Vrijdag 22 augustus: Guhkesvagge – Suottasvagge
Regen en storm op de toendra – mijn meest erbarmelijke bivak ooit
- Start: Guhkesvagge (880m)
- Aankomst: Suottasvagge (910m)
- Afstand: 19,5km
- Duur: 8u30
- Klimmen: 250m
- Dalen: 220m
- Aantal mensen gezien: 0
- Wadingen: Tjievrajågåsj (type 1), Guhkesvakkjåhkå (type 1 voor deze type 6 wordt), Suottasjjågåsj (type 4)
Heel de nacht door raast een stormachtige wind doorheen de vallei. Ik slaap niet al te vast door het kabaal van de wind. ’s Ochtends ziet het weer er nog steeds hetzelfde uit zoals het gisteren geëindigd is. Ontbijten, uit de slaapzak kruipen, koude broek aan trekken en verder inpakken. Ik ben ermee weg. De zuidflank van Ahkka is meesttijds niet meer te zien. De vallei verbreedt zich langzaamaan. De Guhkesvakkjåhkå wordt vriendelijker en kleiner. Ik loop op een eindje van de rivier vandaan, op een verdere afstand dan gisteren. De Guhkesvagge opent zich geleidelijk om over te lopen in Gassalahko, een uitgestrekt plateau vol met kleine en grotere meren. Het terrein loopt over in toendra met veel stenen, rotsen en minipuinbergjes.
Na een goeie 6km loop ik over een stenenveld van goed 300m lang waartussen langzaam water stroomt. Aan de overkant merk ik op de kaart dat ik de Guhkesvakkjåhkå ben overgestoken. De rivier is hier, waar ze van Gassalahko komt gestroomd, beslist niet meer dezelfde als verder in de Guhkesvagge. Met de kaart erbij dien ik me te heroriënteren. Het landschap is één uitgestrekte vlakte geworden en de bergen, die in de verte nog steeds in de wolken hangen, maken het moeilijk om te zien waar ik naartoe moet. Ik bevind me vlakbij het Oarjep Tjievrajavrre (879m), het meest zuidelijk gelegen meer op Gassalahko, maar ik kan het niet zien.
Ik beslis om nu al in westelijke richting te trekken. Zo volg ik op een kleine afstand de Vardasjåhkå, de verwilderde gletsjerrivier die zich hier dichtbij bij de Guhkesvakkjåhkå voegt. Het terrein wordt weer geaccidenteerd. Nu zijn het vooral meters hoge oude morenen die ik op en af moet. Niet veel verder kom ik aan een klein meertje uit. Achter een rots, een stukje van de oever vandaan, zet ik mijn rugzak neer en houd er beschut tegen de wind, die nog steeds krachtig blaast, de middagpauze. Het landschap heeft me nog niet echt bekoord vandaag. Verder in het noordwesten hangen donkere lage wolken en lijkt het te regenen. De wolken worden in de stroming naar me toe gedreven maar lossen gedeeltelijk op zodat het hier droog blijft. Over het bergmassief van Sarektjåhkkå begint zich ook een typisch verschijnsel te manifesteren. De bergen worden af en toe zichtbaar. Zo krijg ik even Gavabakte (1906m) en zelfs Sarektjåhkkå (2089m) te zien. Een wolkenmuur hangt over de toppen, maar lost op in de neerwaartse luchtstroom langs mijn kant. Ongetwijfeld regent het goed in de Ruothesvagge aan de andere kant van het bergmassief.
Na de middagpauze klim ik naar Lulep Gassavarasj (1010m), een mega morenebult eigenlijk die Gassalahko van de Guhkesvagge scheidt. Voor de eerste maal tijdens de tocht overstijg ik zo de grens van 1000m. Wanneer ik boven ben op de bult kan ik onder de lage wolken en tussen de regengordijnen door min of meer heel het merenplateau overzien. Lulep Gassavarasj wordt westwaarts afgedaald waarbij ik twee meertjes (975m) passeer en klim naar Alep Gassavarasj (1048m). Intussen ben ik de regen ingelopen en heb ik mijn regenjas aangedaan. Op Alep Gassavarasj zie ik de eerste sneeuwhoenders. Ik jaag een groepje op. Ze vliegen steeds een eindje verder voor me uit.
Ik passeer noordelijk van de top van Alep Gassavarasj en raak daarbij even zo goed als de wolken. Het regent redelijk door. Beneden is de Suottasjjågåsj in zicht gekomen. Het is een wilde verwilderde gletsjerrivier die het smeltwater vervoert van de Suottasjjiegna, de grootste gletsjer in het bergmassief van Sarektjåhkkå. De rivier vloeit Gassalahko op om dan rustig te worden en af te buigen naar het westen en de Suottasvagge in de stromen als de Suottasjåhkå. Het is weer zo’n grote rivier die nergens over te steken lijkt. En toch moet ik er op één of andere manier over zien te geraken.
Ik daal Alep Gassavarasj af en krijg zo een zicht op het hogere verloop van de Suottasjjågåsj tot waar de eindtong van de Suottasjjiegna nog net te ontwaren is onder de wolken. De rivier waaiert hier verder naar het zuiden uiteen in verschillende kanalen die er van op afstand redelijk rustig uit zien. Dit blijkt mijn enige weg te zijn om verder te geraken.
Ik daal dus verder af naar het zuiden en kom al snel bij de rivier aan. De verwilderde bedding wordt meteen met argusogen bestudeerd. Zoiets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Banken van fijn zwart zand en silt liggen in de bedding met talloze kleine zijstroompjes die er kronkelend doorheen vloeien, gevuld met fel grijsblauw water waar je nog geen millimeter doorheen kan zien. Verder kabbelt de hoofdstroom die zo’n dertig meter breed is en toch nog diep lijkt. Het is oppassen wanneer ik tot bij de hoofdstroom wil geraken. Hier en daar zak ik langzaam door de siltbanken weg net als in drijfzand. Dit is een echte gletsjerrivier. Nergens in de Alpen kom je er nog zo één tegen.
