Sarek (aug/sep 2008)

You are currently browsing the archive for the Sarek (aug/sep 2008) category.

(De volgende tekst is een samenraapsel van vertaalde teksten uitgegeven door Naturvardsverket)

SAREK NATIONAAL PARK

Het berglandschap van het Sarek Nationaal Park is het meest alpiene in Zweden en is tevens het minst getroffen door menselijke activiteit. Hier bevinden zich spitse bergen, immense gletsjers, diepe valleien en turbulente rivieren. Nergens elders in Europa vind je zo’n uitgestrekte ononderbroken alpiene wildernis. Het park bevat meer dan 200 bergen hoger dan 1800m boven zeeniveau waarvan zes hoger dan 2000m. Het gebied telt tevens een honderdtal gletsjers.

Rapadalen vormt de slagader van Sarek. De Rapaätno rivier is hier een enorme stroom en voert groenig gletsjerwater af van ongeveer dertig gletsjers. Na de monding van de Sarvesjåhkå centraal in Rapadalen, volgt een rustig tussenstuk door Rapaselet (een dichtslibbend siltmoeras), om ten slotte doorheen Zwedens grootste fluviatiele delta uit te monden in het meer Laitaure. Rapadalen bevat dicht kreupelhout van bergberk, katwilg en kruidachtige planten. Hoger in het park is de flora erg arm, maar het dierenleven in de prachtige valleien is daarentegen erg rijk. Met geluk krijg je een bruine beer, veelvraat, lynx of één van de ongewoon grote elanden te zien.

Sarek wordt niet aangeraden voor beginners. Wie het park wenst te bezoeken dient over een aanzienlijke alpiene ervaring en een correcte uitrusting te beschikken en moet tevens vertrouwd zijn met moeilijk terrein en snel veranderende en extreme weersomstandigheden. Er zijn slechts enkele bruggen en het doorwaden van de vele rivieren kan moeilijk zijn. Regen of warme weersomstandigheden kunnen sneeuw- en gletsjersmelt zodanig versnellen dat de toestroom aan water dramatisch kan toenemen. Tijdens de winter heerst er een groot risico op lawines en sneeuwstormen. Sarek is een zeer ontoegankelijke wildernis zonder faciliteiten voor bezoekers. Hier ben je volledig op jezelf aangewezen.

FEITEN

  • Nationaal park sinds 1909
  • Locatie: Ten noorden van de noordpoolcirkel rond 67° noorderbreedte, tussen de grote bronmeren van de rivieren Stora en Lilla Lule, 50km ten oosten van de Noorse landsgrens in de gemeente Jokkmokk, provincie Norbotten, Zweden.
  • Totaal gebied: 197000ha (ongeveer zo groot als de provincie Vlaams-Brabant) waarvan 15800ha bergberkenwoud, 1900ha naaldwoud, 14800ha gletsjer, 1700ha moeras, 3900ha wateroppervlak en de rest woeste bergbodem.
  • Hoogste & laagste punt: Sarektjåhkkå Stortoppen (2089m), Tjaktjajaure (443m).
  • Eigenaar en verantwoordelijke autoriteit: Naturvardsverket.
  • Plaatselijke autoriteit: De bergeenheid van de provincie Norbotten (Fjällenheten).

GEOLOGIE

De hoge bergen zijn samengesteld uit amfiboliet, wat erg duurzaam is tegen verwering en erosie. De onderliggende lagen van syeniet en graniet zijn zichtbaar in de oostelijke gebieden van het park. Kalkhoudende zandsteen en leisteen kunnen in het westen worden gevonden, naar Padjelanta toe.

FLORA

De vegetatie bestaat in hoofdzaak uit alpiene soorten, verschillende soorten struikgewas en gras bedekte veenmoerassen. Alpien berkenwoud en dicht wilgenstruikgewas komt voornamelijk voor in Rapadalen, de Partek vlakte en de lagere Njoatsosvagge. In laatstgenoemde vallei is er zelfs een stukje sparrenwoud. Plantensoorten die zich hebben aangepast aan harde omstandigheden als harig kartelblad (Pedicularis hirsuta), zuiltjessteenbreek (Saxifraga oppositifolia) en Zwedens hoogst groeiende vasculaire plant, de gletsjerhanevoet (Ranunculus glacialis), groeien in de hoge berggebieden. In de lagere gebieden bestaat de flora voornamelijk uit soorten zoals de Europese trollius (Trollius europaeus), gele monnikskap (Aconitum lycoctonum), alpenmuursla (Cicerbita alpina), ongelijkbladige distel (Cirsium heterophyllum) en moerasspirea (Filipendula ulmaria), enz. In bepaalde gebieden kan er een overvloed van zilverkruid (Dryas octopetala), blaassilene (Silene vulgaris) en grasklokje (Campanula rotundifolia) voorkomen. Rond 320 plantensoorten zijn waargenomen.

FAUNA

Wilde dieren zijn het meest voorkomend in het berkenwoud in de valleien en langsheen de waterwegen. De blauwborst (Luscinia svecica), ijsgors (Calcarius lapponicus), keep (Fringilla montifringilla) en fitis (Phylloscopus trochilus) zijn de meest voorkomende kleine vogels. De grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) en de breedbekstrandloper (Limicola falcinellus), welke zeldzamer is geworden tijdens de laatste jaren, kunnen worden waargenomen op de Partek vlakte. Vogels als de sneeuwgors (Plectrophenax nivalis), bonte strandloper (Calidris alpina) en de morinelplevier (Charadrius morinellus) komen voor op de bergplateaus. Zelfs de giervalk (Falco rusticolus) en de steenarend (Aquila chrysaetos) verschijnen regelmatig. Kudden rendieren (Rangifer tarandus) begrazen de toendrahellingen. Grote roofdieren als de Europese bruine beer (Ursus arctos arctos), lynx (Lynx lynx) en veelvraat (Gulo gulo) bewonen het park, net zoals de ongewoon grote en legendarische Sarek-eland (Alces alces).

Links naar interessante filmpjes:

VRIJWEL ONGESCHONDEN

In de wildernis van Sarek zijn er vrijwel geen tekens van menselijke activiteit, afgezien van de Saami hun oude rendier hoedcultuur en de mijnen rond Alkavare en Äpar. De mijnen rond Alkavare produceerden sulfiet, lood en zilver tijdens de 17e eeuw. Een oude kapel herinnert daar nog steeds aan die tijd. Magnesium werd gedolven rond het massief van Äpar tijdens de tweede wereldoorlog.

TOEKOMST

Het doel van het Sareks Nationalpark is het duidelijke alpiene landschap in zijn oorspronkelijke staat bewaren. Er wordt zorg gedragen voor het park dankzij een voorgeschreven onderhoudsplan. Speciale aandacht is vereist voor het rendier hoeden door de Saami in het gebied vermits de rendieren voorzien in hun levensonderhoud. Het Sareks Nationalpark heeft het Europees dipoma voor natuurbehoud toegekend gekregen.

REGELS

In het nationaal park is het niet toegestaan:

  • Commerciële activiteiten te leiden
  • Natuurlijke voorwerpen of oppervlakten te beschadigen
  • Mineralen en ander geologisch materiaal te verwijderen
  • Takken te breken of op eender welke andere manier levende en dode bomen, stuiken en kreupelhout te beschadigen
  • Planten te plukken of uit te graven
  • Planten of dieren te introduceren
  • Insecten, vis of andere dieren te vangen, verzamelen of verstoren
  • Te jagen en te vissen
  • Een motorvoertuig of motorboot te gebruiken
  • Gebruik te maken van een roeiboot, kano, kajak of eender welk ander vaartuig in het Rapadalen stroomafwaarts van de samenvloeiing met de Sarvesjåhkå
  • Te landen met een vliegtuig
  • Te vliegen door valleien en boven ander land op minder dan 300m hoogte
  • Te paardrijden
  • Een hond mee te brengen
  • Berichten en posters uit te hangen
  • Controleposten en gemarkeerde sporen aan te brengen.

Niettegenstaande de voorafgaande beperkingen mag je in het nationale park:

  • Bessen en paddestoelen plukken evenals droge takken en twijgen verzamelen om een kampvuur of een schuilplaats te maken
  • Een hond meebrengen aan de lijband van 1 januari tot 30 april in het gehele nationale park en op het Kungsleden pad gedurende het ganse jaar.

Help om picknick plaatsen vrij te houden van aluminium en ander afval. Als je in staat bent om deze dingen mee te brengen in het park ben je er ook toe in staat deze dingen weer uit het park met je mee te nemen. Herinner je dat je in een rendiergraasgebied bent. Respecteer de Saami hun nood aan rustige werkcondities. Stoor geen grazende rendieren.

RIVIEREN & WADEN

Om een beter idee te krijgen over het uitzicht van de rivieren en de moeilijikheden bij het waden, heb ik een eigen rivierenclassificatie opgesteld. In het dagelijks overzicht worden alle belangrijke wadingen opgesomd met het daarbij best overeenstemmende riviertype. Het gaat hier over het uitzicht van de rivier op het moment van de wading. Een rivier kan, en zeker in Sarek, heel wat aan debiet winnen en alsdan een totaal ander uitzicht krijgen. Rivieren die gemakkelijk doorwaadbaar zijn op het einde van de zomer en herfst zijn vaak onoverbrugbaar tijdens de lentevloed en het begin van de zomer wanneer de toestroom aan smeltwater van het smeltende sneeuwdek aanzienlijk is. Rivieren kunnen alsdan een debiet kennen dat meer dan het hondervoud bedraagt met een waterstand die tot 2m hoger komt!

