plaats voor een helling gedomineerd door gras en uitstekende rotsen. Een fransman kruiste net niet mijn pad. Hij kwam van beneden en vervolgde zijn weg naar de Col d’Arraillé.

Lang duurde het klimmen niet want na een poosje liep het pad vlak langs de steile helling verder naar het oosten met nu een prachtig uitzicht over het Vallée du Lutour met daarin vooraan het Lac d’Estom en achteraan lieflijke met naaldbomen begroeide hellingen. Op de bergkam rechts boven de vallei was de Pic d’Ardiden (2988m) duidelijk te herkennen.Vallée du Lutour, Lac d'Estom & Pic d'Ardiden Morgen zal ik deze berg beklimmen. Een bordje langs het pad maakte duidelijk dat deze route vroeg op het seizoen mogelijk versperd is door sneeuwvelden en met mogelijk lawinegevaar. Niet veel verder kwam ik vooraan beneden in de Cirque d’Estom aan. Het pad liep nu langsheen enkele plasjes door het korte gras naar de beek die het water van de hier hoger gelegen bergmeren via enkele watervallen wegvoert naar het Vallée du Lutour achter me. Ik stak de beek over en na een korte klim kwam ik aan het eerste meer aan, het fel blauwe Lac de Labas (2281m) gedomineerd door de Pic d’Estom Saubiran (2829m) op de achtergrond. Hier liep ik even van het pad vandaan en zette me in het gras om mijn middagmaal reeds te houden, hoewel het nog maar 11h40 was. Enkele dagjesmensen passeerden terwijl ik mijn maaltijd aan het nuttigen was. Na nog wat rusten vervolgde ik weer mijn weg. Na weer een korte klim kwam ik aan de westelijke punt van het grotere ronde Lac des Oulettes d’Estom Soubiran (2360m) aan, waar ik over rotsblokken de beek overstak die uit het meer stroomde naar het Lac de Labas dat rechts beneden nu net uit het zicht verdwenen was. Het pad vervolgde even langs de oever in zuidoostelijke richting en klom dan steil van het meer weg. Zo kwam ik weer hoger uit bij het volgende meer dat plots voor me opdoemde toen het pad tot dicht bij het beekje was geklommen. Op de punt waar het beekje het meer verliet kwam ik aan.

Dit was het Lac Couy (2445m), een kleiner ovaalvormig meer dat wellicht het mooiste meer is van al de bergmeren in de Cirque d’Estom. Het pad liep enkele meters boven de oever verder en klom vervolgens weer van het meer weg tot ik op een rotsrichel uitkwam achter het Lac Couy. Hier wezen enkele steenmannetjes de weg verder. Achter de rotsrichel lag een kleine vlakte waardoor de kleinere beek stroomde op weg naar het Lac Couy. Op de vlakte lag hier ook een klein meertje welke geen naam draagt op de kaarten. Ik was reeds ver de Cirque d’Estom ingewandeld en Malh Arrouy (2965m) en Soum d’Aspe (2968m), de twee hoogste toppen die de Cirque d’Estom begrenzen, toornden hier nu vlak voor me uit. De steenmannetjes leidden me naar de rechterkant van de kleine vlakte waar ik plots een puinhelling diende op te klimmen. Zo kwam ik een eind verder hoog boven een kloof terecht waarin beneden de beek stroomde die achter me op de kleine vlakte uitkwam. Het pad klom nu steil verder over rots met de kolkende beek diep beneden. Op een bepaald stuk moest ik met handen en voeten omhoog klimmen over de steile rotsen tot links van me het trogvormige uiteinde van een meer tevoorschijn kwam. Na nog enkele meters klimmen verscheen het uitgestrekte Lac Glacé (2570m) voor me.

Dit grote ronde meer had een erg donker blauwe kleur en leek zeer koud en diep. Het heeft zijn naam zeker niet gestolen. Hoogstwaarschijnlijk blijft dit meer tot een stuk in de zomer nog met ijs bedekt. Daarnaast lag het nog eens ingebed in een erg grijze omgeving. Groen was hier niet veel meer aanwezig, overal grijze rotsen en puinhellingen. De Col des Gentianes (2777m) was nu rechts boven het meer te zien. De col leek meer een breed zadel.

Ik vervolgde de route verder die nu een eindje boven de meeroever liep. Niet voor lang want slechts enkele tientallen meters verder wezen de steenmannetjes me erop om een bocht naar rechts te maken en over rotsig terrein van het meer weg te klimmen. Doorheen ruig terrein klom ik zo naar een heuvelrug reeds hoog boven het Lac Glacé. De Col des Gentianes verdween nu uit het zicht. Op de heuvelrug vond ik nog enkele schaarse steenmannetjes die me geleidelijk de depressie inleidde achter de heuvelrug. Hier bevond zich weer een slagveld van rotsblokken en ik vond ook geen steenmannetjes meer. De kaart hield ik niet boven. Ik besloot om in de depressie af te dalen en vervolgens doorheen een nauw dalletje, dat achteraan in de depressie begon, verder te trekken tussen de heuvelrug en de berghelling. Langzaam daalde ik over de rotsblokken de depressie in en kwam dan bij de ingang van het dalletje terecht. Hier zag ik een eindje verderop een steenmannetje staan. Mijn intuïtie had me dus niet fout gestuurd. Tussen grote rotsblokken door, die hier op de bodem van het dalletje lagen, trok ik verder tot ik plots tot mijn verbazing bij de uitgang van het dalletje voor een klein meertje stond. Dit meertje is ook aangeduid op de kaarten, maar er staat geen naam bij vermeldt en ik had er ook nooit aandacht aan besteed zodat ik vergeten was dat er na het Lac Glacé nog een meertje ligt. Uit de boeken van Ton Joosten kwam ik te weten dat het meertje Lac du Col de Gentianes (2650m) heet. Het had een vrijwel perfecte ronde vorm en leek niet zo diep. In tegenspraak met hoe de route staat aangegeven op de kaarten, nam ik nu een bocht naar links en trok vlak langs de oever over de rotsblokken verder terwijl ik kon merken dat er kleine visjes in het meertje rondzwommen. Dit vond ik wel zeer uitzonderlijk. Een meertje dat op 2650m hoogte ligt en nog leven bevat in de vorm van visjes kom je niet zo vaak tegen. Vooral het feit dat er geen beekje het meertje uitstroomde deed me de vraag rijzen hoe die visjes hier ooit terecht zijn gekomen.

Ik zag in elk geval de Col des Gentianes terug liggen. Na één vierde van de gehele omtrek van het meer te zijn gevolgd klom ik het verlengde van de eerdere heuvelrug op over kleine rotsblokken die niet zo stabiel lagen en daar kwam ik dan terug een steenmannetje tegen nadat ik er geen meer gezien had vanaf het meertje. Het werd nu duidelijk dat de heuvelrug wel eens een oude morenewand kon zijn. De steenmannetjes leidden me over de heuvelrug naar de berghelling die vervolgens schuin naar links opgeklommen werd. De Col des Gentianes verdween nu weer uit het zicht. Na een heel eind klimmen doorheen het rotsig terrein werd de berghelling opnieuw vlakker en doemde de brede Col des Gentianes weer voor me op, maar dit keer vlak voor me. Doorheen vriendelijker terrein klom ik de laatste meters naar de col waar ik vervolgens overdonderd werd door het zicht aan de overkant. Het was nu omstreeks half twee. Ik wist dat het zicht op de Vignemale (3298m) van op de Col des Gentianes erg mooi moest zijn. Ik was inderdaad sprakeloos.Vignemale & Glacier d'Ossoue Dit was nog geweldiger dan ik me had voorgesteld. Ik liep een eindje de col over en zo kwam er een stukje lager een klein meertje tevoorschijn dat blijkbaar minder water bevatte dan normaal het geval zou moeten zijn. Dit plaatje was prachtig: het kleine meertje beneden, het witte kalksteen van het Vignemale Massief met het nog wittere ijs van de spletenrijke Glacier d’Ossoue, misschien wel de mooiste gletsjer in de Pyreneeën, het morenepuin eronder en dan nog de donkere gesteenteband nabij de toppen. Rechts dan de bruine gesteentesoort welke ik nog steeds niet dadelijk kan thuisbrengen. Hierin de Hourquette d’Ossoue (2734m) met eronder de hoogst gelegen berghut van de Pyreneeën als een klein stipje, de Refuge de Bayssellance (2651m). En dan de begrenzing tussen de bleke kalksteen en het bruine gesteente, een kaarsrechte lijn in het landschap. Niet alleen de noordwand van het massief maakt indruk, ook de oostkant.