Ik keer maar terug naar veiligere oorden want de rivier is hier nog niet eenvoudig door te waden. Ik loop nog een eindje stroomopwaarts tot ik aan een punt kom waar de rivier meer verval heeft, wat wilder is maar ondieper doordat er drie aparte kanalen zijn gevormd. Ik merk dat het water hier vooral over een bodem van stenen stroomt. Hier moet ik het proberen, de eerste echte serieuze doorwading.
Ik haal mijn waadschoentjes boven en beslis om mijn broek niet uit te doen maar zo ver mogelijk op te stroppen. Het valt voorlopig nog mee in de wind en regen. Vervolgens alles op mijn rugzak binden, schoenen en fototas. Mijn leki’s worden op de langste stand uitgeschoven. De eerste stap in het water lijkt meteen mijn bloedsomloop door mijn voet af te snijden. Snel zet ik mijn tweede voet in het water en loop verder door de rivier. Tot net tegen de knieën komt het, meer niet. Toch is het oppassen. Door het gletsjersediment zie ik compleet niet waar ik mijn voeten zet. Door de kou begin ik spontaan diep en snel te ademen om telkens mijn longen krachtig leeg te blazen. Zonder veel moeite bereik ik 40m verder de overkant. Toch blij dat het over is. Vooral het koude water dat slechts een temperatuur moet hebben van net boven nul is het meest onaangename. Mijn voeten zijn rood gezwollen als ik mijn waadschoentjes weer uit trek. Ik droog alles af met mijn kleine zeemvel en doe kousen en trekkingschoenen weer aan. Mijn onderlichaam wordt weer warm. Het is plots een zalig gevoel in de voeten. Je zou het er nog eens voor doen.
Weg van de rivier trek ik verder maar kom meteen voor een diep moeras te staan. Het wordt zoeken naar een route doorheen de zompige brei waarbij ik meer dan eens een eindje moet terugkeren omdat ik te diep wegzak. Het duurt een tijdje voor ik er door ben. Vervolgens is het de mist in klimmen over een rotsblokkenveld en langsheen sneeuwvelden op de flanken van Suottasjvaratja (1047m), weer zo’n mega morenerelict. Het zicht schommelt maar iets tussen 50 en 200m. Ik passeer een rendierkarkas en kom dan weer onder de wolkenbasis uit wanneer ik de Suottasvagge in daal uitkijkend voor een bivakplek.
Het gaat een onaangename avond en nacht worden. Het blijft maar regenen en bovendien is het weer stormachtig aan het waaien doorheen dit dal. Ik loop voor een anderhalve kilometer verder tot ik aan een hoge rotsblok kom midden tussen de open toendra in de vallei. Diepe putten liggen in de grond rondom de rotsblok, die op één of andere manier zijn gevormd door vorst en sneeuw. Het is hier overal zo met alle rotsblokken. Aangenaam plat kan ik hier niet liggen maar het is de enige keuze die ik heb of ik moet mijn tarp open en bloot in de wind op stellen. Daar pas ik toch liever voor, temeer omdat ik nergens losse stenen kan vinden om de achterkant van mijn tarp dicht te stapelen met een muur van stenen. Alle stenen en rotsen hier in de grond zitten zo vast als beton. In de lijzijde van de rotsblok probeer ik maar mijn bivakplek te maken. De tarp wappert van hier naar ginder in de turbulentie achter de blok. Ik krijg ze niet compleet strak opgesteld. Veel voordeel heb ik niet van de blok.
Vervolgens ga ik water halen aan een zijbeekje van de Suottasjåhkå waar ik wel een eindje voor moet lopen. Het wordt eten en meteen weer gaan slapen. Lage wolken razen vlak boven de dalbodem over, regen gutst tegen de tarp. Ik lig niet plat. Dit wordt mijn meest onaangename tarpnacht ooit.
’s Nachts regent het harder en halen de rukwinden nog steviger uit. De tarp wordt regelmatig stevig tegen mijn bivakzak geblazen. Daarbij voel ik ook nog eens regelmatig waterdruppeltjes op mijn gezicht spatten. Waar ze exact vandaan komen is me een raadsel. De tarp wappert dat het niet meer schoon is en spat al het regenwater weer op. Mijn bivakzak hangt vol druppels. Ik kan er niet veel aan doen. We zien morgen wel verder.
Zaterdag 23 augustus: Suottasvagge – Ruohtesvagge bij Nijakvagge
Een eerste hoge doorsteek in die grijze doodse woestenij – de gletsjerpoort van Nijak
- Start: Suottasvagge (910m)
- Aankomst: Ruohtesvagge bij Nijakvagge (920m)
- Afstand: 10,0km
- Duur: 6u10
- Klimmen: 390m
- Dalen: 380m
- Aantal mensen gezien: 5 op verre afstand
- Wadingen: Nijakjågåsj (type 1)
- Toppen: Kantberget (1857m, echter teruggekeerd op 1490m)
Het weer heeft zich nog niet gebeterd wanneer mijn wekker afloopt. Ik kijk eens buiten en zie de wolken nog steeds op slechts een honderd meter boven de valleibodem aan hoge snelheid voorbij razen. Ik wacht en probeer wat verder te slapen. Intussen betert de zaak buiten. Een paar uur later wordt het zo goed als droog en de wolken hebben zich al wat hoger opgetrokken. De wind doet het nu ook kalmer aan. Ik ontbijt en pak rustig in. Intussen zie ik drie trekkers op verre afstand doorheen de vallei trekken aan de overkant van de Suothasjåhkå.