  • Type 1: Ondiepe snelstromende bergrivier; bedding gevuld met stenen en rotsblokken die gedeeltelijk uit het water steken. Waden gaat relatief gemakkelijk over stenen, geen waadschoenen vereist.
  • Type 2: Diepere snelstromende bergrivier; bedding gevuld met stenen en rotsblokken waarvan slechts weinig boven het water steken. Waden met waadschoenen, oppassen bij gletsjerbeken waarbij de bodem niet zichtbaar is.
  • Type 3: Diepe snelstromende bergrivier; bedding gevuld met stenen en rotsblokken waarvan slechts weinig boven het water steken. Waden met waadschoenen en waadstok.
  • Type 4: Snelstromende verwilderde gletsjerrivier; bedding gevuld met grind of zand. Waden met waadschoenen.
  • Type 5: Matig snel stromende verwilderde gletsjerrivier; bedding gevuld met grind, zand of silt. Waden met waadschoenen. Oppassen voor diepe plekken.
  • Type 6: Grote gletsjerrivier met stroomversnellingen, te diep of te wild om te waden.

Heenreis

Met Sterling vlieg ik naar Stockholm. Gelukkig hebben mijn vliegtickets niet al te veel gekost. Het prijsverschil tussen de low-cost maatschappijen en de resterende vluchten is immens te noemen. Maar al mogen merken dat er soms wel wat nadelen zijn aan verbonden. Drie weken voor vertrek meldde Norwegian, de luchtvaartmaatschappij waarbij ik mijn vluchten tussen Kiruna en Stockholm heb geboekt, dat de vlucht naar Kiruna met een kleine 2 uren is vervroegd. Fijn was dat want zo had ik maar net genoeg, of net niet genoeg tijd om in Stockholm op de aansluitende vlucht te geraken. Uit alle veiligheid annuleerde ik de vlucht toch maar en boekte in de plaats een vlucht naar Luleå bij SAS.

Maar goed dat ik dat gedaan heb want we landen met een kwartier vertraging op de luchthaven van Stockholm Arlanda. Ik weet niet of ik de vlucht van Norwegian zou gehaald hebben, met veel gehaast, wat geluk en veel stress misschien nog net wel. Maar goed, ik hoef me nu geen zorgen te maken en neem rustig de tijd om ergens te eten. Stockholm Arlanda is een heel grote luchthaven. De Amerikanen hebben de luchthaven gekozen als de uitwijkmogelijkheid in Europa voor de Space Shuttle, moest het over de plas nergens goed weer zijn. Het feit dat de luchthaven de langste landingsbaan heeft van Europa zal hier wel mee aan de basis voor liggen.

Na een tijd check ik in. Net als in Zaventem moet ik nu weer overgewicht betalen. Deze manier is nog steeds goedkoper dan al mijn trekkingmaaltijden in duur Scandinavië te kopen. Voorbij de security is het wachten. Ik zit in terminal 4, de terminal die de binnenlandse vluchten verzorgt. Het is er rustig en ik probeer wat te slapen op de bankjes. Een uurtje nadien vertrekt de nachtvlucht.

De vlieger zit maar half vol en toch zit ik met een blonde tiener naast me rechts en een slecht gezinde Zweed links van me. Hij wil op een andere plek gaan zitten waar hij geen last heeft van een buur naast zich, maar de stewardess beveelt hem te blijven zitten. Zou ik dan toch al zo hard stinken? Ik heb anders nog geen kilometer met mijn rugzak gelopen.

Het is rond half twaalf wanneer we landen te Luleå, een universiteitstadje aan de Botnische Golf. Ik neem de laatste pendelbus en zoek me dan een plek om de nacht door te brengen in het stadje. Mijn trein vertrekt morgen vroeg. Ik baal want het regent non stop. Uiteindelijk stel ik mijn tarp recht tussen enkele vrijstaande berken en struiken op het parkje voor het station. In de stad loopt een zwerver rond heb ik al gezien. Buiten hem niemand op straat. Een politiewagen patrouilleert de hele nacht lang. Ze passeren wel om het half uur langsheen het park. Ongetwijfeld moeten ze me hebben gezien want de struiken zijn niet dicht genoeg om me helemaal te camoufleren. Ik word met rust gelaten.

Het regent de hele nacht lang door. Ook al is het al laat in de zomer, tegen vieren is het al licht hier. Muggen hebben de droge onderkant van de tarp gevonden. Mijn bivakzak heb ik niet uit mijn rugzak gehaald. Ik slaap met slaapzak op mijn matje en broek. Geambeteerd door de muggen sta ik om iets voor vijf op. Het is intussen zo goed als gestopt met regenen. Ingepakt trek ik naar het perron. Het treinstation van Luleå is nu niet meteen een station dat een grootte heeft dat je zou verwachten van een universiteitstad, slechts één perron en een klein stationsgebouwtje. Maar alle uitrusting is wel piekfijn in orde zoals je zou mogen verwachten van Zweden.

Er slapen Zweedse jongeren op het perron. Ik was blijkbaar niet de enige die hier marginaal is gestrand. Twee zwervers komen intussen rondneuzen. De ene valt me even lastig. Hij heeft al snel door dat hij Engels moet klappen tegen me, maar het is snel gedaan wanneer ik hem onvriendelijk antwoord in het Vlaams. De jongeren slapen nog, maar een meisje is wakker en zit recht. Ik zie de zwervers staan te verzinnen om een deel van hun eten te pikken dat ze op de nabije tafel hebben liggen. Het duurt niet lang of ze hebben een zak vast en maken dat ze weg komen. Het meisje laat het gebeuren. Ik kom er maar niet tussen.

De trein staat intussen vertrekklaar. Stipt om zes uur gaat de vergrendeling van de deur van het stationgebouwtje automatisch los en loopt iedereen naar binnen om een reisticket uit de SJ-automaat te halen. Ik heb mijn trein- en busrit reeds op voorhand thuis gereserveerd en betaald en hoef nu enkel maar een code in te toetsen op de automaat en hopla, daar verschijnt mijn ticket al.

Het is 6u16 wanneer de trein zich in beweging zet. Het zal ongeveer 3u duren tot ik er in Gällivare uit moet. Te Boden stopt de trein voor een lange tijd. Ik krijg te horen dat de nachttrein voor Narvik vanuit Stockholm hier wordt aangepikt, maar die trein heeft vertraging. We staan drie kwartier stil tot er weer schot komt in de zaak.

Het landschap van laagland Lapland onderweg is om stil van te worden. Er is vrijwel nergens bewoning te zien. Wegen worden gewoon niet gekruist. Het is één en al puur natuur. Aanvankelijk vooral een mengeling van sparrenwoud en berkenbomen. Na Boden is het enkel nog berkenbos en veenmoerassen. Het regent regelmatig weer. Dit zijn de Hoge Venen in het groot. Een groep luidruchtige Engelsen heeft zich vervoegd in de wagon vanuit de trein van Stockholm. Een bord in the middle of nowhere buiten meldt dat we de poolcirkel passeren. Ik voel toch niks speciaals.

De trein rijdt niet snel. Met de drie kwartier vertraging stopt de trein in Gällivare waar op het stationgebouw de tekst “Gällivare - 1335km från Stockholm” valt af te lezen. De lage wolken verbergen de heuvels rondom het dorp. Het druppelt nog wat. Er stappen nog een twintigtal andere personen uit vanuit Stockholm, allemaal met reuzengrote rugzak en leren bottines. Gällivare is dé stopplek voor het lopen van de Nordkallotleden, Padjalentaleden, het centrale stuk van de Kungsleden,… en ook voor Sarek.

Ik koop nog wat koeken en chocola in het piepkleine winkeltje aan het station en eet dan het grootste deel op met een hardkek. Niet veel later gaat de bus richting Ritsem Fjällstation vertrekken. Het zijn alleen nog maar trekkers die hier opstappen. Allemaal hebben ze een dikke lange houten waadstok bij zich. Sommigen hebben er lintjes aan hangen of kervingen in gegroefd alsof elk exemplaar symbool staat voor een overwonnen rivier. Ik voel mezelf meteen de vreemde eend in de bijt en begin me al af te vragen of het toch niet beter is om onderweg ook voor mezelf een waadstok te maken uit een berkentak in de plaats van het te proberen met mijn twee kleine leki-wandelstokjes. Ook het schoeisel wijkt af van mijn lichte en relatief lage BC-schoentjes. Iedereen heeft lompe zware trekkingbottinen aan met opvallend hoge schacht, speciaal voor al het moeras en de rivierdoorwadingen.

De buschauffeur vraagt iedereen waar ze willen uitstappen om te kunnen coördineren waar je best je rugzak in de laadruimte legt. De meerderheid moet in Ritsem zijn blijkt, maar ik antwoord prompt Suorva. Dat is één van de eerste stops. Ik zou mijn rugzak dus voor de gemakkelijkheid bovenaan in de bagageruimte moeten leggen. Echter zo goed als niemand die de praktische kant van de zaak door heeft en blijkbaar moeilijk kan afscheid nemen van zijn of haar rugzak. Ik leg dus maar als één van de eersten mijn rugzak in de laadbak waarna hij volledig wordt onder gestopt.