Ik liet mijn rugzak op de col achter en klom links de helling op in de hoop misschien een veilige weg te kunnen vinden naar de Pouey Mourou (2848m), de berg ten zuiden van de Col des Gentianes. Over rotsen bereikte ik de bergkam waar een weids zicht zich opende op de Cirque de Gavarnie en met een erg steile afgrond naar beneden. De top van Pouey Mourou lag rechts. Ik klom nog even langs de kam over de rotsen steil verder maar wat hogerop zag ik dan dat de top van Pouey Mourou alpinistenwerk is en stopte ik dus met verder klimmen. De Vignemale lag nu verborgen achter de top van Pouey Mourou. Het uitzicht op de Cirque de Gavarnie had ik toch en daar was het me tenslotte om te doen. Maar ik zag nog veel meer. Verder weg kon ik La Munia (3133m) zien, de hoogste top in de Cirque de Troumousse en in het zuiden zag ik vlak naast de top van de Pouey Mourou het oostelijke deel van de Sierra de Tendeñera met de Pico de Tendeñera (2853m) waar ik eergisteren nog op de top op de uitkijk heb gestaan. Aan de andere kant een heel ander gezicht. Malh Arrouy (2965m), Soum d’Aspe (2968m) en Pic Sud d’Aspe (2924m), de drie hoogste toppen die de Cirque d’Estom omzomen, met een eerder bescheiden uitzicht en beneden aan de voet het donker blauwe Lac Glacé (2570m), ingebed in die ruige grijze omgeving. Een mooi uitzicht.

Ik keerde terug naar de Col des Gentianes, genoot daar nog even van de Vignemale en keerde vervolgens terug. Over het ruige rotsterrein daalde ik weer af naar het Lac du Col de Gentianes (2650m). Hier stopte ik weer even om mijn watervoorraad aan te vullen want op de Col des Gentianes had ik het allerlaatste water uit mijn waterzak opgedronken. Na het vullen dronk ik met het colaflesje nog een goeie halve liter van het meerwater rechtstreeks op. Regelmatig sprongen er visjes op uit het water zodat er vrijwel steeds kringetjes van golfjes op het meertje te zien waren.

Na zo’n goed kwartier vertrok ik weer op pad. Na weer doorheen de depressie te trekken en vervolgens de heuvelrug op te gaan om vanaf daar weer de steenmannetjes afdalend te volgen, kwam ik weer nabij de oever van het Lac Glacé (2570m) uit. Hier nam ik weer de ijle route naar beneden boven de kloof zodat ik na het passeren van de kleine vlakte met het kleine meertje weer bij het Lac Couy (2445m) uitkwam.Lac Couy Nu pas nam ik tijd om een foto te nemen van dit meer met de Pic d’Estibe Aute (2815m) op de achtergrond. Tijdens de afdaling van het Lac Couy naar het Lac des Oulettes d’Estom Soubiran kwam ik nog enkele dagjesmensen tegen die een rustpauze hielden een stuk van het pad vandaan. Eén van hen kwam naar me toe om te vragen of het nog lang was naar het Lac Glacé. “Une demi heure environ,” antwoordde ik. Dat leek zelfs precies te lang naar zijn zin. Ik daalde verder af en kwam snel weer bij het Lac d’Estom Soubiran (2360m) aan, gevolgd door het laatste meer, het Lac de Labas (2281m). Vandaar liep het pad nog even met de beek mee tot aan enkele kleine plasjes, het punt waar ik daarstraks op de route uitkwam die van uit het Vallée du Lutour komt gestegen. Hier zal ik nu dus rechts houden om zeer steil de Cirque d’Estom uit te dalen het Vallée du Lutour in.

De afdaling werd steeds steiler en liep al gauw over granietblokken en vaste rots. Snel ging het niet vooruit. Mijn wandelstokken waren weer eens een grote hulp in deze lastige afdaling. Beneden kwam het Lac d’Estom tevoorschijn. Geleidelijk liep het pad kronkelend naar beneden doorheen struikgewas en rotsblokken steeds erg steil. Na een hele tijd kwam ik dan beneden op de hellende dalbodem van het Vallée du Lutour aan. Het pad was hier onduidelijk en moeilijk te vinden want overal groeide hier op de vochtige bodem een dichte begroeiing van hoefblad, een plant met grote bladeren. De beek lag nu links van me waar ik stilaan dichter bij kwam. Vervolgens stak ik het water over en kwam dan op gras terecht. Hier liep ik gewoon verder pal naar het Lac d’Estom toe. Een vijf minuten later kwam ik nabij de zuidpunt van het meer aan. Het pad dat naar de Col d’Arraillé loopt, bevond zich nu enkele meters hoger links op de berghelling. Een grote groep fransen trok hier nu net naar boven. Ik liep naar het pad toe en vervolgde het verder tot ik omstreeks half vijf aan de Refuge d’Estom (1804m) aankwam nabij de noordpunt van het Lac d’Estom (1800m).

De Refuge d’Estom is een berghut gelegen op de drempel in het dal die het Lac d’Estom afdamt. De berghut had eerder het uitzicht van een klein restaurantje dan die van een berghut door de grote glazen ramen en de enkele tafels met stoelen en parasols die aan de hut stonden langs de kant van het meer.Lac d'Estom, Pic de Labas & Pic de la Sède Ik hoopte op een cola, maar de deur was op slot en niemand was binnen te zien. Een papier aan de zijkant van de berghut vermelde dat de hut gesloten was vanaf 25 september. Drie dagen te laat dus. Een eindje van de hut vandaan was wel een man bezig met het klieven van hout, misschien de eigenaar van de hut. Er stond nog een man en een vrouw bij. Ik zette mijn rugzak neer tegen een bankje aan de hut langs de kant van het meer. Vervolgens nam ik weer mijn waterzak die weeral bijna leeg was en vulde hem weer met het water aan de achterkant van de hut. Daar stond zo’n traditionele boomstam waar bovenaan water uit een buisje spoot. Dan ging ik op het bankje zitten aan de hut en rustte wat uit terwijl ik het Lac d’Estom en de bergen bekeek. Ik voelde dat ik bijna genoeg had gewandeld voor vandaag want veel energie leek mijn lichaam niet meer te bezitten.

Het meer gaf een rustgevende sfeer. Weer ongelofelijk zuiver water dat een groenachtige tint had, in tegenstelling tot de blauwe meren van daarnet hoog in de Cirque d’Estom. Vrijwel overal zag je de meerbodem die niet erg diep werd vooraan. Het wateroppervlak was vrijwel spiegelglad op uitzondering van enkele plekjes met wat rimpelend water veroorzaakt door een lokaal briesje achteraan het meer. Het weer was vandaag weer ongelooflijk. Het was behoorlijk warm, slechts even een spoor van een wolkje gezien en er stond vrijwel geen wind en dat al de gehele dag. Achter het meer verhieven de Pic de la Sède (2976m) en de Pic de Labas (2946m) zich in het tegenlicht van de zon als een muur hoog boven het dalhoofd van het Vallée du Lutour uit.

Na wat rusten trok ik weer verder. Het pad daalde nu via enkele kronkels de drempel in de vallei af naar beneden en terwijl ik afdaalde kwam ik tussen de naaldbomen terecht en in de schaduw, niet door de bomen maar de schaduw van de bergkam want de zon was reeds laag gezakt zodat de bergen hun schaduw over het Vallée du Lutour wierpen. Al snel wandelde ik in het bos tussen erg dikke en hoge naaldbomen. Rechts hoorde ik de Gave de Lutour stromen maar ik zag ze slechts af en toe met een glimp. Op regelmatige afstand was nu op rotsen langs de linkerkant van het duidelijke brede pad een wit vierkant geschilderd met daarin in het rood een gemzenkop met de letters P en N langs beide zijden. Deze tekens duiden de grens van het Parc National des Pyrénées aan want de westkant van het Vallée du Lutour behoort nog tot het nationaal park. Na een kleine honderd meter afdalen werd het pad opnieuw vlakker en liep dan doorheen open stukken met gras en wat uitstekende rotsblokken en zonder veel bochten verder doorheen de dalbodem. Verspreid groeiden groepjes naaldbomen en de berghellingen waren bekleed met naaldbos dat hier en daar onderbroken werd door een puinhelling.