Af en toe wordt er een beekje over gestoken en loopt het over zompig grasland wanneer ik verder westwaarts trek door de vallei. De steile noordwand van Nijak (1922m), op uitzondering van Gisuris (1664m) de meest noordelijke berg van Sarek, komt dichterbij. Zijn top ligt uiteraard verscholen in het wolkendek. Ter hoogte van de Nijakvagge beslis ik om de Suottasvagge niet meer te volgen en af te wijken van de oorspronkelijke planning. Ik ga de Nijakvagge in klimmen en de hoge col tussen Nijak en de rest van het bergmassief van Sarektjåhkkå oversteken naar de Ruothesvagge in plaats van doorheen de laagvallei omheen Nijak te lopen. Vanuit de vallei zie ik de wolkenbasis net op de col hangen. Zo krijg ik toch eens wat afwisseling in vergelijking met het valleistrollen door de nattigheid van de voorbije dagen en kan ik de omgeving van Nijak al verkennen. De luchtdruk is goed aan het stijgen en de bewolking wordt merkbaar dunner. Het moest eens oplossen deze avond…
Al zigzaggend klim ik omhoog. Het gaat toch verbazend vlot ondanks de 30kg op mijn rug. Intussen opent zich een wijds zicht over de Suottesvagge en de meren van Gassalahko. Niet veel later kom ik aan het bergmeer uit met de naam Nijakriehpejavrasj (1172m), dat hier aan de oostflank van Nijak in de grote glaciale nis ligt ingebed. Het waait hard vanuit de richting van de col en het miezert hier weer. Ik passeer het meer langs de oostkant en dat gaat meesttijds over rotsblokken. Nog eens een half uur duurt het om helemaal achteraan in de nis te geraken onder de col. Ik stop om de middagpauze te houden. Een beekje komt van onder de rotsen gestroomd, het smeltwater van het grote firnveld afvoerend dat hier onder de col ligt. Het is weer droog en de wolken die vanaf 1400m tegen de bergflanken plakken geven de plek toch een donkere sfeer.
In één grote zigzag loop ik over de sneeuw tot op de col. De wind blaast weer even hard. De andere kant geeft niet meteen een ferm uitzicht. In de verte zie ik maar een korte horizon door het smalle V-vormige dal. Vooraan nog een ijsmeertje met veel sneeuw en een ijsschots, lager een lange firnbrug in de steil afdalende valleibodem waaronder de beek stroomt. Het afdalen gaat zo eerst gemakkelijk maar dan houdt de firn op en moet ik over blokken verder vlak langs de rivier. Het is een mengeling van omlaag gevallen blokken en morenepuin. De eindtong van de Nijakjiegna bevindt zich links van me achter een hoge eindmorenewand. Het is geen gemakkelijke doorsteek. Lager kom ik weer op een enorme sneeuwbrug terecht. Deze lijkt het resultaat te zijn van sneeuwlawines die ’s winters van de zuidflank van Nijak glijden. Daarna loop ik weer over blokken en stenen meestal zo goed als in de bedding van de rivier want op de helling is het te moeilijk. Een heel eind lager wringt de beek zich in een kloof. Ik realiseer me dat ik nu best steil van de rivier weg traverseer en zo kom ik op de vriendelijkere helling terecht bij de opening van het dal in de Ruothesvagge. Het zicht opent zich geleidelijk naar deze vallei en wat ik te zien krijg is om rechtopstaande haren van te krijgen ondanks dat de bergtoppen in de wolken zitten. Voor het eerst krijg ik het gevoel echt in Sarek te zijn. Het zicht is iets heel anders dan de hele aanloop van de voorbije dagen. Ver in het zuiden loopt een megagletsjer, de Oarjep Ruothesjiegna, met zijn tong uit het bergmassief van Ruothes de Ruothesvagge in, waarbij een breed verwilderde gletsjerrivier zich over de sandrvlakte wijds uitspreidt. Gisuris (1664m) rechts, de geïsoleerde berg in het noorden van Sarek met daarachter de merenvlakte van Padjelanta.
Ik daal verder af en moet dan over de grote puinwaaier in het dal waar de Nijakjågåsj zich over uitspreidt in meerdere kanaaltjes. Ik geraak de rivierkanaaltjes nog maar net over zonder nat te worden. Tot slot loop ik nog een klein stukje verder de vallei in om mijn tarp recht te zetten op een uitkijkterras, een stuk boven de valleibodem. Vervolgens eten en het weer bestuderen. Er is haast geen stroming meer. Wat een verschil met deze ochtend. De wolken hangen zo goed als stil en lijken nog zeer langzaam verder op te trekken. Het moet intussen maar een dun laagje stratocumulus zijn, maar heel de hemel zit er wel mee dicht. Moeilijk in te schatten wat zoiets nu gaat doen.
Na het eten maak ik nog een chocomousse klaar en beslis om de noordwestkam van Kantberget (1857m) op te gaan. De kam begint iets hoger boven de bivakplek en lijkt gemakkelijk oploopbaar. Tot op de top van Kantberget zal het natuurlijk wel niet gaan met al de wolken. Ik trek op weg. Over vaste rots loopt het een tijd steil bergop tot ik rond 1490m op een vlakker stuk op de kam uit kom. Het uitzicht is fantastisch. Links van me gaapt een grote gletsjer, de Nijakjiegna met tegen de wand van de kam een grote windkuil en rechts de Ruothesvagge met verder weg de verwilderde gletsjerrivier die van de eindtong van de Oarjep Ruohtesjiegna in een lange bocht dieper Sarek in stroomt. Een compleet horizontale wolkenbasis hangt vlak boven de kam. Verder gaan dan hier hoeft niet meer. Maar ik krijg nog iets opmerkelijks te zien. Verder weg in de verte in het zuidoosten zie ik doorheen de Ruothesvagge de berghellingen van Rapadalen in de zon baden. Verder in Sarek schijnt de zon!