De bus is iets over halfvol. Naar schatting voor de helft Duitsers en de andere helft Zweden. Iedereen is stil onderweg en kijkt vol bewondering naar het uitgestrekte landschap buiten, op uitzondering van de twee achter me. Twee Hollanders van in de veertig hebben plaats genomen achter me. Eén van de twee kan zijn mond nog voor geen twee seconden dicht houden. Zijn vet en storend Hollands taaltje weerklinkt constant luid doorheen de bus. Fier zit hij tegen zijn maat te vertellen over zijn eerdere avonturen in Zweden en Noorwegen. Het blijkt een kenner te zijn van paden als Padjalentaleden en Kungsleden enzomeer. Dit keer wil hij zijn maat inwijden in de Padjalentaleden.

Eens we Gällivare uitrijden maakt het landschap weer een immense indruk. Op de 45km dat we rijden op de weg richting Jokkmokk komen we welgeteld twee tegenliggers tegen en haalt de bus één camion in. Na 45km slaan we af op een smal asfaltbaantje dat tot aan Ritsem loopt. Op de wegwijzer naast de baan staat er wel mooi 154km achter de plaatsnaam genoteerd. Op deze weg zien we compleet geen verkeer meer, enkel een Duitser langs de weg die met een jerrycan zijn tank weer wat bijvult. Aanhoudend een vlak landschap vol met berkenwoud en veenmoerassen, slechts hier en daar eens onderbroken door een eenzame kale heuvel. Langzaamaan komt er meer glooiing in het reliëf tot later de eerste bergwanden verschijnen onder het lage wolkendek. Nog steeds regent het af en toe.

De eerste stop is Kebnats. We rijden tot aan de oever van het lang uitgestrekte meer waar we al geruime tijd op enige afstand langs hebben gereden. Aan de overkant van het meer ligt het fjällstation Saltoluokta, een hut (of zeg maar hotel) op de Kungsleden. Van zodra ze de bus zien aan de overkant komt de boot over gevaren. Intussen heeft de chauffeur zijn bus achterwaarts tot tegen de steiger geparkeerd. Hij maakt de laadbak open (ja de bus is half bus met achteraan nog een laadbak als bij een camion) en haalt er bakken drank en dozen eten uit, net als een nieuwe koelkast. Het wordt allemaal op de boot gesjouwd. Blijkbaar is dat de manier van bevoorraden voor Saltoluokta. We zijn allemaal uitgestapt. Een massa midges en muggen zijn ook van de partij. Dit heb ik nog niet echt meegemaakt. Constant op mijn lijf en gezicht kloppen.

We rijden verder en stoppen vervolgens even te Vietas. Ook hier worden er levensmiddelen afgeleverd. En dan is het al aan mij. De volgende stop is Suorva. De Hollander achter me heeft het intussen over Sarek, eigenlijk “Saaarek”, zoals de Hollanders zeggen. Wanneer zijn maat vraagt of hij al in Sarek geweest is komt er een magisch antwoord uit zijn mond: “Nee, door Saaarek kan je niet zomaar lopen. Dat is pure wildernis. Dat is lopen in paracomandostijl.“ …en ik lig bijna plat van het lachen.

De buschauffeur roept in het Zweeds door zijn micro dat we aankomen te Suorva en meteen wordt het voor de eerste keer muisstil in de bus. De Hollander schrikt zich blijkbaar een hoedje dat er iemand gaat uitstappen met als doel Sarek.

Buiten doe ik de koffer open en dien natuurlijk een hele boel rugzakken uit de laadruimte te sleuren vooraleer ik aan mijn rugzak kan. Omdat het zo lang duurt komt de chauffeur helpen. Alle andere rugzakken weer in de koffer gegooid, neem ik mijn rugzak en sporttas, keer de bus de rug toe en loop naar de overkant van de weg. De bus rijdt intussen weg. Het wordt compleet stil. Een gevoel van desolate eenzaamheid overvalt me meteen. Wat is dit voor een plek? Waar ben ik toch in godsnaam aanbeland?

Woensdag 20 augustus: Suorva – Njavejågåsj

Een loodzware start

  • Start: Suorva (450m)
  • Aankomst: Njavejågåsj (840m)
  • Afstand: 9,5km
  • Duur: 4u40
  • Klimmen: 470m
  • Dalen: 80m
  • Aantal mensen gezien: 8 waarvan 5 Saami nabij Suorva en 3 trekkers
  • Wadingen: Njavejågåsj (type 1)

Suorva ligt aan de grote stuwdam van het Suorvajavvre (423-453m), één van de grootste en langste meren in Lapland en begrensd door het Nationaal Park van Stora Sjöfallets. Aan de overkant van de weg ontdek ik een Saamihuisje. Beweging is er niet te zien. Meer is Suorva niet. Ik moet de lange dam over want de lange aanloop naar Sarek begint aan de overkant. Een hek met bord vertelt me dat het streng verboden is de dam te betreden. Toch passeer ik het hek. Beneden zie ik twee Saami aan een houten hutje werken. Ze hebben me ongetwijfeld gezien. Het is hier vrijwel dagelijkse gewoonte dat trekkers de dam over steken.

Het duurt wel even vooraleer ik aan de overkant ben. Die overkant ligt 3km verder. De dam is natuurlijk geen 3km lang. In het midden is er een eiland zodat er in feite twee dammuren zijn gebouwd. De tweede dammuur hoef ik niet over, zo blijkt. 3 Saami staan er te werken. Ik dien af te dalen over een grindweg en steek het water over via een brug. Aan de overkant vervolg ik kort de grindweg tot ik aan een bord kom dat het Stora Sjöffalets Nationalpark aankondigt. Hier loopt een wandelpaadje het berkenbos in. Drie trekkers komen net aan en lopen verder naar de dam.

Ik begin eraan. Het paadje klimt langzaam bergop tussen de berken en struikgewas. Vaak is het zompig en zak ik weg in de modder. Regelmatig dien ik kleine beekjes te doorwaden of over te springen. Het is erg vermoeiend met mijn zwaar beladen rugzak, maar de omgeving is mooi. Ik begin te zweten en strop de mauwen waarop muggen snel mijn armen vinden.

De zware rugzak,… ik kan het niet lang volhouden. Schouders beginnen wat pijn te doen. Ik probeer mezelf op te peppen. De eerste pauze houd ik aan een beekje. Ik buk mezelf op het zachte mos om rechtstreeks het water uit het beekje op te slurpen en eet dan een eerste blokje van mijn voorraad reserverantsoen, dat ik als tussendoortje heb meegenomen en dus niet zal dienen waarvoor de naam staat. Schulteis van Trekking Mahlzeiten, het is iets nieuws voor me. Een droge brokkelige koek is het met veel vet in. Het smaakt me wat naar een combinatie van frieten en brood.

Lang kan ik niet pauzeren. De midges en muggen maken het direct te bond eens ik stil sta. Constant sla ik met mijn armen om me heen, maar veel effect blijkt dat niet te hebben. Dus vertrek ik weer meteen. Eens in beweging volgt de zwerm me op afstand en word ik niet meer zo geplaagd. Rond 650m klim ik boven de boomgrens uit en krijg een weids zicht over het Jiertajavrre, Gårtejavrre, Suorva en een stukje Suorvajavrre. Er hangen nog veel wolken, maar het is droog en een paar zonnestralen weten enkele gaatjes te vinden in het wolkendek aan de overkant van het meer. Het landschap is enorm uitgestrekt.

Ik kan niet constant blijven door gaan. Vanaf nu is het een half uur wandelen en dan even pauzeren, de rugzak af doen of laten ontlasten op een rots. Meer kan ik niet met mijn loodzware rugzak. Maar telkens de pauze begint word ik weer lastig gevallen door die vliegende steekbeesten en word ik weer gedwongen om snel te vertrekken.

Al snel wordt het vlakker en loop ik over een lange helling vol toendravegetatie. Geleidelijk kwijnt het pad weg en verschijnen er meer rotsen. Vanaf nu moet ik mijn eigen weg kiezen. Een eerste grote beek kan ik nog net over geraken zonder nat te worden door over stenen in de bedding naar de overkant te stappen. Een klein uur later bots ik dan frontaal op de Njavvejågåsj. De rivier is zo’n 20m breed. De bedding ligt vol rotsen en stenen waar het water overheen ruist. Ik merk dat het waterniveau gelukkig erg laag staat, maar toch nog steeds gemiddeld zo’n halve meter diep waardoor ik toch niet zomaar kan oversteken. Ik doe mijn rugzak af en loop wat verder stroomopwaarts om een goede waadplek te zoeken.

Niet veel hoger heeft de rivier zich in twee stromen gesplitst. Net op de plek waar de twee stromen weer bij mekaar komen is de rivier erg breed en niet diep. Het lijkt me dat ik mijn waadschoentjes in mijn rugzak kan laten en ik over de stenen kan laveren. Snel ga ik weer mijn rugzak halen en probeer het. Langzaam zet ik een stap van steen naar steen, goed steun zoekend op mijn twee wandelstokken. Het water komt vaak tot net boven de enkels, gelukkig net niet hoog genoeg om langs boven in mijn schoenen te vloeien. Ik bereik zonder nat te worden de overkant. Echt simpel was het toch niet. Het water moest maar een beetje hoger staan of ik diende mijn waadschoentjes boven te halen.

Aan de overkant beslis ik om het voor bekeken te houden voor vandaag. Ik zoek me een plek onder de insnijdingwal van de rivier waar ik mijn tarp recht zet en maak dan het eten klaar. Muggen zijn er gelukkig niet veel meer te bespeuren, maar midges des te meer. Het zijn piekfijne vliegjes. Ze vliegen overal in, in mijn oren, mijn neus en ogen. Negeren is de boodschap. Ik geraak er snel aan gewend. Het wordt soep eten vol vliegjes. Dan merk ik dat er ook in mijn etenszakjes zijn gesukkeld. Die beestjes kruipen toch echt overal.