Een eindje verder zou nu links een route moeten beginnen het pad vandaan en steil stijgend naar omhoog. Deze route loopt naar de hoog gelegen Lacs d’Estibe Aute (2324m) waar ik mogelijk kon bivakkeren, maar ik vond het pad of de steenmannetjes die de route konden markeren niet. Erg hard heb ik wel niet uit mijn doppen gekeken want het was al reeds vijf uur gepasseerd en doordat ik al vermoeid was stond mijn stemming meer open voor de Refuge Russell (1980m) dan voor de Lacs d’Estibe Aute vermits de onbemande berghut een stuk lager ligt dan de twee bergmeren en dus minder klimmen vormt. Uiteindelijk kwam ik al bij de Passerelle de Pouey (1552m) aan.

Dit is de kleine brug over de Gave du Lutour welke al een stuk voorbij de splitsing voor de Lacs d’Estibe Aute ligt. Ik stak de brug over en vervolgde het pad dat nu langsheen rotsblokken en struikgewas verder liep langs de rechterkant van de Gave du Lutour. Een eindje verder stopte ik dan even om op de kaart te kijken waar juist de route voor de Refuge Russell begint want straks ben ik ze weer voorbij gewandeld zonder dat ik iets gemerkt had, net zoals bij de splitsing voor de Lacs d’Estibe Aute. De splitsing was niet ver af meer. Ik nam mijn rugzak terug op en vervolgde het pad. Rechts graasden nu verspreid koeien tussen de struiken en verspreide naaldbomen. Een goeie vijftig meter verder kwam ik dan bij een bewegwijzering omstreeks 17h20. Gele bordjes met een pijl duidden Refuge Russell en Col de Culaus aan. Deze splitsing kon ik nu onmogelijk missen. Ik sloeg dus rechts af en begon meteen te klimmen terwijl ik tussen de koeien terecht kwam. Er waren ook veel kalveren bij. Na een tweehonderd meter klimmen op het smallere pad kwam ik bij de eerste haarspeldbocht. Deze nam ik naar links en klom dan matig steil over een mooi pad het bos in dat bestond uit een mengeling van naaldbomen en steeds meer berken welke reeds vele geel en oranje verkleurde bladeren telden. De laatste koe keek me nog even na tot ik in het bos verdween. De Refuge Russell ligt een goeie 450m hoger. Met deze klim zal ik dus wel naar schatting een dik uur mee bezig zijn. Na talloze haarspeldbochten kwam ik weer in de zon terecht want ik klom weer boven de bergschaduw uit die beneden het Vallée du Lutour vulde. Een heel eind hogerop werd het bos geleidelijk minder dicht en kon ik eindelijk eens regelmatig een blik werpen over het Vallée du Lutour beneden. Het pad klom stilaan minder steil en liep nu de voorkant van een vallei in, welke in feite de onderkant van de Cirque de Culaus vormt. Tussen de berkenbomen verscheen ze dan plots, de Refuge Russell (1980m) en zodoende had ik eindelijk mijn eindpunt bereikt voor vandaag. Er leek niemand te zijn. Het was nu 18h20 en ik had de klim naar het berghutje dus toch nog aan een snel tempo afgelegd. Maar toch was ik moe.

Het was een klein maar mooi berghutje met een rode metalen deur en kleine raampjes met eveneens rode metalen luiken die gesloten waren. Boven op het dak was een zonnepaneel bevestigd die elektriciteit leverde voor de bescheiden belichting in het hutje. Voor de deur stond weer een boomstam waar water uit sproot net zoals aan de Refuge d’Estom daarstraks. De top van Pic d’Ardiden (2988m) bleef net verborgen van aan de hut. Ik deed de deur open en ging naar binnen. Ik kwam in een portaal terecht waar achteraan brandhout lag gestapeld. Links was een deur die me in de binnenruimte van de hut bracht. Deze deur kon je ook op slot doen langs binnen. Het was donker in de binnenruimte en ik zag dus niet veel. Daarom ging ik weer naar buiten en opende de luiken van de twee raampjes. Weer binnen zag ik nu wel alles. In de binnenruimte stonden twee dikke houten tafels met langs weerszijden houten banken. Achteraan in de rechter hoek stond een open haard. Verder enkele waslijnen met stekkers dicht bij het plafond en langs de kant van de raampjes boven aan de muur tegen het plafond een schap met daarop heel wat potten en pannen. Rechts vooraan stond een steile metalen ladder die me naar de bovenverdieping bracht.

Ook hier was het pikkedonker maar ik vond het lichtknopje naast de bovenkant van de ladder. Na een draai aan het knopje ging het licht aan en begon er iets te tikken. Het licht springt namelijk automatisch na een tijdje uit. De bovenverdieping bestond uit een houten vloer in het midden met aan de twee zijkanten van de hut een hoop matrassen op elkaar gestapeld met daarop enkele dekens gevouwen. Hier zal ik dus de komende nacht op gaan slapen, maar dan wel met mijn slaapzak. Ik opende ook de luiken van de twee raampjes in de bovenverdieping zodat hier ook buitenlicht naar binnen scheen. Op de vensterbanken stonden heel wat kaarsjes. Dan ging ik nog eens buiten het berghutje rond. Terug in het portaal vestigde ik mijn aandacht op de betaalgleuf. Een gleuf in de muur die meer leek op een soort brievenbus en diende om je verblijf in het onbemande berghutje te betalen. Een papier erboven vertelde me dat de hut eigendom is van de Club Alpin Français. Zij onderhouden het berghutje, zorgen regelmatig ervoor dat er brandhout is enzovoort. Voor 2,50 euro mag je in ruil één nacht overnachten.

Ik ging weer de binnenruimte in en begon met het klaarmaken van het eten. Nadat mijn eten klaar was kwam ik op het idee om de open haard aan te steken want het was behoorlijk fris binnen en ook buiten begon het al snel af te koelen. Ik nam wat brandhout en boomschors uit het portaal, wierp het in de open haard en stak het aan met behulp van mijn Trangia brandertje. Het vuur schoot na een tijdje in gang en dan kon ik beginnen te eten. Het vuur gaf veel warmte af.

Na mijn maaltijd ging ik nog even naar buiten en waste me wat met het ijskoude water uit de bron. Daarna verkende ik nog even verder het pad dat van het hutje verder omhoog liep de Cirque de Culaus in want ik wou morgen zeer vroeg hier verder om de Pic d’Ardiden (2988m) te beklimmen.Refuge Russell Het was een klein nauw pad dat tussen het struikgewas en verspreide berkenbomen gestaag verder bergop liep. Ver heb ik het niet verkend en keerde dus weer snel naar de Refuge Russell terug. De zon was nu net achter de bergkam gedaald aan de overkant van het Vallée du Lutour. Het begon snel frisjes te worden. Ik trok weer naar binnen, ruimde mijn spullen wat bijeen en zette alles klaar om morgen vroeg zo snel mogelijk te kunnen vertrekken. Het vuur in de open haard smeulde nu naar zijn einde. Mijn bedoeling was om ergens tegen het einde van de nacht op te staan, rond half vijf, om dan de beklimming van Pic d’Ardiden in het donker af te leggen en hopelijk net op de top aan te komen wanneer de zon over de horizon komt geklommen. Een zonsopgang gezien van op een bergtop, dat wou ik beslist wel eens meemaken. De beklimming is toch niet van de poes. De top van Pic d’Ardiden ligt precies 1000m hoger vanaf de Refuge Russell en voert hoger over zeer ruig terrein. De Pic d’Ardiden zal dus nog een hele aparte belevenis gaan worden. Het was dan iets over half negen dat ik alle luiken van het hutje sloot terwijl het buiten nu al bijna pikkedonker was geworden. Vervolgens trok ik naar binnen, deed de deur van het berghutje op slot, doofde vervolgens het licht beneden en klom naar de bovenverdieping op het steile laddertje. Daar ging ik in mijn slaapzak liggen en probeerde in slaap te vallen.

Een dik uur later pas dommelde ik bijna in tot ik plots buiten stemmen van beneden het hutje hoorde naderen. Vervolgens hoorde ik mensen bij de Refuge Russell aankomen. Ze probeerden de buitendeur te openen, maar slaagden daar natuurlijk niet in vermits ik ze op slot had gedaan. De mensen raakten blijkbaar in paniek. Ik hoorde ze harder tegen elkaar roepen en rond de refuge heen wandelen. Het waren duidelijk Fransen. Wie komt er nu in godsnaam nog zo laat hier naar boven terwijl het al meer dan een uur pikkedonker is buiten. Ik kon niets anders dan maar weer uit mijn slaapzak kruipen en in de pikkedonker het lichtknopje zoeken boven de val van de steile ladder. Vervolgens kon ik mijn broek, trui en slippers snel aantrekken en naar beneden gaan.