Terug bij de tarp eet ik mijn chocomousse op en ga slapen. Intussen verschijnen er ook kleine gaten in het wolkendek boven mijn hoofd. Het gaat deze nacht helemaal uitklaren. De zon komt morgen op iets voor 4u30. Mijn wekker zet ik op 2u30. Ik ga op het einde van de nacht Nijak beklimmen.
Zondag 24 augustus: Ruohtesvagge bij Nijakvagge – Ruohtesvagge onder Gavabakte
Langs de koning der melkrivieren
- Start: Ruohtesvagge bij Nijakvagge (920m)
- Aankomst: Ruohtesvagge onder Gavabakte (900m)
- Afstand: 12,0km (Nijak +9,0km)
- Duur: 5u30 (Nijak +5u20)
- Klimmen: 120m (Nijak +1030m)
- Dalen: 140m (Nijak +1030m)
- Aantal mensen gezien: 4 aan de overkant van de vallei
- Wadingen: Nijakjågåsj (type 1), Ruohtesjågåsj (type 1)
- Toppen: Nijak (1922m), Ruohtesvarasj (1004m)
2u30. Ik ontbijt vlug en kruip uit mijn slaapzak. IJskoud is het maar er staat gelukkig niet echt wind. Boven staat een heldere sterrenhemel te fonkelen. Het is nog goed nacht. Ik vertrek met muts en handschoenen aan. Mijn kleine sporttas neem ik mee als dagrugzakje op de rug. Ik voel meteen een klein mankementje: geen wandelstokken om naar boven te gaan. Dat heb je als je een tarp hebt recht staan. Bij het doorwaden van het hoofdkanaal van de Nijakjågåsj constateer ik meteen de nadelen ervan. Over de losse stenen in de bedding loop ik door het water maar verlies plots mijn evenwicht op de gladde stenen en moet corrigeren door doorheen mijn knieën te buigen en met de handen in het water te steunen. Mijn handschoenen zijn doorweekt. Ik wring ze zo goed mogelijk uit en trek ze maar weer aan. Het maakt toch geen verschil als ik ze uit zou doen. Koude handen heb ik toch en het voordeel als ik ze aan houd is dat ze sneller drogen.
Doorheen de Nijakvagge klim ik weer omhoog in de voetsporen van gisteren. Op de hard bevroren sneeuwvelden vind ik ook daadwerkelijk mijn oude sporen terug. Het vriest want plasjes water in de rivierbedding zijn veranderd in ijs. Nog voor de col, net voor het begin van de firnbrug, verlaat ik de rivierbedding en klim over het puin steil omhoog over de zuidflank van Nijak. Redelijk snel bereik ik de flauwe kam die de gletsjernis op de zuidflank begrensd. Intussen is de sterrenhemel weggekwijnd en wordt het al behoorlijk licht in het noordoosten. Vanaf nu gaat het niet meer vooruit. Overal liggen losse rotsblokken en stenen met scherpe randen. Op de bergen rondom in het zuidoosten is een duidelijk scherp lijntje te zien rond 1600m, net de hoogte waarop de wolkenbasis gisteren lag. Boven de lijn zien alle rotsen wit. De wolken hebben gisteren nog een fijn laagje ijs afgezet op de bergen alvorens ze oplosten. Hoger kom ik ook op de beijsde rotsen terecht. Ik moet vertragen en voorzichtig naar boven gaan. Mijn rubberen zolen hebben op geen enkele steen of rots grip meer. Zo gebeurt het dat ik de schaduwkegel van Nijak zie verschijnen over de Siergavagge. De zon is boven de horizon verrezen achter de berg.
De laatste hoogtemeters is het klimmen doorheen de sneeuw. Een uur na zonsopgang bereik ik de top waarop een harde sneeuwkap ligt waaruit enkele steenmannen priemen. De noordwand van de berg is bekleed met een dik pak sneeuw. Het zicht maakt de vervelende beklimming helemaal goed. Aan de overkant in het noorden staat Ahkka (2015m) als een bergmuur fier Stora Sjöfallets te bewaken. Rechts van Ahkka het uitgestrekte plateau van Gassalahko met wel duizenden meertjes waarvan er meerdere fonkelen in het ochtendlicht. Achter Gassalahko gaapt het grote Suorvajaure in de diepte met helemaal achteraan aan de horizon de bergen van Kebnekaise.
In de westhoek liggen de grote bergmeren van Padjelanta achter Gisuris en reikt het zicht verder weg tot de puntige toppen langsheen de Atlantische kust van Noorwegen met ondermeer een grote gletsjerkap die te zien is, Blåmannisen (1571m). Tussen de puntige toppen in het westnoordwesten is zelfs de Noorse Zee te zien waarbij ik de toppen van de bergen op de Lofoten eilanden eveneens over de Noorse kust zie uit steken! De eilanden zelf kan ik niet zien liggen in de zee. Van Sarek zelf is niet veel te zien dan alleen maar een deel van de Ruohtesvagge. Voor de rest lijkt het een concurrentiestrijd van wilde vergletsjerde toppen die elk hun best doen om elkaar het zicht te ontnemen. Er waait een matige zuidenwind op de top. Ik moet blijven bewegen om het niet koud te krijgen. Zo’n half uur blijf ik toch op de top rond turen en foto’s nemen. Dan daal ik weer af. Aanvankelijk nog over de beijsde rotsen, maar lager heb ik het geluk dat de zon al wat heeft weggesmolten. Toch ga ik twee keer op mijn gat. Straf dat ik tijdens het klimmen niet gevallen ben. Veel sneller gaat het daarentegen toch weer niet vooruit over al die losse prut. Pas rond 8u30 ben ik weer bij de tarp. De berg heeft me meer dan vijf uur bezig gehouden en dat voor een hoogteverschil van rond 1000m. In de Alpen zou het niet waar zijn geweest.