’s Avonds is het erg rustig. Ik trek nog wat rond in de omgeving om weer even van de midges verlost te zijn. Er staat nauwelijks wind en de wolken lossen langzaamaan op. De laagstaande zon schijnt nog even flets doorheen de stratusflarden die tegen de berghellingen hangen van het bergmassief van Skanatjåhkkå. In het zuidoosten heb ik een mooi zicht op Slugga (1279m), een geïsoleerde berg die net de vorm heeft van een piramide. Hoe zouden de bergen van Sarek eruit zien? Rond zonsondergang ga ik slapen.

Donderdag 21 augustus: Njavejågåsj – Guhkesvagge

Eindeloze toendra, weerwerkend struikgewas, woeste gletsjerstromen, diep moeras, oude morenebuilen, regen en stormwind – welkom aan de poort van Sarek

  • Start: Njavejågåsj (840m)
  • Aankomst: Guhkesvagge (880m)
  • Afstand: 19,5km
  • Duur: 9u00
  • Klimmen: 200m
  • Dalen: 160m
  • Aantal mensen gezien: 7 waarvan 3 op afstand
  • Wadingen: Sluggajåhkå (type 1), Njiravjågåsj (type 1), Lulep Niendojågåsj (type 1), Alep Niendojågåsj (type 1)

’s Nachts begint het te regenen. Zo komt het dat ik ’s morgens wat wacht en weer in slaap val. Rond 8u00 word ik weer wakker. Het is droog geworden en er zijn zelfs wat opklaringen. Snel spring ik uit mijn slaapzak, ontbijt en maak me vertrekklaar. Er staat nog steeds nauwelijks wind. Vreemd genoeg is er geen midge meer te bespeuren. Ik ben er niet treurig om.

12km dien ik nog te stappen doorheen de open en uitgestrekte vallei tot ik aan de grens ben met het Sareks Nationalpark. De eerste kilometers lopen vlot. Ik ondervind niet zoveel last meer van mijn rugzak als gisteren en de toendraondergrond loopt gemakkelijk. Hier en daar steek ik een klein beekje over en wordt het wat moerassig. Na een tijdje zie ik de eerste rendieren als ik toevallig achterom kijk. Twee exemplaren lopen een eindje achter me aan, maar wanneer ik nu stil sta om hen gade te slaan vluchten ze omhoog de helling op. En dat gaat bij rendieren steeds in een stijlvolle draf met opgeheven snuit en kort wit staartje fier de lucht in. Mooie dieren zijn het.

Maar na zo’n 4km beginnen de beproevingen die allemaal nieuw voor me zijn. Ik sta voor een uitgestrekt veld bushvegetatie.  Het blijkt zo typisch te zijn hier. De Njiravjågåsj komt hier van rechts uit de bergen gestroomd en spreidt zich op de pedimenthelling uit in meerdere stroompjes. Later zal ik nog vaak mogen merken dat zo’n moerassige bedoening de geliefkoosde plek is voor de struikjes om te gedijen. Op de kaart is het bushveld zo’n 3km lang. Ik wring me erdoor. Meestal gaat het vrij vlot en zijn de struikjes maar ongeveer heuphoog, maar af en toe staan er heuse struikbossen van anderhalve meter hoog. Ik zoek het beste traject. Het duurt eindeloos en ik beslis om langzaamaan hoogte te winnen want hogerop houdt het struikveld op. Midden in het veld houd ik halt bij de Sluggajåhkå, een uitsmijtertje van de Njiravjågåsj. Het ondiepe beekje is een fluitje van een cent om over te steken. Ik stop en leg me op de grond om mijn dorst te lessen.

Na de korte pauze gebeurt het dan. Plots doemen er tussen de lage wolken door voor me stukjes gletsjer op in de verte. Het bergmassief van Äphar wordt stilaan zichtbaar. Het weer betert zich verder. De zon schijnt af en toe. De stratus van deze ochtend is reeds opgetrokken tot stapelwolken. “Waaauw man!” Dat is wat ik spontaan roep wanneer niet veel later het overgrote deel van Äphar zichtbaar is geworden. Een bergmassief van hoge grijs grauwe bergen staat daar als een muur met twee lange gletsjerslierten die vanuit het massief naar beneden stromen in de vorm van de Äpharjiegna en Ruopsokjiegna. Vooral Bierikbakte (1789m), een spitse berg helemaal op de westrand van het massief, valt het hardst op. Wat een contrast met Stora Sjöfallets! Rechts van de bergketen dringt een brede U-vormige vallei dieper de bergen van Sarek in, de Bierikvagge. Maar meer zie ik niet want dieper in Sarek zit alles nog dicht met lage wolken. Wat zou er nog allemaal te zien zijn dieper in Sarek?

Ik loop verder. Voorbij de beek wordt het drassig tussen de struiken tot ik bij de Njiravjågåsj uitkom. De rivier stroomt door een ondiepe kloof, maar ik kan er makkelijk naartoe door over de puinhelling naar beneden te lopen. De rivier is een tiental meter breed, maar ik geraak makkelijk over de stenen aan de overkant. Terwijl ik over steek merk ik een grote kudde rendieren op. Het moeten er honderden zijn. Ze lopen in draf over de grote sneeuwvelden een eind hoger op de berghelling. Na de rivier volgen er nog veel stukjes struikvegetatie, afgewisseld met stukjes toendra en moeras. Beneden in de vallei staat een Renvaktarstuga, een klein Saamihutje dat gebruikt wordt om de rendieren te hoeden. Niet ver ervandaan staat een Hilleberg tent opgesteld, trekkers die er vandaag blijkbaar een rustdagje van maken.

Beneden in de vallei zie ik intussen de Sijddoädno stromen. Een grote stroom is het die gevormd wordt door de vereniging van verscheidene beken die uit Sarek komen gestroomd, ondermeer de Guhkesvakkjåhkå en de Bierikjåhkå. Die rivier geraak je nooit over. In de verte voor Äphar is het grote meer Liehtjijavrre (788m) in zicht gekomen waaruit de Sijddoädno komt gevloeid. De stroom buigt af naar het zuidoosten waar het doorheen een lieflijke vallei verder vloeit richting Sitojaure. Het wordt steeds mooier.

Ik ben het stuk met struikvegetatie door en wandel voort over de toendra. Een eind verder zie ik drie mensen in de tegenovergestelde richting lopen, maar ze lopen een driehonderd meter lager door de vallei. Een goeie kilometer verder sta ik voor de volgende opdracht. Een nieuwe woeste beek komt uit de bergen gestroomd. Ik geraak ze weer vrij gemakkelijk over, maar merk dan even verder dat er nog een veel woestere beek volgt. De Lulep Niendojågåsj heeft zich in twee beken gesplitst en ik ben nu net het kleine exemplaar over geraakt. Ik leg mijn rugzak neer een stukje voor de hoofdbeek en ga een kijkje nemen om water te halen en te bestuderen waar ik zou gaan waden. De rivier is woest en niet meteen overbrugbaar. Met waadschoentjes aan erdoor op dit stuk lijkt erg risicovol. Het water is te woest en ik denk mogelijk meegesleurd te zullen worden. Een heel eind lager waar de berghelling heel zacht wordt zie ik de beek breder worden en rustiger stromen. Ik heb geen keus en zal het ginder verder moeten gaan uitzoeken.

Maar eerst ga ik terug naar mijn rugzak met volle platypus en eet wat tourbrood als middagmaal. Intussen vallen er enkele druppels uit de hemel. Zonneschijn is er al even niet meer. Het weer is merkbaar aan het verslechteren. De bergtoppen van Äphar zijn alweer in de wolken verdwenen. Over Sarek is het duidelijk slecht weer geworden en het lijkt me dieper in Sarek goed te regenen. Ik houd er al rekening mee dat ik straks ook door de regen zal mogen lopen.

Na de middagpauze daal ik af langs de beek. Ze wordt inderdaad kalmer stroomafwaarts en zowaar kom ik bij een plek waar veel grote afgeronde rotsblokken in de bedding ligging. Het lukt me om de beek over te steken over de rotsblokken zonder te hoeven waden op mijn waadschoentjes. Over de beek loop ik een eindje boven de oever van het Liehtjijavrre (788m) terwijl het steeds donkerder wordt. Op de plek waar de Guhkesvagge vallei van rechts zich toevoegt houd ik halt voor een dringende grote boodschap. Toevallig net nu komt er iemand vanuit Sarek aangelopen. Mijn ding gedaan achter enkele rotsblokken en mijn broek net opgetrokken wanneer mijnheer den Duits vlak voorbij komt gelopen.

Ik neem mijn rugzak weer op en loop de Guhkesvagge in. Intussen komt een gordijn regen doorheen de vallei aangeraasd. Het duurt niet lang of het regent goed door met een wolkendek dat maar goed 100m boven de valleibodem hangt. Bergen zijn er niet meer te zien. De Alep Niendojågåsj kan ik gemakkelijk doorwaden en dan duurt het niet lang meer of ik sta aan de brug over de Guhkesvakkjåhkå, de rivier in de Guhkesvagge die de grens markeert tussen Sareks Nationalpark en Stora Sjöfallets. Aan de overkant ligt Sarek. De brug is één van de drie bruggen die men in Sarek heeft gebouwd. Zonder deze brug zou je zo’n 24km moeten omlopen om een plek te vinden om de Guhkesvakkjåhkå te kunnen doorwaden en dan terug te lopen om doorheen de Bierikvagge Sarek dieper in te kunnen lopen. De rivier is een woeste stroom vol met lichtblauw tot grijzig gletsjerwater. Al het smeltwater van de gletsjers, en dat zijn er heel wat, op de noordoostflank van het massief van Sarektjåhkkå verzamelt zich in deze rivier. Spring erin en je verzuipt meteen.