Ik opende de buitendeur en zag een schim nabij het hoekje van de refuge. Ik riep even bonjour waarop de schim naar me toe kwam. Ik kon zijn gezicht nog niet zien in het donker, maar hij vroeg of ze binnen mochten. “Mais oui, bien sûr”, antwoordde ik. Vervolgens verschenen twee andere schimmen die aan de achterkant van het berghutje naar een ingang hadden zitten te zoeken. Ze waren dus met z’n drieën. Binnen kon ik eindelijk hun gezichten zien. Het waren twee jongens en een meisje, allen een paar jaar ouder dan ik. Ze hoorden snel aan mijn slecht Frans dat ik een buitenlander was. Ik zei dat ik Belg was en morgen zeer vroeg van plan was om de Pic d’Ardiden te beklimmen. Ze vertelden me dat ze morgen net hetzelfde van plan waren, maar niet zo vroeg natuurlijk. Lang duurde het gesprek niet want ik wou snel weer gaan slapen. Ik wenste hen nog een goeie nacht toe en ging de ladder weer op naar boven. Daar kroop ik weer mijn slaapzak in. Snel kon ik natuurlijk niet slapen door het geroezemoes van de Fransen beneden. Ze fluisterden wel, maar niet bepaald stil. Ik hoorde nog dat ze de open haard weer aanstaken en dan eten begonnen klaar te maken. Bijna twee uur lang verdorie duurde het voor ze klaar waren om te gaan slapen en al die tijd hielden ze me wakker. Zo stil mogelijk stommelden ze naar boven met z’n drieën. Ze deden het licht niet aan, maar hadden hun zaklamp bij. Ze installeerden zich op de matrassen aan de overkant en dan werd het eindelijk stil. Het was nu zo goed als middernacht en ik viel eindelijk snel en ongetwijfeld voor hen in slaap.

Afstand : 18,0km
Duur : 5h20

Klimmen : 1319m
Dalen : 507m

Bergpassen : Col des Oulettes (2606m)

Vandaag zou ik heel het Valle del Ara stroomopwaarts doorkruisen om zo vanuit het dalhoofd, waar ik op de tweede dag reeds doorheen getrokken was, over de Col des Mulets (2591m) te trekken Frankrijk in en af te dalen naar de Oulettes de Gaube, gelegen aan de voet van de majestueuze noordwand van het Vignemale Massief. Van daaruit hoopte ik nog om reeds verder te trekken over de Col d’Arraillé (2583m) naar één van de meertjes hoog in het Vallée du Lutour om daar ergens te gaan overnachten. Dat plan ging echter niet uitgekomen.

Vandaag zou ik heel het Valle del Ara stroomopwaarts doorkruisen om zo vanuit het dalhoofd, waar ik op de tweede dag reeds doorheen getrokken was, over de Col des Mulets (2591m) te trekken Frankrijk in en af te dalen naar de Oulettes de Gaube, gelegen aan de voet van de majestueuze noordwand van het Vignemale Massief. Van daaruit hoopte ik nog om reeds verder te trekken over de Col d’Arraillé (2583m) naar één van de meertjes hoog in het Vallée du Lutour om daar ergens te gaan overnachten. Dat plan ging echter niet uitgekomen.Die ochtend was het nog steeds erg warm, maar het waaide toch minder fel. Na ontbeten te hebben en mijn rugzak ingepakt te hebben vertrok ik meteen op pad over de Puente de Bujaruelo. Van daar trok ik nu verder het dal in over een duidelijk wandelpad met de Rio Ara links van me, langsheen struikgewas en stukjes grasland. Niet veel verder van de Puente de Bujaruelo kwam ik een kleine kudde koeien tegen die nog lagen te soezen. Er stonden drie stieren bij en dat maakte me wat ongerust. De dominante stier was een ferme dikbil voor dit bergras en stond stokstijf recht midden tussen de koeien die rondom hem lagen. De twee andere stieren waren kleiner en leken me ook jonger. Zij stonden echter midden op het pad en waren een schijngevecht aan het houden. Met hun koppen naar elkaar toe stonden ze te briezen en af en toe stompten ze met hun horens tegen elkaar.

Het probleem was dat ik hier niet zo eenvoudig kon passeren. Vlak langsheen de vechtende stieren gaan zag ik niet zo goed zitten. Rechts was geen goed idee want dan zou ik los doorheen de kudde koeien moeten lopen en de dominante stier en zou ik hen misschien opschrikken. Ik ben dan links van de twee gepasseerd, wetende dat de afstand van de oever van de Rio Ara tot aan het pad slechts een drie meter bedroeg. Ik ben dus vlak langsheen de vechtjassen gepasseerd. Terwijl ik hen voorbij liep stopten ze met hun vechtpartij en keken me even aan maar verder gebeurde er niets. Ik liep snel verder.

Het pad bleef vlak verder lopen tussen dicht struikgewas door. Wat verder kwam ik dan op een brede kiezelweg terecht die vervolgens via enkele haarspeldbochten naar omhoog liep. Zo klom ik geleidelijk weg van de dalbodem op weg naar de plek waar het Valle del Ara stroomopwaarts vernauwt tot een kloofachtig dal. Ondertussen had ik uitzicht gekregen op het Valle de Otal dat links met een drempel in het Valle del Ara uitmondt.

De weg liep de kloof in met de Rio Ara nu als een wilde rivier links diep beneden. Deze lokale vernauwing in het dal duurde niet lang en verder opende de dalwanden zich weer opnieuw waar vervolgens het Valle de Ordiso weer via een drempel van links in het Valle del Ara uitmondt. Hier bevindt zich de Refugio de Ordiso (1580m) die ik eveneens passeerde.Valle del Ara & Vignemale De weg werd hier opnieuw een bergpad dat regelmatig ontsierd werd door een koeienvlaai en liep gestaag bergop verder doorheen het dal. De struikzone hield nu op. Hier groeiden nu voornamelijk naaldboompjes. Verder kwam ik ze dan weer verspreid tegen, de koeien. Na een hele poos verder trekken door het lange dal kwam ik uiteindelijk boven de boomgrens uit en niet veel verder hield ik dan mijn middagpauze, beschut achter een rots met een marmot niet ver van me vandaan die me constant in het oog hield van op zijn uitkijkpost. Het was frisjes in de schaduw ook al was er hier zo goed als geen wind meer. Na het pakje hardkeks met confituur naar binnen gespeeld te hebben wandelde ik weer verder. Het pad stak verschillende stroompjes over die zich wat verder links beneden bij de Rio Ara voegden. Onderaan op de berghellingen groeiden hier nu enkele kleine struikjes die hun herfsttooi reeds aangetrokken hadden. Een eind verder kwam ik dan nabij een bredere vlakte uit in het dal waar vele koeien graasden en de Rio Ara zich in meerdere stroompjes doorheen slingerde. Hier mondt het Valle de Espelunz haaks uit in het Valle del Ara. Doorheen het Valle de Espelunz was ik eergisteren nog door getrokken komende vanuit het Valle de Bacias dat slechts een stukje verderop in het Valle de Espelunz uitmondt. Na een eindje verder te zijn gelopen op het nu tijdelijk vagere pad kon ik al heel het Valle de Espelunz inkijken met achteraan de Collado de Espelunz (2443m).

Maar mijn weg liep verder doorheen het Valle del Ara. Voorlopig had ik tot nu toe steeds flauw gestegen doorheen de dalbodem van het Valle del Ara, maar dat veranderde nu abrupt. Het pad begon matig steil te stijgen en de weliswaar reeds kleinere Rio Ara werd hier plots een wilde bergbeek met vele rotsblokken en watervallen in de bedding. Het pad kwijnde weg en dus volgde ik verder de steenmannetjes tot ik vlak aan de oever van de Rio Ara was uitgekomen en dan nergens meer een steenmannetje of een spoor van een pad kon opmerken. De Rio Ara kwam hier uit een kloofachtige insnijding gestroomd. Ik besloot om de beek toch over de rotsen over te steken en dan langs de oever verder te trekken, ondanks dat dit steil omhoog was. Maar steil was het nu overal. Het leek immers minder waarschijnlijk dat de route rechts van de beek verder liep want de berghelling was daar nog steiler en bezaaid met veel rotsen. Zo liep ik dus, nadat ik de beek overgestoken had, vlak langs het ruisende water naar omhoog doorheen het kloofachtig dalletje waar de Rio Ara zich in had ingesneden. Na een bocht naar links werd ik dan gedwongen de Rio Ara terug opnieuw over te steken want verder stroomopwaarts wrong de beek zich in een echte kloof met langs beide zijden dus terassen op de dalbodem. Ik was nu niet ver meer van de plek waar het Valle de los Batans in het Valle del Ara uitmondt. Dagen geleden was ik daar het Valle del Ara uitgeklommen om naar de Collado del Letrero te klimmen hoog in het Valle de los Batans en van toen wist ik dat het pad doorheen het Valle del Ara, dat ik toen vermeden had, langs links van de Rio Ara loopt.