Alles opgeruimd ga ik er vandoor. Verder in de Ruothesvagge steek ik de Ruothesjåhkå probleemloos over. De rivier ligt vol draadalgen maar toch drink ik er wat van. Aan de overkant stuit ik zowaar op een paadje, dit keer niet uitgesleten door de rendiertrek maar door de mens. Het staat ook op de kaart ingetekend. Bij het zadel in de vallei is het één zone vol veenmoeras en veenplassen met een fiere Gavelberget (1819m) op de achtergrond, een erg mooi zicht. Het paadje loopt vlak langsheen de plaatselijke Renvaktarstuga aan de rand van het moeras tegen de helling aan van de Ruohtesvarasj (1004m). Ik laat even de rugzak achter om naar de top van deze bult in de vallei te klimmen. Mooi frontaal uitzicht op de bangelijke Oarjep Ruothesjiegna en dieper in de Ruohtesvagge slingert de gletsjerrivier in ontelbare armen dieper Sarek in. Ik kan niet wachten om er naartoe te gaan.
Het blijft langsheen vennen verder lopen tot het paadje dood loopt op de bedding van de Smajllajåhkå. Het is een bedding van goed een halve kilometer breed vol met steentjes, grind en siltbanken. Het ligt allemaal droog. Pas op de oostrand van de bedding kom ik uiteindelijk de rivier zelf tegen waarbij ze zich regelmatig in verschillende kanalen vertakt die dan weer bij mekaar lopen. Tijdens het begin van de zomer moet de rivier er ieder jaar compleet anders uit zien en zich veel weidser over de bedding uitsmeren doordat ze door de massale dooi een debiet moet kennen dat meer dan het honderdvoud bedraagt dan nu het geval is. De rivier lijkt nu redelijk makkelijk doorwaadbaar. Wel wat stroming maar weer slechts kniediep. Het water is weer één sedimentbrij. In principe moet ik de rivier over want het paadje zou aan de andere oever weer moeten verschijnen. Ik beslis om toch niet naar de overkant te gaan. Ik heb mijn zinnen gezet op Gavabakte (1906m), een berg verderop in het massief van Sarektjåhkkå en deze ligt niet aan de overkant van de rivier. Als ik kan kiezen tussen één koude wading of drie dan kies ik toch liever voor het eerste.
Ik heb dorst en zou de middagpauze moeten houden maar kan niet uit de rivier drinken met al dat sediment. Ik volg de rivier stroomafwaarts en kom al gauw bij een zijrivier uit die zich bij de Smajllajåhkå voegt. Het lukt weer net om ze te doorwaden met mijn trekkingschoenen. Verschillende vissen flitsen weg. Aan de overkant hou ik een pauze om mijn dorst te lessen uit de rivier, tourbrood te eten en even wat te rusten. Het weer is schitterend. Het is wel niet meer onbewolkt. Dikke cirrusslierten bewegen snel over vanuit het noorden. De jetstream stroomt duidelijk uit boven Noord-Scandinavië. Zolang het maar uit het noorden is kan het nog niet veel kwaad.
De rest van de namiddag staat volledig in teken van de Smajllajåhkå. Langs de linkeroever van de rivier ploeter ik verder, regelmatig doorheen veenmoeras, over puinhoopjes en kleine riviertjes doorwadend die uit het bergmassief van Sarektjåhkkå komen gestroomd. Ik zie de Smajllajåhkå alsmaar groter worden. Nog van mijn leven niet heb ik zo’n sterk verwilderde gletsjerrivier gezien. Zoiets zie je alleen maar per toeval eens op TV in een documentaire of film die zich ergens afspeelt in Alaska of Nieuw Zeeland. Sarek wordt niet voor niets wel eens Europees Alaska genoemd. Het zou me niet verbazen dat de Smajllajåhkå de grootste braided river is op het vasteland van Europa, de exemplaren in de Noord Russische Oeral niet meegerekend. Ik krijg wat spijt dat ik de rivier toch niet doorwaad heb want het paadje aan de overkant loopt wat hogerop boven de rivier en moet een mega-uitzicht geven over al die brede rivierkanalen met de bergen en gletsjers van het Sarektjåhkkå massief erachter.
Plots zie ik een kleine groep trekkers lopen over het pad vanuit de tegenovergestelde richting. Ze stoppen speciaal om me gade te slaan. Ik zit maar door al het moeras te ploeteren, maar vind het fijn. Zij denken waarschijnlijk dat er een zot door Sarek loopt. Regelmatig loop ik een siltbank op in de bedding van de rivier om dan als een kind doorheen een klein zijkanaaltje van de rivier te spetten dat dan maar slechts een 10cm diep is, maar wel goed 10m breed. Het is een festijn om doorheen de Ruohtesvagge te trekken.