Ik loop de brug even op, maar loop niet helemaal naar de andere oever. Zo gemakkelijk wil ik nog geen Sarek grondgebied betreden. Een Hilleberg Nammatj tent staat aan de overkant vlak tegen de brug opgesteld. De mensen zijn er mee opgehouden voor vandaag met de regen.

Ik keer de brug de rug toe en loop vlak langs de Guhkesvakkjåhkå dieper noordwestwaarts de Guhkesvagge in. Wind stevig op kop en regendruppels vliegen in mijn gezicht. De wolkenbasis schuurt bijna tegen de valleibodem. Ik heb een doel voor vandaag en onaangenaam weer of niet, ik zal minstens tot ter hoogte van de Sarekvarasj lopen.

Erg snel loopt het niet voort naast de rivier ondanks dat er hier en daar vage paadjes zijn, uitgesleten door de rendiertrek naast de rivier. Het terrein is geaccidenteerd. Molshoopjes aan gletsjerpuin, relicten uit de tijd der ijstijden, vormen een microreliëf in de vallei. Ertussen ligt het ene veenmoeras na het andere. Een eind verder loop ik ingesloten over een smalle oeverwal met links van me de grote rivier en rechts een diep veenmoeras. Vaak word ik genoodzaakt me een spoor te trekken door zo’n veenmoeras. Het veenmos zakt gewoon weg en het water komt tot tegen de enkels, maar het lukt toch om steeds een traject te vinden waar ik niet diep weg zak. Verder doemen de struiken weer vaker en vaker op waarbij ik me soms weer doorheen zo’n bushveld moet wringen.

Uren gaan voorbij naast de rivier tot het weer zich betert. Het wordt droog en de wolken trekken wat op zodat plots toch enkele gletsjertongen van gletsjers in het bergmassief van Sarektjåhkkå zich laten zien. De bergtoppen blijven echter verborgen voor de rest van de dag. Wat later priemen er toch enkele zonnestralen doorheen het wolkendek en doemen doorheen de vallei de gletsjers van het massief van Ahkka op in de verste verte. Dolenthousiast ben ik dat ik Ahkka toch al te zien krijg. Dit bergmassief is heilig voor de Saami. Voor mij is Ahkka de aanzet geweest om ooit hier naartoe te komen nadat ik voor het eerst foto’s zag van het bergmassief op het internet, nu al zo’n 8 jaar geleden. Deze berg is in werkelijkheid ook echt speciaal.

Sarekvarasj (1115m), een klein bergje dat geïsoleerd midden in de vallei ligt aan de overkant van de rivier, schuift langzaamaan dichterbij. Wanneer ik uiteindelijk ter hoogte van het bergje ben stop ik ermee. Het waait hard en ik stel mijn tarp een eind hoger op de berghelling op met de ingang tegen een grote rotsblok gekeerd. Van midges of muggen heb ik deze avond compleet geen last meer. Het is koud en het waait stevig zodat ik vrijwel al mijn kleren aan doe, inclusief muts en handschoenen. Gelukkig is het nu droog. Ik loop nog even het blokkenveld op hogerop om een weidser uitzicht te krijgen over de vallei en kruip dan mijn slaapzak in om te eten en daarna meteen te slapen. De dag is toch redelijk vlot verlopen. De rugzak draagt beter. Ik had gisteren duidelijk wat inlooptijd nodig.

Vrijdag 22 augustus: Guhkesvagge – Suottasvagge

Regen en storm op de toendra – mijn meest erbarmelijke bivak ooit

  • Start: Guhkesvagge (880m)
  • Aankomst: Suottasvagge (910m)
  • Afstand: 19,5km
  • Duur: 8u30
  • Klimmen: 250m
  • Dalen: 220m
  • Aantal mensen gezien: 0
  • Wadingen: Tjievrajågåsj (type 1), Guhkesvakkjåhkå (type 1 voor deze type 6 wordt), Suottasjjågåsj (type 4)

Heel de nacht door raast een stormachtige wind doorheen de vallei. Ik slaap niet al te vast door het kabaal van de wind. ’s Ochtends ziet het weer er nog steeds hetzelfde uit zoals het gisteren geëindigd is. Ontbijten, uit de slaapzak kruipen, koude broek aan trekken en verder inpakken. Ik ben ermee weg. De zuidflank van Ahkka is meesttijds niet meer te zien. De vallei verbreedt zich langzaamaan. De Guhkesvakkjåhkå wordt vriendelijker en kleiner. Ik loop op een eindje van de rivier vandaan, op een verdere afstand dan gisteren. De Guhkesvagge opent zich geleidelijk om over te lopen in Gassalahko, een uitgestrekt plateau vol met kleine en grotere meren. Het terrein loopt over in toendra met veel stenen, rotsen en minipuinbergjes.

Na een goeie 6km loop ik over een stenenveld van goed 300m lang waartussen langzaam water stroomt. Aan de overkant merk ik op de kaart dat ik de Guhkesvakkjåhkå ben overgestoken. De rivier is hier, waar ze van Gassalahko komt gestroomd, beslist niet meer dezelfde als verder in de Guhkesvagge. Met de kaart erbij dien ik me te heroriënteren. Het landschap is één uitgestrekte vlakte geworden en de bergen, die in de verte nog steeds in de wolken hangen, maken het moeilijk om te zien waar ik naartoe moet. Ik bevind me vlakbij het Oarjep Tjievrajavrre (879m), het meest zuidelijk gelegen meer op Gassalahko, maar ik kan het niet zien.

Ik beslis om nu al in westelijke richting te trekken. Zo volg ik op een kleine afstand de Vardasjåhkå, de verwilderde gletsjerrivier die zich hier dichtbij bij de Guhkesvakkjåhkå voegt. Het terrein wordt weer geaccidenteerd. Nu zijn het vooral meters hoge oude morenen die ik op en af moet. Niet veel verder kom ik aan een klein meertje uit. Achter een rots, een stukje van de oever vandaan, zet ik mijn rugzak neer en houd er beschut tegen de wind, die nog steeds krachtig blaast, de middagpauze. Het landschap heeft me nog niet echt bekoord vandaag. Verder in het noordwesten hangen donkere lage wolken en lijkt het te regenen. De wolken worden in de stroming naar me toe gedreven maar lossen gedeeltelijk op zodat het hier droog blijft. Over het bergmassief van Sarektjåhkkå begint zich ook een typisch verschijnsel te manifesteren. De bergen worden af en toe zichtbaar. Zo krijg ik even Gavabakte (1906m) en zelfs Sarektjåhkkå (2089m) te zien. Een wolkenmuur hangt over de toppen, maar lost op in de neerwaartse luchtstroom langs mijn kant. Ongetwijfeld regent het goed in de Ruothesvagge aan de andere kant van het bergmassief.

Na de middagpauze klim ik naar Lulep Gassavarasj (1010m), een mega morenebult eigenlijk die Gassalahko van de Guhkesvagge scheidt. Voor de eerste maal tijdens de tocht overstijg ik zo de grens van 1000m. Wanneer ik boven ben op de bult kan ik onder de lage wolken en tussen de regengordijnen door min of meer heel het merenplateau overzien. Lulep Gassavarasj wordt westwaarts afgedaald waarbij ik twee meertjes (975m) passeer en klim naar Alep Gassavarasj (1048m). Intussen ben ik de regen ingelopen en heb ik mijn regenjas aangedaan. Op Alep Gassavarasj zie ik de eerste sneeuwhoenders. Ik jaag een groepje op. Ze vliegen steeds een eindje verder voor me uit.

Ik passeer noordelijk van de top van Alep Gassavarasj en raak daarbij even zo goed als de wolken. Het regent redelijk door. Beneden is de Suottasjjågåsj in zicht gekomen. Het is een wilde verwilderde gletsjerrivier die het smeltwater vervoert van de Suottasjjiegna, de grootste gletsjer in het bergmassief van Sarektjåhkkå. De rivier vloeit Gassalahko op om dan rustig te worden en af te buigen naar het westen en de Suottasvagge in de stromen als de Suottasjåhkå. Het is weer zo’n grote rivier die nergens over te steken lijkt. En toch moet ik er op één of andere manier over zien te geraken.

Ik daal Alep Gassavarasj af en krijg zo een zicht op het hogere verloop van de Suottasjjågåsj tot waar de eindtong van de Suottasjjiegna nog net te ontwaren is onder de wolken. De rivier waaiert hier verder naar het zuiden uiteen in verschillende kanalen die er van op afstand redelijk rustig uit zien. Dit blijkt mijn enige weg te zijn om verder te geraken.

Ik daal dus verder af naar het zuiden en kom al snel bij de rivier aan. De verwilderde bedding wordt meteen met argusogen bestudeerd. Zoiets heb ik van mijn leven nog niet gezien. Banken van fijn zwart zand en silt liggen in de bedding met talloze kleine zijstroompjes die er kronkelend doorheen vloeien, gevuld met fel grijsblauw water waar je nog geen millimeter doorheen kan zien. Verder kabbelt de hoofdstroom die zo’n dertig meter breed is en toch nog diep lijkt. Het is oppassen wanneer ik tot bij de hoofdstroom wil geraken. Hier en daar zak ik langzaam door de siltbanken weg net als in drijfzand. Dit is een echte gletsjerrivier. Nergens in de Alpen kom je er nog zo één tegen.