Niet veel verder ben ik de Rio Ara dus weer overgestoken, vervolgens zeer steil over de grashelling naar omhoog gelopen zodat ik op het terras uitkwam waar ik zoals verwacht niet veel verder weer op het pad stuitte. Het pad bleef nu matig steil omhoog lopen en steeg geleidelijk de berghelling op, af en toe een puinhelling overstekend. Ik was nu net voorbij de plek waar het Valle de los Batans zich bij het Valle del Ara voegt en hier hielt ik even halt om een isostar reep te eten. Ik klom enkele meters van het pad omhoog en zette mijn rugzak en mezelf in het dorre gras. Dit was een bijzondere plek, niet omwille van een mooi uitzicht maar wel omdat ik nu van op deze plek vier bergpassen kon zien die ik de voorbije dagen overgestoken had: de Puerto de Arratille (2528m) en Collado del Letrero (2691m) die ik beiden reeds op de tweede dag doorgestoken had, de Collado del Brazato (2578m) tijdens de avondbeklimming van Pico de Bacias (2758m) en tot slot de Collado de Espelunz (2443m). De weg die ik op de tweede dag had gevolgd op weg naar de Collado del Letrero kon ik nog duidelijk volgen. Twee Spaanse klimmers passeerden me tijdens mijn rustpauze. Zij waren de eerste mensen die vandaag mijn weg kruisten. Beladen met een pickel op hun rugzak moeten ze ongetwijfeld de Vignemale beklommen hebben. Ze waren op weg naar Bujaruelo waar ik dus vandaan kwam. Lang ben ik niet blijven zitten en vervolgde dus al weer snel mijn weg over het stijgende bergpad.

En zo kwam ik al gauw voor een tweede keer in het dalhoofd van het Valle del Ara terecht, maar dit keer hogerop. Het pad klom geleidelijk minder steil verder, maar wat ik onder mijn voeten kreeg werd wel minder aangenaam. Af en toe moest er een puinhelling van middelgrote rotsblokken overgestoken worden. Een eind verderop steeg het pad dan plots zeer steil een brede couloir in via kort op elkaar volgende haarspeldbochten. Dit was eigenlijk niet de route naar de Col des Mulets (2591m) langs waar ik Frankrijk wou intrekken, maar niets vermoedend klom ik hier verder de steenmannetjes volgend. Deze couloir was uitsluitend gevuld met kalksteenpuin en kleine rotsblokken. Hogerop werd de couloir minder steil en toen ik omkeek werd het me duidelijk aan de ligging van de Col d’Arratille dat ik niet op weg kon zijn naar de Col des Mulets, maar wel naar de naburige Col des Oulettes (2606m), ook wel de Port de Cauterets genoemd. Toch was dit geen ramp want over de Col des Oulettes kan je eveneens Frankrijk intrekken. Beide routes over de twee cols komen langs de Franse kant weer samen nog voor de Oulettes de Gaube. Het enige nadeel was dat de Col des Oulettes een tikje hoger is dan de Col des Mulets en ik dus wat meer moest klimmen nu. Overigens kon ik nu zeer verrassend de kegelvormige Gran Facha (3005m), die ik dagen terug beklommen had, doorheen de Col d’Arratille zien.

Niet veel verder kwam ik omstreeks enkele minuten over twee op de col aan en stond ik dus pal op de Frans - Spaanse grens. Het zicht naar de Vignemale werd nog geblokkeerd maar de Petit Vignemale (3032m), een bergtop die ik vorig jaar beklommen had, kon al wel gezien worden. Beneden kon ik de Oulettes de Gaube zien liggen met daarop de kronkelende rivierarmen van de Gave des Oulettes de Gaube. Dit is één van de best ontwikkelde sandrvlaktes in de Pyreneeën. De anders fel groene vlakte in de zomer was nu reeds in een bruine tint gehuld door het verdorde gras. Vorig jaar had ik op deze vlakte nog gebivakkeerd tijdens de laatste nacht. De Refuge de Gaube (2151m) kon ik in de verte ook zien liggen op de oude morenewand die de vlakte afdamt, maar ze zag er wel anders uit dan een jaar voorheen. Men was de berghut namelijk aan het restaureren. Ik kon het lawaai van de timmerwerken tot hier op de col horen.

Na een korte pauze op de col begon ik aan de afdaling en die startte meteen erg steil over een vaag pad. Een eind lager stootte ik dan op een veld van rotsblokken gelegen op een vervlakking en dat overgestoken diende te worden. Hier voorbij was het opnieuw afdalen, een kom in. Maar het bleef onaangenaam verder lopen over rotsblokken. Aan het uiteinde van de kom werd alles dan toch vriendelijker. De rotsblokken en steenmannetjes hielden op en maakten plaats voor een kronkelend pad en berggras. Vanaf nu was ik ongeveer halfweg op de afdaling en kon ik ondertussen links van me de Col des Mulets zien liggen. Ook de machtige noordwand van het Vignemale Massief kwam later geleidelijk helemaal tevoorschijn. Na enkele haarspeldbochten voegde het pad waarop ik liep zich samen met het pad komende van de Col des Mulets. Het lawaai van de werken aan de Refuge de Gaube werd steeds luidruchtiger naarmate ik dichterbij kwam op de afdaling.

Plots kwam er een helikopter aangevlogen van over de Hourquette d’Ossoue. Hij vloog naar de berghut alwaar hij even bleef hangen om materiaal te lossen en vloog dan weer verder doorheen het Vallée de Gaube weg. Ik kon nu ook enkele dagjesmensen zien rondslenteren dicht bij de berghut. Een eind verder passeerde ik zo een dagjesmens, gekleed in jeansbroek en vergezeld van zijn hond. Wat die hierboven kwam zoeken wist hij waarschijnlijk zelf niet. Bezigheidstherapie noem ik dat. En zo kwam ik niet veel later op de vlakte van de Oulettes de Gaube uit, net niet te vroeg want de dagjesmensen waren het nog maar net afgebold. Ik ging meteen naar de Refuge de Gaube in de hoop dat ik hier nog een cola zou kunnen krijgen ondanks de werken, maar de berghut was afgezet met een lint en een opschrift op een bord maakte voor de wandelaars duidelijk dat de berghut door de werken vervroegd gesloten was. Geen cola dan. De werklui was bezig met het aanbrengen van een nieuw dak en leken me nog veel werk te hebben. Vervolgens liep ik een dertigtal meter naar beneden in de richting van de Oulettes de Gaube en aanschouwde de noordwand van de Vignemale met de Glacier des Oulettes. Dit is één van de mooiste plekjes in de Pyreneeën.

Tegelijkertijd kwam er een groepje van drie luidruchtige Spanjaarden aan bij de Refuge de Gaube. Zij kwamen van de Hourquette d’Ossoue. Ik zette mijn rugzak neer op de grashelling met één van de vele beekjes kabbelend voor me. Nadat ik enkele foto’s genomen had vulde ik dan mijn waterzak weer bij met water uit het beekje. De drie Spanjaarden waren ondertussen ook afgezakt naar het beekje, een twintig meter stroomafwaarts van me. De ene kleedde zich haastig uit en sprong vervolgens volledig naakt de beek in. Op zijn buik ging hij in het water liggen. Hij hield het slechts twee seconden vol in het ijskoude water. Wat later volgden de andere twee, maar bij hun bleef het beperkt tot pootje baden. En terwijl zij stonden te bibberen in het water bleef de ene maar naakt tetterend rondlopen op de oever. Die Spanjaarden zijn toch rare kwieten.

Plots verscheen de helikopter weer. Hij kwam van beneden uit het Vallée de Gaube, maakte dan laag vliegend een draai over de vlakte waarbij de piloot ook even kon genieten van de naaktshow van de Spanjaarden. Hij vloog vervolgens vlak boven de Spanjaarden naar de berghut waarop de twee in de beek als een pijl uit het water schoten wanneer de felle wind van de helikopter hen overviel. De helikopter had een pak hout bij dat via een kabel een tiental meter onder de helikopter zweefde. Nadat dit pak hout gelost was op het dak van de berghut vloog hij weer haastig naar beneden weg. De Spanjaarden hadden zich ondertussen aangekleed.