Na een 5km die er wel 15 lijken kom ik onder de zuidkam van Gavabakte bij een grote puinwaaier terecht vol kleine rotsblokken. Tussen al dat puin moet hier ergens de rivier komende van de Vardasjiegna de vallei komen ingestroomd. Net voor de puinwaaier houd ik halt en stel mijn tarp op. Het is nog redelijk vroeg in de namiddag, maar toch ga ik Gavabakte niet meer op. Na de korte nacht, de vermoeiende beklimming van deze ochtend en al dat moerasgeploeter is mijn kaars zo goed als uit voor vandaag. Ik leg me op mijn slaapzak onder de tarp in de zon en val meteen in slaap. Een uurtje later word ik wakker van mijn wekker. Goed wetende dat ik in slaap ging vallen had ik maar een alarmpje gezet. Ik maak het eten klaar en geniet van de laatste zonnestralen. Het is nog vroeg in de avond dat ik al ga slapen. Morgen ga ik er niet vroeg uit komen. Geen zin om Gavabakte weer in een onzekere rees tegen de tijd op te gaan voor de zonsopgang om dan weer met weinig slaap verder te trekken. Ik zal Gavabakte morgen rustig op gaan.
Maandag 25 augustus: Ruohtesvagge onder Gavabakte – Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå
De spitse berg en al zijn moeilijkheden
- Start: Ruohtesvagge onder Gavabakte (900m)
- Aankomst: Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå (840m)
- Afstand: 9,5km (Gavabakte +7,0km ; Skarjatjåhkkå + 8,0km)
- Duur: 4u30 (Gavabakte +4u00 ; Skarjatjåhkkå +3u30)
- Klimmen: 80m (Gavabakte +1006m ; Skarjatjåhkkå +807m)
- Dalen: 140m (Gavabakte +1006m ; Skarjatjåhkkå +807m)
- Aantal mensen gezien: 8
- Wadingen: Smajllajåhkå (type 5), Boajsajågåsj (type 1)
- Toppen: Gavabakte (1906m), Skarjatjåhkkå (1647m)
Het is 8u wanneer ik op sta. De zon schijnt al even uitbundig. Ik ontbijt en maak me klaar voor Gavabakte (1906m). De zuidkam is onderaan tegen de Ruothesvagge erg steil en ik betwijfel of deze zomaar overbrugbaar is. Daarom loop ik rechts van de kam het wilde dal in waar de beek het smeltwater van de hogerop gelegen Vardasjiegna afvoert. Over de erg steile helling vorder ik dieper het dal in, langzaam hoogte winnend. Hogerop loop ik vervolgens zigzaggend omhoog. De ondergrond wordt al gauw gevormd door vaste rotsen met veel mos op. Een blik naar boven vertelt me dat het niet simpel is om op de kam te geraken. De rotsen zijn veel te steil. Ik traverseer een stuk, vaak handen gebruikend en opletten om niet te schuiven over al het mos. Dan kom ik in een steile couloir terecht. Langs de noordkant van de couloir lukt het me uiteindelijk om op handen en voeten over de rotsen op een 1400m hoogte op de kam uit te komen.
Boven op de kam is het gemakkelijk. Het is er een twintigtalmeter breed met kleine rotsen en hogerop stroken met sneeuwvelden. Het zicht rondom laat alleen maar vermoeden dat de top ginder boven erg de moeite moet zijn. En die top is nu in zicht gekomen. Ik zie al meteen dat het nog erg moeilijk gaat worden dichter bij de top. De kam wordt vlijmscherp met op de zuidoostflank van de berg een kleine gletsjer die niet op de kaart staat ingetekend en waarvan de firn tot dicht tegen de kam reikt. Gletsjerijs is er echter niet te zien. Heel de gletsjer ligt vol sneeuw. Ik loop naar boven.
Zo’n 300m hoger moet ik dan een beslissing maken. De kam is intussen al even een erg luchtige rotskam geworden van slechts een meter breed. Vaak met handen ben ik verder geklommen. Op het punt waar ik nu ben aanbeland kan ik niet meer verder. De kam is nog smaller en steiler, veel te moeilijk om zonder verdere hulpmiddelen te overbruggen. Links kan ik op rotsplaten terecht komen die er erg glad uit zien door de vrieskou. Hier zal ik ook niet verder kunnen geraken. Mijn oog valt naar rechts. Ik kan eenvoudig op de firn van de gletsjer komen en verder lopen. Zo gezegd zo gedaan. De topfirn is hard bevroren en aanvankelijk is het maar een smal vlakkere topstrook tegen de rotswand van de kam aan waar ik op kan lopen met rechts de steile diepte op de gletsjer. Omdat ik geen stijgijzers heb moet ik mijn voeten stevig in de harde firn stampen om niet te glijden. De wand van de kam links wordt steeds hoger.
Een eindje verder kom ik bij een windkolk uit. De gletsjer wordt te steil hogerop naar de top toe die nu heel dichtbij is gekomen. De enige weg naar boven is weer de kam op. De wand is steil met dichter naar de top sneeuw die een stuk hoger tot tegen de wand oploopt. Met pickel en stijgijzers had het heel wat gemakkelijker geweest. Ik heb nu geen keuze en moet het over de wand doen. Over smalle rotsricheltjes in de wand traverseer ik richting de top om telkens op geschikte punten naar een hoger gelegen richel te klimmen. Boven het sneeuwveld wordt het even heel smal. Ik krijg slechts een richeltje van een halve centimeter voor mijn voeten. Ik denk nuchter na. Als ik val glijd ik direct over de sneeuw de windkolk in en daar zal ik vanzelf tot stilstand komen. De windkolk wordt met een sneeuwmuur afgesloten van de steile gletsjerhelling. Vallen kan geen al te nare gevolgen krijgen. Ik doe het dus. Met geluk kan ik overal genoeg grepen vinden voor mijn handen. Na het moeilijke stuk krijg ik weer bredere richels en klim ik gemakkelijk verder tot op de kam.