Ik keer maar terug naar veiligere oorden want de rivier is hier nog niet eenvoudig door te waden. Ik loop nog een eindje stroomopwaarts tot ik aan een punt kom waar de rivier meer verval heeft, wat wilder is maar ondieper doordat er drie aparte kanalen zijn gevormd. Ik merk dat het water hier vooral over een bodem van stenen stroomt. Hier moet ik het proberen, de eerste echte serieuze doorwading.

Ik haal mijn waadschoentjes boven en beslis om mijn broek niet uit te doen maar zo ver mogelijk op te stroppen. Het valt voorlopig nog mee in de wind en regen. Vervolgens alles op mijn rugzak binden, schoenen en fototas. Mijn leki’s worden op de langste stand uitgeschoven. De eerste stap in het water lijkt meteen mijn bloedsomloop door mijn voet af te snijden. Snel zet ik mijn tweede voet in het water en loop verder door de rivier. Tot net tegen de knieën komt het, meer niet. Toch is het oppassen. Door het gletsjersediment zie ik compleet niet waar ik mijn voeten zet. Door de kou begin ik spontaan diep en snel te ademen om telkens mijn longen krachtig leeg te blazen. Zonder veel moeite bereik ik 40m verder de overkant. Toch blij dat het over is. Vooral het koude water dat slechts een temperatuur moet hebben van net boven nul is het meest onaangename. Mijn voeten zijn rood gezwollen als ik mijn waadschoentjes weer uit trek. Ik droog alles af met mijn kleine zeemvel en doe kousen en trekkingschoenen weer aan. Mijn onderlichaam wordt weer warm. Het is plots een zalig gevoel in de voeten. Je zou het er nog eens voor doen.

Weg van de rivier trek ik verder maar kom meteen voor een diep moeras te staan. Het wordt zoeken naar een route doorheen de zompige brei waarbij ik meer dan eens een eindje moet terugkeren omdat ik te diep wegzak. Het duurt een tijdje voor ik er door ben. Vervolgens is het de mist in klimmen over een rotsblokkenveld en langsheen sneeuwvelden op de flanken van Suottasjvaratja (1047m), weer zo’n mega morenerelict. Het zicht schommelt maar iets tussen 50 en 200m. Ik passeer een rendierkarkas en kom dan weer onder de wolkenbasis uit wanneer ik de Suottasvagge in daal uitkijkend voor een bivakplek.

Het gaat een onaangename avond en nacht worden. Het blijft maar regenen en bovendien is het weer stormachtig aan het waaien doorheen dit dal. Ik loop voor een anderhalve kilometer verder tot ik aan een hoge rotsblok kom midden tussen de open toendra in de vallei. Diepe putten liggen in de grond rondom de rotsblok, die op één of andere manier zijn gevormd door vorst en sneeuw. Het is hier overal zo met alle rotsblokken. Aangenaam plat kan ik hier niet liggen maar het is de enige keuze die ik heb of ik moet mijn tarp open en bloot in de wind op stellen. Daar pas ik toch liever voor, temeer omdat ik nergens losse stenen kan vinden om de achterkant van mijn tarp dicht te stapelen met een muur van stenen. Alle stenen en rotsen hier in de grond zitten zo vast als beton. In de lijzijde van de rotsblok probeer ik maar mijn bivakplek te maken. De tarp wappert van hier naar ginder in de turbulentie achter de blok. Ik krijg ze niet compleet strak opgesteld. Veel voordeel heb ik niet van de blok.

Vervolgens ga ik water halen aan een zijbeekje van de Suottasjåhkå waar ik wel een eindje voor moet lopen. Het wordt eten en meteen weer gaan slapen. Lage wolken razen vlak boven de dalbodem over, regen gutst tegen de tarp. Ik lig niet plat. Dit wordt mijn meest onaangename tarpnacht ooit.

’s Nachts regent het harder en halen de rukwinden nog steviger uit. De tarp wordt regelmatig stevig tegen mijn bivakzak geblazen. Daarbij voel ik ook nog eens regelmatig waterdruppeltjes op mijn gezicht spatten. Waar ze exact vandaan komen is me een raadsel. De tarp wappert dat het niet meer schoon is en spat al het regenwater weer op. Mijn bivakzak hangt vol druppels. Ik kan er niet veel aan doen. We zien morgen wel verder.

Zaterdag 23 augustus: Suottasvagge – Ruohtesvagge bij Nijakvagge

Een eerste hoge doorsteek in die grijze doodse woestenij – de gletsjerpoort van Nijak

  • Start: Suottasvagge (910m)
  • Aankomst: Ruohtesvagge bij Nijakvagge (920m)
  • Afstand: 10,0km
  • Duur: 6u10
  • Klimmen: 390m
  • Dalen: 380m
  • Aantal mensen gezien: 5 op verre afstand
  • Wadingen: Nijakjågåsj (type 1)
  • Toppen: Kantberget (1857m, echter teruggekeerd op 1490m)

Het weer heeft zich nog niet gebeterd wanneer mijn wekker afloopt. Ik kijk eens buiten en zie de wolken nog steeds op slechts een honderd meter boven de valleibodem aan hoge snelheid voorbij razen. Ik wacht en probeer wat verder te slapen. Intussen betert de zaak buiten. Een paar uur later wordt het zo goed als droog en de wolken hebben zich al wat hoger opgetrokken. De wind doet het nu ook kalmer aan. Ik ontbijt en pak rustig in. Intussen zie ik drie trekkers op verre afstand doorheen de vallei trekken aan de overkant van de Suothasjåhkå.

Af en toe wordt er een beekje over gestoken en loopt het over zompig grasland wanneer ik verder westwaarts trek door de vallei. De steile noordwand van Nijak (1922m), op uitzondering van Gisuris (1664m) de meest noordelijke berg van Sarek, komt dichterbij. Zijn top ligt uiteraard verscholen in het wolkendek. Ter hoogte van de Nijakvagge beslis ik om de Suottasvagge niet meer te volgen en af te wijken van de oorspronkelijke planning. Ik ga de Nijakvagge in klimmen en de hoge col tussen Nijak en de rest van het bergmassief van Sarektjåhkkå oversteken naar de Ruothesvagge in plaats van doorheen de laagvallei omheen Nijak te lopen. Vanuit de vallei zie ik de wolkenbasis net op de col hangen. Zo krijg ik toch eens wat afwisseling in vergelijking met het valleistrollen door de nattigheid van de voorbije dagen en kan ik de omgeving van Nijak al verkennen. De luchtdruk is goed aan het stijgen en de bewolking wordt merkbaar dunner. Het moest eens oplossen deze avond…

Al zigzaggend klim ik omhoog. Het gaat toch verbazend vlot ondanks de 30kg op mijn rug. Intussen opent zich een wijds zicht over de Suottesvagge en de meren van Gassalahko. Niet veel later kom ik aan het bergmeer uit met de naam Nijakriehpejavrasj (1172m), dat hier aan de oostflank van Nijak in de grote glaciale nis ligt ingebed. Het waait hard vanuit de richting van de col en het miezert hier weer. Ik passeer het meer langs de oostkant en dat gaat meesttijds over rotsblokken. Nog eens een half uur duurt het om helemaal achteraan in de nis te geraken onder de col. Ik stop om de middagpauze te houden. Een beekje komt van onder de rotsen gestroomd, het smeltwater van het grote firnveld afvoerend dat hier onder de col ligt. Het is weer droog en de wolken die vanaf 1400m tegen de bergflanken plakken geven de plek toch een donkere sfeer.

In één grote zigzag loop ik over de sneeuw tot op de col. De wind blaast weer even hard. De andere kant geeft niet meteen een ferm uitzicht. In de verte zie ik maar een korte horizon door het smalle V-vormige dal. Vooraan nog een ijsmeertje met veel sneeuw en een ijsschots, lager een lange firnbrug in de steil afdalende valleibodem waaronder de beek stroomt. Het afdalen gaat zo eerst gemakkelijk maar dan houdt de firn op en moet ik over blokken verder vlak langs de rivier. Het is een mengeling van omlaag gevallen blokken en morenepuin. De eindtong van de Nijakjiegna bevindt zich links van me achter een hoge eindmorenewand. Het is geen gemakkelijke doorsteek. Lager kom ik weer op een enorme sneeuwbrug terecht. Deze lijkt het resultaat te zijn van sneeuwlawines die ’s winters van de zuidflank van Nijak glijden. Daarna loop ik weer over blokken en stenen meestal zo goed als in de bedding van de rivier want op de helling is het te moeilijk. Een heel eind lager wringt de beek zich in een kloof. Ik realiseer me dat ik nu best steil van de rivier weg traverseer en zo kom ik op de vriendelijkere helling terecht bij de opening van het dal in de Ruothesvagge. Het zicht opent zich geleidelijk naar deze vallei en wat ik te zien krijg is om rechtopstaande haren van te krijgen ondanks dat de bergtoppen in de wolken zitten. Voor het eerst krijg ik het gevoel echt in Sarek te zijn. Het zicht is iets heel anders dan de hele aanloop van de voorbije dagen. Ver in het zuiden loopt een megagletsjer, de Oarjep Ruothesjiegna, met zijn tong uit het bergmassief van Ruothes de Ruothesvagge in, waarbij een breed verwilderde gletsjerrivier zich over de sandrvlakte wijds uitspreidt. Gisuris (1664m) rechts, de geïsoleerde berg in het noorden van Sarek met daarachter de merenvlakte van Padjelanta.