Ik pakte mijn rugzak weer op en besloot om een eind verderop op de vlakte te gaan zitten en het voor vandaag voor bekeken te houden wat het wandelen betrof. Volgens plan zou ik vandaag nog over de Col d’Arraillé (2583m) verder trekken naar een meertje hoog in het Vallée du Lutour, maar dat zou nog enkele uren in beslag nemen en het was reeds drie uur in de namiddag. Ik had er niet veel zin meer in. Aldus besloot ik om de komende nacht voor een tweede keer op de Oulettes de Gaube te overnachten met mijn tent. Een eind verderop zette ik me in het gras, net een twintig meter op de berghelling aan de oostkant van de vlakte en naar schatting een 150m van de Refuge de Gaube. Ik nam mijn slaapmatje, rolde het uit, blies het op en ging dan hierop liggen luieren in de zon. Een goeie tien minuten later kwamen de Spanjaarden voorbij geslenterd. Zij gingen me nadoen door nog een eind verder te gaan zitten, op het eind van de vlakte verscholen achter rotsblokken. En nog een poosje later verscheen de helikopter weer met opnieuw een pak hout. Na het lossen vloog hij weer naar beneden en keerde niet meer terug. Ondanks het timmerlawaai viel ik niet veel later in de felle zon op mijn matje in slaap…

…Ik werd wakker en realiseerde dat ik in slaap gevallen was. De zon stond reeds veel lager en de berghelling in het westen wierp al een grote schaduw op de Oulettes de Gaube die nog net niet tot bij mij reikte. Snel keek ik op mijn horloge. Het was reeds bijna half zes. Ik had dus bijna twee uur liggen slapen. Het was nu al wel tijd om eten klaar te maken. Al zittend op mijn matje liet ik water koken en slokte een tijd later mijn maaltijd naar binnen. Daarna stopte ik weer alles in mijn rugzak, rolde mijn matje op en ging dan een plek zoeken om mijn tent op te zetten. Normaal gesproken mag dit pas na 19h00 en enkel op een kleine aangeduide strook op de vlakte net daar waar de route van de Col des Oulettes en Col des Mulets op de Oulettes de Gaube uitkomt want ik bevond me hier in het franse Parc National des Pyrénées. Vorig jaar had ik op de aangeduide plek gebivakkeerd samen met een groep Fransen. De waard van de berghut had ons toen trouwens in de gaten gehouden, maar vermits die er nu niet was besloot ik om deze strikte regels aan mijn laars te lappen. De werklui trekken zich toch niks van ons aan. Mijn tent stond dus al om half zeven recht en niet op de verplichte bivakplek maar bijna midden op de vlakte net naast een grote rotsblok.

Voor de rest van de avond ging ik me nog even wassen aan een beekje en ging niet veel later al slapen. Het was al behoorlijk kil nu de zon reeds een tijd achter de bergen verdwenen was. De drie Spanjaarden bivakkeerden ergens verscholen achteraan op de vlakte. Ook zij volgden de regels dus niet. Ik kroop mijn slaapzak in en viel zonder veel moeite weer in slaap.

Afstand : 23,3km
Duur : 7h40

Klimmen : 842m
Dalen : 2024m

Bergpassen : Collado de Ordiso (2232m), Collado de Tendeñera (2345m)
Bergtoppen : Pico de Ordiso (2319m), Pico de Tendeñera (2853m)

Gisteren was ik gedurende de dag erg moe geworden. Daarom hoopte ik vandaag op beterschap want net vandaag zou de langste etappe gaan aanbreken waarin ik de Pico de Tendeñera (2853m) graag had willen beklimmen om dan zeer diep af te dalen naar de bodem van het Valle del Ara op weg naar bekend terrein. In het Valle del Ara zal ik namelijk naar San Nicolau de Bujaruelo trekken. Dit is de bekende camping in het Valle del Ara waar ik vorig jaar ook reeds overnacht had op de voorlaatste nacht. Daar zal ik me eindelijk eens deftig kunnen verfrissen onder de douches. Ik had dus reeds iets om naar uit te kijken vandaag.

De dag startte niet veelbelovend die ochtend want gedurende de nacht was het weer behoorlijk beginnen waaien, maar helemaal niet zo fel als de stormnacht ervoor zodat ik er ook niet wakker van was geworden. Het was om en bij 2°c in de tent. Wanneer ik dan naar buiten tuurde enkele minuten over zeven zag ik een pak grijze stratocumulus aan een snel tempo over zweven in de noordelijke luchtstroom. Slechts hier en daar kon tussen het wolkendek door een stukje blauwe hemel waargenomen worden waarin ik nog steeds verrassend sterren zag fonkelen hoewel het reeds behoorlijk licht was geworden. De top van de Pico de Tendeñera (2853m) verdween net in het wolkendek en zo dus was het twijfelachtig of ik vandaag deze berg wel kon gaan beklimmen of niet want een top beklimmen die in de mist gehuld is, is compleet zinloos. Het leek erop dat het wolkendek gedurende de dag wel zou optrekken en gedeeltelijk oplossen en geen voorbode was van slechter weer. Maar zeker was dit natuurlijk niet.

De schapen en geiten van gisteren waren nergens meer te bespeuren. Nadat ik dan ontbijt had, tent afgebroken en rugzak vertrekklaar gemaakt had was het reeds tien over negen. Vervolgens ging ik op pad.Pico de Tendeñera Ik trok de nabije naamloze col over en daalde vervolgens af naar het naamloze meertje dat ligt verborgen op het balkon hoog boven het Valle de Otal. Hier aangekomen steeg ik weer even naar een volgende col niet ver boven het meertje uit. Op deze col opende het zicht zich vervolgens op de Hoya de Ordiso, een hoogvlakte tussen het Valle de Ordiso en Valle de Otal, alsook op de bergen aan de overkant van het Valle del Ara waar nu grijzere wolken vanuit het noorden tegen een redelijk tempo net over de toppen scheerden met hier en daar onder hun basis een sluier van regen die het Valle del Ara inviel. Het zicht op de Tendeñera en zijn sierraHoya de Ordiso & Valle del Ara achter me eindigde nu vermits ik de kom op de hoogvlakte indaalde. Beneden op de golvende hoogvlakte bevond zich weer een meertje met een rustig slingerend beekje dat het water vanuit dit meertje verder via een afgrond naar het Valle de Ordiso bracht. Links voegde een soort nis zich toe aan de hoogvlakte en het is hierin dat de Puerto de Ordiso verscholen ligt, de col die ik eerder gepland had om over te steken, maar gisteren dus besloten had te vermijden. Onderaan de kom op de hoogvlakte, een poosje van het meertje vandaan stond een hele kudde schapen, hoogstwaarschijnlijk dezelfde kudde die me gisterenavond even goeiedag had komen zeggen net terwijl ik wou gaan slapen. Ik daalde verder af naar het meertje, passeerde het vlak langs de oever en volgde dan even het meanderende beekje verder. Daarna klom ik een heuvel op waarbij ik het beekje links liet voor wat het was. De bedoeling was om een route te zoeken naar de Collado de Ordiso, een col die een verbinding vormt tussen het Valle de Ordiso en het Valle de Otal.

Op de heuvelrug aangekomen zag ik de col niet dadelijk liggen, maar niet veel verder, weer een eindje lager leek me een vaag pad te lopen en hier besloot ik dus naartoe te lopen. De omgeving hier hoog op de Hoha de Ordiso bestond eigenlijk uit een wirwar van heuvelruggen met daartussenin karstdepressies. Een eindje verderop was ook een kam met hogbacks te herkennen. Een echt gestructureerde dalbodem was hier dus nog niet te vinden. Door het gras daalde ik dus weer af naar het vage paadje en vervolgde het dan in de richting van de bergkam met het Valle de Otal. Dit duurde wel niet lang want niet veel verder, op de bodem van een bredere depressie hield het pad geleidelijk op in het gras. De bergkam was hier nu ook niet meer te zien en daardoor werd oriënteren moeilijk. Overal rondom me lagen heuvelruggen. Enkel in het oosten waren enkele bergtoppen aan de overkant van het Valle del Ara zichtbaar.

Ik besloot om hier even in het gras te gaan zitten om uit te rusten en even op de kaart te kijken om in te schatten waar ik me ongeveer zou bevinden en om dus beter te kunnen inschatten waar de Collado de Ordiso zich ongeveer kon bevinden. De col leek toch nog een heel eind hier vandaan te liggen. Ondertussen had ik een gems opgemerkt die een vijftig meter verderop stokstijf op de heuvelrug, half verborgen achter een rots, me stond aan te staren. Toen ik na enkele minuten weer recht stond, mijn kaart terug in mijn rugzak stopte en dan weer de heuvelrug op keek was ze plots verdwenen. Misschien kwam dit wel door wat er plots in de lucht te zien was, want van over de Puerto de Ordiso kwam een hele zwerm gieren gevlogen. Eigenlijk vlogen ze niet maar lieten ze zich al rondcirkelend verder zweven door de lucht. Het waren er meer dan twintig. Na een poosje waren ze reeds langzaam overgetrokken en cirkelden dan ergens hoog boven het Valle del Ara.