De kam is weer breder, maar een blik naar links beneden laat duidelijk zien dat het korte smalle en steile stuk niet had gelukt. Er waait nu een redelijk harde zuidoostenwind. De finale 100m lopen over beijsde rotsen, net als op Nijak maar dan nu wat minder steil. Toch geraak ik zonder verdere problemen op de top waar een kleine steenman staat en een schedel met gewei van een rendier ligt dat een voorganger moet hebben achtergelaten.
De top is indrukwekkend. Langs de andere kant van het bergmassief ligt de uitgestrekte en brede gletsjer Vardasjiegna, die met een brede tong tot diep in de Guhkesvagge uitloopt. Daarachter weer Gassalahko en Kebnekaise. De Vardasjiegna is bijlange nog niet eens de grootste gletsjer van het massief van Sarektjåhkkå en toch krijg ik hem niet op de foto als ik mijn lens op zijn allerbreedst zet op 16mm. Een steile afgrond loopt naar beneden aan de oostkant van de top, volledig maar dan ook echt volledig verticaal naar beneden voor precies 240m. Aan de overkant van de gletsjer toornt achter de bergkam met Vardastjåhkkå, (1876m) een bergkam met puntige pieken omhoog. Dit zijn de hoogste toppen van Sarek: Sarektjåhkkå Nordtoppen (2056m), Stortoppen (2089m), Sydtoppen (2023m) en Bucht-toppen (2010m).
Het zicht in westelijke en zuidelijke richting wordt gedomineerd door de diepe vallei van de Ruothesvagge waar de verwilderde rivier zich meer dan 1000m lager als een lint doorheen de valleibodem vlecht, de toppen van de bergmassieven van Ålkatj en Ruohtes op de achtergrond. Intussen ontstaan er kleine stapelwolkjes over de toppen. Van op Gavabakte lijkt het trouwens niet zo moeilijk om de kam van het bergmassief in noordwestelijke richting te vervolgen en zo de toppen van Gassatjåhkkå (1912m) en Såltatjåhkkå (1928m) te bereiken.
Ik daal weer af. Op het punt waar de kam weer smal, steil en luchtig wordt bekijk ik toch eens de westkant van de kam. Het lijkt me erop dat ik langs hier wel het moeilijke stuk op de kam ga kunnen passeren en zo hoef ik niet meer te bengelen langs de gletsjer. Stijl daal ik van de kam af over losse blokken, traverseer lager enkele steile couloirs waar ik door de steenslag enkele stenen in beweging zet. Ze vallen aan enorme snelheid naar beneden in de couloir om lager nog sneller over de sneeuwvelden naar beneden te glijden om ergens 400m lager op een andere gletsjer terecht te komen. De couloirs gepasseerd kom ik aan de rotsplaten uit. Het wordt van gleuf naar gleuf klimmen en me weer voorzichtig laten afzakken. Toch kan ik op deze manier weer op de kam uit komen. Langs deze kant naar de top klimmen had niet echt mogelijk geweest, afdalen ging nog wel net.
Wanneer ik rond 1400m op de kam naar de plek zoek waar ik uit het zijdalletje omhoog was geklommen vind ik het niet meer. Aandachtig zoek ik maar een nieuwe route. Het duurt wel even alvorens ik die gevonden heb. Erg steil klim ik zo over de mossige rotsen af, daal lager over de steile helling in het zijdal verder om in de Ruothesvagge uit te komen waar ik lager weer bij mijn tarp uitkom. Een tweede mooie maar toch erg moeilijke berg overwonnen.
Na het inpakken loop ik naar de Smajllajåhkå, naar een plek waar de rivier net in drie bede kanalen stroomt zonder bochtenwerk. Hier leek de rivier het gemakkelijkst te doorwaden van op de bivakplek zonder diepe meanderbochten. De overkant ligt 60m verder. Ik gooi enkele stenen in het eerste kanaal om van het plonsgeluid een idee te krijgen hoe diep het water is. De bodem kan ik nergens zien door het wit sedimentwater. Ik schat dat het eerste kanaal slechts kniediep is. De andere twee kanalen blijven nog een vraagteken.
Ik doe mijn schoenen, kousen en broek uit, bind alles op mijn rugzak en loop met waadschoentjes de rivier in. In het eerste kanaal komt het water maar kort tot net onder de knieën. Over de siltbank kom ik in het tweede bredere kanaal terecht. Net tot aan de knieën komt het water. Tot slot het laatste kanaal waar de stroming het hardst is. Vlak aan de oever is het weer net kniediep. Ik geraak vlot de oever op. Wat een geluk dat ik zo’n gemakkelijk doorwaadbare plek heb gevonden. Op een steen droog ik mijn voeten en benen af en trek weer terug alles aan.
Niet veel hoger tref ik het smalle uitgesleten pad aan. Het is nu nog een 6km tot aan de Mikkastugan, het noodhutje centraal in Sarek waar de noodtelefoon aanwezig is. Het mooiste stuk op het paadje ligt achter mijn rug. Het loopt verder weg van de rivier. Af en toe kwijnt het pad weg en is het lopen over de toendra tot er weer een spoor zichtbaar wordt.
Aan de Boajsajågåsj kom ik soortgenoten tegen. Een groep van vier waaronder twee meisjes staan er aan de overkant al een gehele tijd een plek te zoeken om de rivier door te waden. Ik waad de rivier zonder moeite vlot over op mijn trekkingschoenen. Een eind verder kijk ik nog eens om en zie de laatste van de groep de rivier over sukkelen. Er loopt toch heel wat onzeker trekkingvolk rond door Sarek. Het duurt nog een heel eind vooraleer ik aan de Mikkastugan uit kom. De Smajllajåhkå is intussen een woeste type 6 ondoorwaadbare stroom geworden en vlecht zich niet vaak meer uit in meerdere kanalen.