Ik daal verder af en moet dan over de grote puinwaaier in het dal waar de Nijakjågåsj zich over uitspreidt in meerdere kanaaltjes. Ik geraak de rivierkanaaltjes nog maar net over zonder nat te worden. Tot slot loop ik nog een klein stukje verder de vallei in om mijn tarp recht te zetten op een uitkijkterras, een stuk boven de valleibodem. Vervolgens eten en het weer bestuderen. Er is haast geen stroming meer. Wat een verschil met deze ochtend. De wolken hangen zo goed als stil en lijken nog zeer langzaam verder op te trekken. Het moet intussen maar een dun laagje stratocumulus zijn, maar heel de hemel zit er wel mee dicht. Moeilijk in te schatten wat zoiets nu gaat doen.

Na het eten maak ik nog een chocomousse klaar en beslis om de noordwestkam van Kantberget (1857m) op te gaan. De kam begint iets hoger boven de bivakplek en lijkt gemakkelijk oploopbaar. Tot op de top van Kantberget zal het natuurlijk wel niet gaan met al de wolken. Ik trek op weg. Over vaste rots loopt het een tijd steil bergop tot ik rond 1490m op een vlakker stuk op de kam uit kom. Het uitzicht is fantastisch. Links van me gaapt een grote gletsjer, de Nijakjiegna met tegen de wand van de kam een grote windkuil en rechts de Ruothesvagge met verder weg de verwilderde gletsjerrivier die van de eindtong van de Oarjep Ruohtesjiegna in een lange bocht dieper Sarek in stroomt. Een compleet horizontale wolkenbasis hangt vlak boven de kam. Verder gaan dan hier hoeft niet meer. Maar ik krijg nog iets opmerkelijks te zien. Verder weg in de verte in het zuidoosten zie ik doorheen de Ruothesvagge de berghellingen van Rapadalen in de zon baden. Verder in Sarek schijnt de zon!

Terug bij de tarp eet ik mijn chocomousse op en ga slapen. Intussen verschijnen er ook kleine gaten in het wolkendek boven mijn hoofd. Het gaat deze nacht helemaal uitklaren. De zon komt morgen op iets voor 4u30. Mijn wekker zet ik op 2u30. Ik ga op het einde van de nacht Nijak beklimmen.

Zondag 24 augustus: Ruohtesvagge bij Nijakvagge – Ruohtesvagge onder Gavabakte

Langs de koning der melkrivieren

  • Start: Ruohtesvagge bij Nijakvagge (920m)
  • Aankomst: Ruohtesvagge onder Gavabakte (900m)
  • Afstand: 12,0km (Nijak +9,0km)
  • Duur: 5u30 (Nijak +5u20)
  • Klimmen: 120m (Nijak +1030m)
  • Dalen: 140m (Nijak +1030m)
  • Aantal mensen gezien: 4 aan de overkant van de vallei
  • Wadingen: Nijakjågåsj (type 1), Ruohtesjågåsj (type 1)
  • Toppen: Nijak (1922m), Ruohtesvarasj (1004m)

2u30. Ik ontbijt vlug en kruip uit mijn slaapzak. IJskoud is het maar er staat gelukkig niet echt wind. Boven staat een heldere sterrenhemel te fonkelen. Het is nog goed nacht. Ik vertrek met muts en handschoenen aan. Mijn kleine sporttas neem ik mee als dagrugzakje op de rug. Ik voel meteen een klein mankementje: geen wandelstokken om naar boven te gaan. Dat heb je als je een tarp hebt recht staan. Bij het doorwaden van het hoofdkanaal van de Nijakjågåsj constateer ik meteen de nadelen ervan. Over de losse stenen in de bedding loop ik door het water maar verlies plots mijn evenwicht op de gladde stenen en moet corrigeren door doorheen mijn knieën te buigen en met de handen in het water te steunen. Mijn handschoenen zijn doorweekt. Ik wring ze zo goed mogelijk uit en trek ze maar weer aan. Het maakt toch geen verschil als ik ze uit zou doen. Koude handen heb ik toch en het voordeel als ik ze aan houd is dat ze sneller drogen.

Doorheen de Nijakvagge klim ik weer omhoog in de voetsporen van gisteren. Op de hard bevroren sneeuwvelden vind ik ook daadwerkelijk mijn oude sporen terug. Het vriest want plasjes water in de rivierbedding zijn veranderd in ijs. Nog voor de col, net voor het begin van de firnbrug, verlaat ik de rivierbedding en klim over het puin steil omhoog over de zuidflank van Nijak. Redelijk snel bereik ik de flauwe kam die de gletsjernis op de zuidflank begrensd. Intussen is de sterrenhemel weggekwijnd en wordt het al behoorlijk licht in het noordoosten. Vanaf nu gaat het niet meer vooruit. Overal liggen losse rotsblokken en stenen met scherpe randen. Op de bergen rondom in het zuidoosten is een duidelijk scherp lijntje te zien rond 1600m, net de hoogte waarop de wolkenbasis gisteren lag. Boven de lijn zien alle rotsen wit. De wolken hebben gisteren nog een fijn laagje ijs afgezet op de bergen alvorens ze oplosten. Hoger kom ik ook op de beijsde rotsen terecht. Ik moet vertragen en voorzichtig naar boven gaan. Mijn rubberen zolen hebben op geen enkele steen of rots grip meer. Zo gebeurt het dat ik de schaduwkegel van Nijak zie verschijnen over de Siergavagge. De zon is boven de horizon verrezen achter de berg.

De laatste hoogtemeters is het klimmen doorheen de sneeuw. Een uur na zonsopgang bereik ik de top waarop een harde sneeuwkap ligt waaruit enkele steenmannen priemen. De noordwand van de berg is bekleed met een dik pak sneeuw. Het zicht maakt de vervelende beklimming helemaal goed. Aan de overkant in het noorden staat Ahkka (2015m) als een bergmuur fier Stora Sjöfallets te bewaken. Rechts van Ahkka het uitgestrekte plateau van Gassalahko met wel duizenden meertjes waarvan er meerdere fonkelen in het ochtendlicht. Achter Gassalahko gaapt het grote Suorvajaure in de diepte met helemaal achteraan aan de horizon de bergen van Kebnekaise.

In de westhoek liggen de grote bergmeren van Padjelanta achter Gisuris en reikt het zicht verder weg tot de puntige toppen langsheen de Atlantische kust van Noorwegen met ondermeer een grote gletsjerkap die te zien is, Blåmannisen (1571m). Tussen de puntige toppen in het westnoordwesten is zelfs de Noorse Zee te zien waarbij ik de toppen van de bergen op de Lofoten eilanden eveneens over de Noorse kust zie uit steken! De eilanden zelf kan ik niet zien liggen in de zee. Van Sarek zelf is niet veel te zien dan alleen maar een deel van de Ruohtesvagge. Voor de rest lijkt het een concurrentiestrijd van wilde vergletsjerde toppen die elk hun best doen om elkaar het zicht te ontnemen. Er waait een matige zuidenwind op de top. Ik moet blijven bewegen om het niet koud te krijgen. Zo’n half uur blijf ik toch op de top rond turen en foto’s nemen. Dan daal ik weer af. Aanvankelijk nog over de beijsde rotsen, maar lager heb ik het geluk dat de zon al wat heeft weggesmolten. Toch ga ik twee keer op mijn gat. Straf dat ik tijdens het klimmen niet gevallen ben. Veel sneller gaat het daarentegen toch weer niet vooruit over al die losse prut. Pas rond 8u30 ben ik weer bij de tarp. De berg heeft me meer dan vijf uur bezig gehouden en dat voor een hoogteverschil van rond 1000m. In de Alpen zou het niet waar zijn geweest.

Alles opgeruimd ga ik er vandoor. Verder in de Ruothesvagge steek ik de Ruothesjåhkå probleemloos over. De rivier ligt vol draadalgen maar toch drink ik er wat van. Aan de overkant stuit ik zowaar op een paadje, dit keer niet uitgesleten door de rendiertrek maar door de mens. Het staat ook op de kaart ingetekend. Bij het zadel in de vallei is het één zone vol veenmoeras en veenplassen met een fiere Gavelberget (1819m) op de achtergrond, een erg mooi zicht. Het paadje loopt vlak langsheen de plaatselijke Renvaktarstuga aan de rand van het moeras tegen de helling aan van de Ruohtesvarasj (1004m). Ik laat even de rugzak achter om naar de top van deze bult in de vallei te klimmen. Mooi frontaal uitzicht op de bangelijke Oarjep Ruothesjiegna en dieper in de Ruohtesvagge slingert de gletsjerrivier in ontelbare armen dieper Sarek in. Ik kan niet wachten om er naartoe te gaan.

Het blijft langsheen vennen verder lopen tot het paadje dood loopt op de bedding van de Smajllajåhkå. Het is een bedding van goed een halve kilometer breed vol met steentjes, grind en siltbanken. Het ligt allemaal droog. Pas op de oostrand van de bedding kom ik uiteindelijk de rivier zelf tegen waarbij ze zich regelmatig in verschillende kanalen vertakt die dan weer bij mekaar lopen. Tijdens het begin van de zomer moet de rivier er ieder jaar compleet anders uit zien en zich veel weidser over de bedding uitsmeren doordat ze door de massale dooi een debiet moet kennen dat meer dan het honderdvoud bedraagt dan nu het geval is. De rivier lijkt nu redelijk makkelijk doorwaadbaar. Wel wat stroming maar weer slechts kniediep. Het water is weer één sedimentbrij. In principe moet ik de rivier over want het paadje zou aan de andere oever weer moeten verschijnen. Ik beslis om toch niet naar de overkant te gaan. Ik heb mijn zinnen gezet op Gavabakte (1906m), een berg verderop in het massief van Sarektjåhkkå en deze ligt niet aan de overkant van de rivier. Als ik kan kiezen tussen één koude wading of drie dan kies ik toch liever voor het eerste.