Ik vertrok weer, liep de helling op naar het zuidoosten en boven aangekomen zag ik dan de bergrug liggen. De Collado de Ordiso zag ik nu duidelijk voor me. Na een hele poos verder trekken doorheen het korte gras kwam ik uiteindelijk op de brede col uit. Een omheining bestaande uit een net was hier op de bergrug aangebracht om het vee dat graasde op de hellingen van het Valle de Otal te beletten de bergrug over te steken naar het Valle de Ordiso. Beneden zag ik nu de bodem van het Valle de Otal liggen en een goede veertig meter lager lag een terras op de berghelling met daarop een vaag pad. Ik daalde af naar het terras en vervolgde mijn weg verder naar het oosten. Na het doorkruisen van een rotsveld kwam ik dan bij een kudde koeien terecht waar de boer op een afstand in het gras vreemde geluiden maakte naar de kudde toe. Ik liep tussen de koeien door de berghelling terug op want ik wou hier de niet veel hoger gelegen top van de Pico de Ordiso (2319m) bereiken.

Even voorbij de kudde zette ik zo mijn rugzak neer in het gras, dronk nog een paar slokken water en liep dan het laatste deel zo verder via de bergrug naar de rotsige top van de Pico de Ordiso waar nog een eenzame gems nabij de top plots wegdook toen deze mij zag naderen. Op de top stond behoorlijk wat wind. De Vignemale (3298m) in het noorden lag in de wolken. In het zuidoosten bleef het Valle de Ordesa eveneens verborgen. Op de vlakke bodem van het Valle de Otal glinsterde wel mooi het water van de meanderende beek hier waar ik deze namiddag nog zal naast wandelen. De top van de Pico de Tendeñera lag nu al een hele poos niet meer in de wolken en dus besloot ik hier om hem toch te gaan beklimmen.

Ik daalde opnieuw af naar mijn rugzak, passeerde vervolgens opnieuw doorheen de kudde koeien en vervolgde dan het vage pad op het terras over een grote afstand verder naar het westen op weg naar de Collado de Tendeñera (2345m) waarbij ik hier en daar nog enkele troepjes herkauwende koeien passeerde. Na een hele poos verder trekken liep ik zo geleidelijk een komdalletje in onder de Collado de Tendeñera. Hier lagen nog twee koeien afgezonderd te herkauwen in het gras. Het pad verdween hier in het gras maar op redelijke afstand kon ik nu op de enkele verspreide rotsblokken wel telkens de rood witte verfstreepjes van het GR11 herkennen. Achteraan in het komdalletje liep de route dan via enkele kronkels de berghelling op en hier verscheen het pad opnieuw. Het klimmen beviel me niet. Ik was nog redelijk vermoeid van de voorbije lange en zware dagen zodat ik maar langzaam naar boven ging. Gelukkig was deze klim niet zo lang naar de col. Het was stipt 12h00 toen ik boven aankwam.

De Collado de Tendeñera (2345m) is een brede col. De bodem bestaat overal uit banden van grijze en fel bruine poreuze kalksteen. Ik ging van het pad af naar het zuiden en hielt halt nabij een rotsrichel waar ik de eerste steenmannetjes opmerkte die de route voor de beklimming van de Pico de Tendeñera markeerden. Hier ging ik zitten om de middagpauze te houden.

Nadat ik mijn middagmaal rustig naar binnen gewerkt had en nog goed had gedronken maakte ik me klaar voor de lange klim naar de top van de Tendeñera. Hopelijk ging de beklimming meevallen en niet te veel krachten vragen want daarnet op weg naar de col voelde ik me al niet zo fris. Van wolken ging ik in elk geval geen last meer hebben want de zon scheen alvast volop. Het eerste stuk liep een kleine puinhelling van rotsblokken op en dan kwam ik in een niemandsland terecht even boven de Collado de Tendeñera. Overal lag poreuze kalksteenpuin tussen grotere rotsblokken en rotsrichels met hier en daar een karstdepressie en ook diepe spleten in de vaste kalksteen. Geen enkel plantje groeide hier. Het was moeilijk om de steenmannetjes te volgen. Even verloor ik de route in een langgerekte karstdepressie, maar toen ik deze uitklom naar het zuiden stootte ik even verder toch weer op een steenmannetje. Vanaf nu verscheen er een vaag pad in de kalksteengruis en begon het ook pas echt te klimmen. Zo passeerde ik nog een diepe karstdoline die beneden nog gevuld was met een plak sneeuw en kwam dan een eind verderop weer op een vlakker stuk terecht waar het pad weer verdween. Dit was de laatste karstvlakte die vlak onder de noordwand van de sierra lag. Na de vlakte doorkruist te zijn klom ik weer geleidelijk steiler en steiler verder de steenmannetjes volgend over steeds ruiger terrein met steeds grotere rotsblokken. De top van de Tendeñera lag nu rechts van me en op het punt waar de route een plotse bocht maakte naar rechts om vervolgens zeer steil via een nauwe schacht het finale stuk naar de kam aan te vatten, liet ik mijn rugzak achter nadat ik nog even goed gedronken had. Mijn wandelstokken nam ik wel mee. Vervolgens klom ik behoorlijk steil door de schacht omhoog. Na zo’n tachtig hoogtemeters gewonnen te hebben ging ik dan boven aankomen op de kam, niet ver van de top vandaan.

Dat dacht ik tenminste want boven aangekomen bleek wat ik dacht helemaal niet het geval te zijn. Ik kwam verrassend op een kleine hoogvlakte terecht met de van hieruit gezien toch wel indrukwekkende top van de Tendeñera recht voor me nog een 150m hoger, een heel eind verder dan ik gedacht had. Het was dus nog een heel eind verder naar de top. Ik bekeek eerst alles goed. Steenmannetjes waren hier nu niet meer te vinden en dus moest ik uitkijken naar een eigen route. Rechtstreeks naar de top klimmen leek niet mogelijk door het steile gruis. Het beste leek me om de hoogvlakte te doorkruisen naar de zuidpunt en om van daaruit over de schouder van de berg naar de top te klimmen.Ordesa Zo liep ik snel de vlakte over en kwam dan aan de schouder aan waar ik de finale klim aanvatte. Redelijk steil klom ik zo over de schouder omhoog met een diepe afgrond aan mijn linkerkant die steeds dieper werd. Een frisse bries vanuit het noorden vergezelde me mee naar boven. Het uitzicht naar het zuiden was reeds grandioos. Op het laatste stuk voor de top had ik even veel lucht langs beide kanten. De schouder ging hier over in een berggraat van slecht een meter breed en met dus diepe afgronden langs beide kanten. Niet veel verder kwam ik op de bredere top aan stipt om 13h30. In feite bestaat de Tendeñera uit twee even hoge toppen. Ik liep helemaal tot op de tweede top waar een steenman was aangebracht en tuurde dan in het rond.

Uiteindelijk was de beklimming goed meegevallen ondanks een zwakker moment voor de Collado de Tendeñera. Het zicht van op de top was iets speciaals. Omdat de Sierra de Tendeñera hier eigenlijk de eerste echte markante bergen vormen als je de Pyreneeën nadert vanuit Spanje was het zicht naar het zuiden helemaal anders dan naar het noorden. In het noorden waren Pic du Midi d’Ossau (2884m), Garmo Negro (3051m), de Picos del Infierno (3082m), en de massieve kalkstenen massa van de Vignemale (3298m) te bewonderen. In het zuiden geen bergen meer maar een glooiend cuestalandschap met mooie valleien die hier en daar doorheen dit gestructureerde reliëf door braken. Verder weg zou ergens de Ebro moeten liggen en aan de horizon kon ik zelfs doorheen de heiigheid de Sierra de Guara zien liggen. Deze bergketen ligt een slordige 200km dieper Spanje in aan de overkant van de Ebro!

Aan de noordkant van de top kon ik akelig diep beneden de sneeuwvelden zien liggen. In het oosten lag de Ordesa met een mooi zicht op de vallei en de Peña de Otal (2709m) er vlak naast op de voorgrond. Verder weg lag het massief van de Cotiella (2912m), een geheimzinnig en eenzaam berggebied in de Pyreneeën. De top van de Monte Perdido (3355m) lag helaas verscholen in een stilstaande lenticulariswolk. Er hingen meerde van deze wolken boven de hoofdkam te zweven. Een grandioos uitzicht!