Nabij de Mikkastugan (800m) staat een oud rendierhek. Ik laat mijn rugzak achter en loop op verkenning naar de Mikkastugan. Er staan twee hutjes. Het ene is de WC, het andere het noodhutje met antenne. Ik geraak binnen. Het is er nog behoorlijk proper. Een hele uitleg om bij nood de noodtelefoon te gebruiken plakt tegen de muur. De telefoon staat rechtstreeks in verbinding met de frequentie van het Zweedse politienet. Eventjes naar huis bellen lukt dus niet.
Buiten vind ik naast het huidige hutje de ruïnes van het vroeger hutje. Dit hutje is afgebrand geweest. Het ligt er vol afval van trekkers, lege pakjesmaaltijden en gasblikjes. Een schande dat men hier zijn afval achter laat. Later zal ik beter begrijpen waarom de Zweden hier hun rommel zo gemakkelijk droppen. Op de verwennende Kungsleden wordt er immers een gewoonte gekweekt om je afval te droppen in het containerpark aan vuilbakken dat je vindt bij elk schuilhutje.
Nabij de Mikkastugan komt de Guohpervagge en de Ruothesvagge samen om het Rapadalen te vormen. Vooral de Ruothesvagge eindigt hier met een grote gletsjerdrempel. De Smajllajåhkå heeft zich dan ook diep ingesneden in een kloof om beneden in de siltvlakte samen te lopen met de Guohperjåhkå om vanaf dan de grote Rahpatjåhkå te vormen. Een korte brug loopt over de kloof. Als men deze brug niet zou aanleggen zou je om de Guohpervagge of Alggavagge in te lopen, ver moeten omlopen om een doorwaadplek te vinden over de Smajllajåhkå waarbij het nog niet eens zeker is of je de Mihkajåhkå over gaat geraken. Van aan de Mikkastugan heb je in elk geval een mooi zicht op Guohperskajdde (1644m) in de Guohpervagge en Sarektjåhkkå Sydtoppen (2023m) aan de andere kant.
Er is niemand bij de Mikkastugan, maar als ik terugloop naar mijn rugzak zie ik in de verte een solotrekker naderen met zijn hond. Heb ik in feite meteen een reden om terug te lopen naar de Mikkastugan en de Zweedse politie op te bellen. Een hond Sarek in nemen is immers verboden.
Maar goed, ik neem mijn rugzak op en loop de Guohpervagge in. Van sporen van een pad is nu totaal geen sprake meer. Ik loop lang over de toendra verder met hier en daar weer korte stukjes doorheen kort struikgewas. Het plan voor deze avond is nog steeds om de nabijgelegen Skarjatjåhkkå (1647m) te beklimmen. De klim naar de top van deze berg vangt aan over de zuidoostkam nabij de Mikkastugan, maar ik heb besloten om al een eindje de Guohpervagge in te lopen. Toch moet ik een heel eind de Guohpervagge doorlopen om een bivakplek te vinden waar water voorhanden is. Onderweg houd ik toch nog een korte pauze. Een blauwborstje staat me al tsjielpend gade te slaan van op een rots op slechts een vier meter afstand. Die moet hier ergens dichtbij zijn nest op de grond hebben gebouwd.
Pas bijna 3km van de Mikkastugan vind ik een waterbron met een eindje verder een mooie bivakplek achter een hoge rots. Het water komt vanonder de rotsen gestroomd en loopt meteen tussen fluomos verder met lager weer niks dan algen. Het beekje houdt nog geen twintig meter verder weer op. Het water verdwijnt weer in de bodem.
Ik maak mijn bivakplek achter de rots en ga water halen. Vervolgens bereid ik het avondmaal om na het eten de klim aan te vatten naar Skarjatjåhkkå. In een lange zigzag klim ik steil over de toendrahelling in noordoostelijke richting naar de zuidoostkam van de berg. Daar aangekomen loopt het even steil over rotsen verder om hoger gestager voort te stijgen over rotsen en sneeuwvelden. De sneeuwvelden zien eruit als de vacht van 101 dalmatiërs. Overal ligt er rendierstront. Achter me krijg ik een weids zicht over het brede Rapadalen waar al enkele berken groeien.
De top van Skarjatjåhkkå is één uitgestrekte bult van puntige rotsen. Een wijds uitzicht de valleien in is er niet. Het weer is ondertussen bewolkt geraakt vol met stratocumulus die de hoogste toppen raken. Het verder plan om nog voort te lopen over de kam tot Gasskatjåhkkå (1804m), de hoogste top in het bergmassief van Ruothes, heeft geen zin meer. De top zit in de wolken. Ik loop naar de steile afgrond op de oostkant van de berg voor het zicht in de Ruothesvagge en Rapadalen met ondermeer Gavabakte aan de overkant die baadt in het rode licht van de laagstaande zon die hier nog door de lage wolken weet te priemen. Vervolgens loop ik de top over naar de afgronden op de zuidkant. Hier tref ik zelfs een bivakbare plek aan met de aanwezigheid van een bronnetje. Ferm zicht in de Guohpervagge en Alggavagge met weeral vlechtende rivieren op de dalbodem en monumenten van bergen die omhoog rijzen. Ahkkatjåhkkå (1974m) met zijn gletsjerkap siert het uitzicht het meest. Hier zie ik de zon onder de kam van Gasskatjåhkkå verdwijnen waarna ook de bergen over de Alggavagge en Guohpervagge zich in rode tinten hullen. De nacht zet zich langzaam in wanneer ik weer afdaal naar de bivakplek. Slapen doe ik voor de eerste maal in mijn bivakzak onder de blote sterrenhemel. Ik heb mijn tarp niet uitgepakt, overtuigd dat het ondanks de stratocumulus toch goed weer zou blijven.