Na de nodige foto’s genomen te hebben vatte ik de afdaling aan. Eerst over de berggraat, dan over de schouder naar de hoogvlakte en van daaruit na enkele foto’s te nemen van de noordwand van de Tendeñera via de schacht weer naar mijn rugzak. Hier aangekomen zag ik nu in de verte een groep van drie Spanjaarden naderen. Op uitzondering van de boer waren dit de eerste mensen die mijn pad gingen kruisen vandaag. Ze waren duidelijk uitgerust met materiaal om de Tendeñera te beklimmen. Ik rustte enkele minuten uit nabij mijn rugzak terwijl de groep langzaam de karstvlakte doorkruiste. Dan nam ik mijn rugzak weer op en begon verder met de afdaling naar de Collado de Tendeñera. Uiteindelijk kruiste ik de groep niet. De Spanjaarden hadden een andere schacht gezien om de hoogvlakte te bereiken. Deze was wel veel steiler en gevuld met losliggend gruis. Hier gingen ze door naar omhoog. Wat die Spanjaarden steeds bezielt weet ik niet. Ze doen toch steeds rare dingen. Waarom bleven ze niet gewoon de normale route volgen? Ik passeerde onder hun door terwijl ze reeds volop aan het sukkelen waren in de schacht.

Het afdalen ging snel vooruit. Na de karstvlakte doorkruist te zijn liep ik weer steiler naar beneden over de gruishelling. Ik kon me moeilijk inbeelden dat ik hier daarnet naar boven was gekomen. Op de laatste chaotische vlakte boven de Collado de Tendeñera herkende ik nu wel alles van daarnet en kon ik nu dus wel veel sneller de steenmannetjes verder volgen. Op de Collado de Tendeñera vervolgde ik meteen de afdaling verder het Valle de Otal in. Een zeer lange afdaling ging nu volgen tot helemaal in het Valle del Ara. Weer een heel eind verder op het terras hoog in de vallei kwam ik dan uiteindelijk bij de splitsing waar het GR11 naar beneden afdaalde. Hier ging ik nu dus naar beneden. Even verder splitste het pad zich en het was onduidelijk welke richting ik nu zou moeten nemen. Ik verkoos om links af te slaan, maar dat bleek na een poos afdalen niet de beste keuze te zijn geweest want het werd me duidelijk dat dit een koeienpad was. Het pad daalde niet meer, maar bleef net op gelijke hoogte verder lopen langs de helling. Nog even bleef ik verder lopen, maar dan verliet ik het pad en daalde steil af doorheen het dorre gras. Het was nog een heel eind afdalen. Toch vond ik het niet zo erg want hoewel ik nu geen pad meer onder de voeten had ging alles toch redelijk vlot en zonder problemen.

Na langsheen enkele kudden koeien gepasseerd te zijn met inbegrip van een stier kwam ik dan beneden op de zo goed als biljartvlakke dalbodem van het Valle de Otal uit, slechts een vijftig meter van de Refugio de Otal (1720m). Dit is geen hut zoals de naam doet vermoeden, maar wel de redelijk ruime cabane van de lokale herder. Een kaarsrechte grindweg liep hier over de dalbodem naar de cabane. Ik vervolgde de weg vervolgens op weg naar het Valle del Ara.

De omgeving beneden in het dal had een mooie aanblik. De kalkstenen bergwanden van de Ordesa voor me als ik het Valle de Otal uit keek, samen met de met puinhellingen en naaldbomen bekleedde zuidelijke helling van het Valle de Otal. Het leek een perfect plaatje voor ergens in de Rocky Mountains, hoewel ik hier nog nooit geweest ben. Verderop graasden een hele troep koeien en omdat ik het beu was om op de verharde weg te lopen ging ik ongeveer halfweg in de vallei van de weg vandaan en liep doorheen het gras naar de rustig kronkelende beek welke ik vervolgens verder volgde stroomafwaarts. Zo passeerde ik nog vele liggende koeien en kalveren. Vrijwel aan het eindpunt van de vlakte in het dal werd ik gedwongen de rivier over te steken en dat was een koud kunstje want de rivier was hier plots zeer breed en ondiep.Valle de Otal Zo kwam ik terug op de grindweg uit welke ik even licht stijgend vervolgde. Hier stonden weer veel koeien met ook weer een stier en nabij de rivier was de boer nu de kalveren tussen de koeien bijeen aan het drijven. Vervolgens kwam ik bij een hek aan welke ik niet open kreeg zodat ik er maar over geklommen ben. Niet veel verder dook een pad weer de struiken in, weg van de onaangename grindweg. Er kwamen hier net twee trekkers naar boven. Nadat ze de grindweg bereikt hadden, nam ik het pad naar beneden. Ik daalde nu naar de bodem van het Valle del Ara en het landschap veranderde drastisch. Het pad kronkelde naar beneden doorheen dicht struikgewas bestaande uit struiken bekleed met rode bessen welke een herfstachtig beeld schonken. Daarnaast ook enkele naaldboompjes, kleine berken met eveneens geel gekleurde bladeren en een soort buxusstruiken. Bovendien waaide het hier plots behoorlijk in dit dal. Verder naar het noorden zag ik nu dat het redelijk brede Valle del Ara zich plots versmalt tot een echte kloof. Daar zou ik morgen doorheen moeten passeren. Na een niet zo’n lange afdaling kwam ik weer op de grindweg terecht welke ik verder naar beneden vervolgde tot deze helemaal beneden in de vallei uitkwam op de grindweg die verder doorheen het Valle del Ara loopt.Valle del Ara Ik sloeg hier dus rechtsaf en liep zo in de schaduw van de bergen doorheen de bodem van de vallei met de ruisende Rio Ara links van me. De bodem van de vallei had een echt parkachtige aanblik. Dit had ik nog nooit gezien. Kleine stukjes grasland met verspreid dichte bossen van struikgewas en kleine bomen met een kabbelende bergrivier die de naam Rio Ara draagt. Het was hier mooi beneden. Niet veel verder na enkele dagjesmensen gepasseerd te zijn kwam ik dan plots bij de boogvormige brug uit, de Puente de Bujaruelo, en voor ik het al besefte was ik reeds aangekomen bij de herberg. Het was 17h00 en ik was dus reeds op het eindpunt van vandaag, San Nicolas de Bujaruelo (1338m).

In de herberg vroeg ik een plaats op de camping voor de komende nacht. De uitbater herkende ik nog van vorig jaar. Er was nog redelijk veel volk en er stonden nog redelijk veel auto’s geparkeerd aan de herberg, allemaal dagjesmensen. En dan kwam ik op de camping aan. Vorig jaar kon ik op het grasveld nog twee andere tentjes bewonderen, nu geen enkele. Ik was de enige de komende nacht die ging kamperen op de camping. Het seizoen was reeds duidelijk ten einde gelopen.

Nadat ik mijn tent had opgesteld ging ik me douchen in het aangrenzende campinggebouwtje. Het duurde ontzettend lang voor er warm water uit de douche kwam gestroomd, maar na minuten lang was het er dan toch en kon ik me fris wassen. Terug in mijn tent maakte ik mijn eigen potje eten klaar terwijl twee vervelende straathonden de vuilbakken op de camping omver aan het duwen waren en wat later al het afval lag rond te slingeren. Ondertussen vertrokken alle dagjesmensen één voor één tot er uiteindelijk geen enkele auto meer te zien was bij de herberg. Vervolgens werden de honden binnen geroepen toen ik mijn avondmaaltijd naar binnen gespeeld had en dan werd het al langzaamaan donker. Het was al over zeven en het enige wat nog restte was het ruisende lawaai van de Rio Ara en het ritselen van de blaadjes van de bomen in de wind.

Ik ritste mijn tent dicht en probeerde te slapen, maar gemakkelijk ging dat niet. Er stond een stevige vlagerige wind hier in de vallei en mijn horloge duidde gedurende de nacht constant 14°c aan. Dat was meer dan tien graden warmer dan ik de voorbije nachten gewoon was. Ik heb niet in mijn rugzak geslapen, maar gebruikte hem opengeritst al deken want het was veel te warm. Waarschijnlijk was de wind het gevolg van het afdalen van een luchtstroom vanuit de nabije Port de Boucharo (2270m) en gaf zo een lokale foehn in de vallei. Later in de nacht werd alles toch wat rustiger, maar goed sliep ik niet. In gedachten was ik al bij morgen, want morgen ging ik het hele Valle del Ara doorkruisen en opnieuw Frankrijk intrekken.

« Older entries