Ik heb dorst en zou de middagpauze moeten houden maar kan niet uit de rivier drinken met al dat sediment. Ik volg de rivier stroomafwaarts en kom al gauw bij een zijrivier uit die zich bij de Smajllajåhkå voegt. Het lukt weer net om ze te doorwaden met mijn trekkingschoenen. Verschillende vissen flitsen weg. Aan de overkant hou ik een pauze om mijn dorst te lessen uit de rivier, tourbrood te eten en even wat te rusten. Het weer is schitterend. Het is wel niet meer onbewolkt. Dikke cirrusslierten bewegen snel over vanuit het noorden. De jetstream stroomt duidelijk uit boven Noord-Scandinavië. Zolang het maar uit het noorden is kan het nog niet veel kwaad.

De rest van de namiddag staat volledig in teken van de Smajllajåhkå. Langs de linkeroever van de rivier ploeter ik verder, regelmatig doorheen veenmoeras, over puinhoopjes en kleine riviertjes doorwadend die uit het bergmassief van Sarektjåhkkå komen gestroomd. Ik zie de Smajllajåhkå alsmaar groter worden. Nog van mijn leven niet heb ik zo’n sterk verwilderde gletsjerrivier gezien. Zoiets zie je alleen maar per toeval eens op TV in een documentaire of film die zich ergens afspeelt in Alaska of Nieuw Zeeland. Sarek wordt niet voor niets wel eens Europees Alaska genoemd. Het zou me niet verbazen dat de Smajllajåhkå de grootste braided river is op het vasteland van Europa, de exemplaren in de Noord Russische Oeral niet meegerekend. Ik krijg wat spijt dat ik de rivier toch niet doorwaad heb want het paadje aan de overkant loopt wat hogerop boven de rivier en moet een mega-uitzicht geven over al die brede rivierkanalen met de bergen en gletsjers van het Sarektjåhkkå massief erachter.

Plots zie ik een kleine groep trekkers lopen over het pad vanuit de tegenovergestelde richting. Ze stoppen speciaal om me gade te slaan. Ik zit maar door al het moeras te ploeteren, maar vind het fijn. Zij denken waarschijnlijk dat er een zot door Sarek loopt. Regelmatig loop ik een siltbank op in de bedding van de rivier om dan als een kind doorheen een klein zijkanaaltje van de rivier te spetten dat dan maar slechts een 10cm diep is, maar wel goed 10m breed. Het is een festijn om doorheen de Ruohtesvagge te trekken.

Na een 5km die er wel 15 lijken kom ik onder de zuidkam van Gavabakte bij een grote puinwaaier terecht vol kleine rotsblokken. Tussen al dat puin moet hier ergens de rivier komende van de Vardasjiegna de vallei komen ingestroomd. Net voor de puinwaaier houd ik halt en stel mijn tarp op. Het is nog redelijk vroeg in de namiddag, maar toch ga ik Gavabakte niet meer op. Na de korte nacht, de vermoeiende beklimming van deze ochtend en al dat moerasgeploeter is mijn kaars zo goed als uit voor vandaag. Ik leg me op mijn slaapzak onder de tarp in de zon en val meteen in slaap. Een uurtje later word ik wakker van mijn wekker. Goed wetende dat ik in slaap ging vallen had ik maar een alarmpje gezet. Ik maak het eten klaar en geniet van de laatste zonnestralen. Het is nog vroeg in de avond dat ik al ga slapen. Morgen ga ik er niet vroeg uit komen. Geen zin om Gavabakte weer in een onzekere rees tegen de tijd op te gaan voor de zonsopgang om dan weer met weinig slaap verder te trekken. Ik zal Gavabakte morgen rustig op gaan.

Maandag 25 augustus: Ruohtesvagge onder Gavabakte – Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå

De spitse berg en al zijn moeilijkheden

  • Start: Ruohtesvagge onder Gavabakte (900m)
  • Aankomst: Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå (840m)
  • Afstand: 9,5km (Gavabakte +7,0km ; Skarjatjåhkkå + 8,0km)
  • Duur: 4u30 (Gavabakte +4u00 ; Skarjatjåhkkå +3u30)
  • Klimmen: 80m (Gavabakte +1006m ; Skarjatjåhkkå +807m)
  • Dalen: 140m (Gavabakte +1006m ; Skarjatjåhkkå +807m)
  • Aantal mensen gezien: 8
  • Wadingen: Smajllajåhkå (type 5), Boajsajågåsj (type 1)
  • Toppen: Gavabakte (1906m), Skarjatjåhkkå (1647m)

Het is 8u wanneer ik op sta. De zon schijnt al even uitbundig. Ik ontbijt en maak me klaar voor Gavabakte (1906m). De zuidkam is onderaan tegen de Ruothesvagge erg steil en ik betwijfel of deze zomaar overbrugbaar is. Daarom loop ik rechts van de kam het wilde dal in waar de beek het smeltwater van de hogerop gelegen Vardasjiegna afvoert. Over de erg steile helling vorder ik dieper het dal in, langzaam hoogte winnend. Hogerop loop ik vervolgens zigzaggend omhoog. De ondergrond wordt al gauw gevormd door vaste rotsen met veel mos op. Een blik naar boven vertelt me dat het niet simpel is om op de kam te geraken. De rotsen zijn veel te steil. Ik traverseer een stuk, vaak handen gebruikend en opletten om niet te schuiven over al het mos. Dan kom ik in een steile couloir terecht. Langs de noordkant van de couloir lukt het me uiteindelijk om op handen en voeten over de rotsen op een 1400m hoogte op de kam uit te komen.

Boven op de kam is het gemakkelijk. Het is er een twintigtalmeter breed met kleine rotsen en hogerop stroken met sneeuwvelden. Het zicht rondom laat alleen maar vermoeden dat de top ginder boven erg de moeite moet zijn. En die top is nu in zicht gekomen. Ik zie al meteen dat het nog erg moeilijk gaat worden dichter bij de top. De kam wordt vlijmscherp met op de zuidoostflank van de berg een kleine gletsjer die niet op de kaart staat ingetekend en waarvan de firn tot dicht tegen de kam reikt. Gletsjerijs is er echter niet te zien. Heel de gletsjer ligt vol sneeuw. Ik loop naar boven.

Zo’n 300m hoger moet ik dan een beslissing maken. De kam is intussen al even een erg luchtige rotskam geworden van slechts een meter breed. Vaak met handen ben ik verder geklommen. Op het punt waar ik nu ben aanbeland kan ik niet meer verder. De kam is nog smaller en steiler, veel te moeilijk om zonder verdere hulpmiddelen te overbruggen. Links kan ik op rotsplaten terecht komen die er erg glad uit zien door de vrieskou. Hier zal ik ook niet verder kunnen geraken. Mijn oog valt naar rechts. Ik kan eenvoudig op de firn van de gletsjer komen en verder lopen. Zo gezegd zo gedaan. De topfirn is hard bevroren en aanvankelijk is het maar een smal vlakkere topstrook tegen de rotswand van de kam aan waar ik op kan lopen met rechts de steile diepte op de gletsjer. Omdat ik geen stijgijzers heb moet ik mijn voeten stevig in de harde firn stampen om niet te glijden. De wand van de kam links wordt steeds hoger.

Een eindje verder kom ik bij een windkolk uit. De gletsjer wordt te steil hogerop naar de top toe die nu heel dichtbij is gekomen. De enige weg naar boven is weer de kam op. De wand is steil met dichter naar de top sneeuw die een stuk hoger tot tegen de wand oploopt. Met pickel en stijgijzers had het heel wat gemakkelijker geweest. Ik heb nu geen keuze en moet het over de wand doen. Over smalle rotsricheltjes in de wand traverseer ik richting de top om telkens op geschikte punten naar een hoger gelegen richel te klimmen. Boven het sneeuwveld wordt het even heel smal. Ik krijg slechts een richeltje van een halve centimeter voor mijn voeten. Ik denk nuchter na. Als ik val glijd ik direct over de sneeuw de windkolk in en daar zal ik vanzelf tot stilstand komen. De windkolk wordt met een sneeuwmuur afgesloten van de steile gletsjerhelling. Vallen kan geen al te nare gevolgen krijgen. Ik doe het dus. Met geluk kan ik overal genoeg grepen vinden voor mijn handen. Na het moeilijke stuk krijg ik weer bredere richels en klim ik gemakkelijk verder tot op de kam.

De kam is weer breder, maar een blik naar links beneden laat duidelijk zien dat het korte smalle en steile stuk niet had gelukt. Er waait nu een redelijk harde zuidoostenwind. De finale 100m lopen over beijsde rotsen, net als op Nijak maar dan nu wat minder steil. Toch geraak ik zonder verdere problemen op de top waar een kleine steenman staat en een schedel met gewei van een rendier ligt dat een voorganger moet hebben achtergelaten.

De top is indrukwekkend. Langs de andere kant van het bergmassief ligt de uitgestrekte en brede gletsjer Vardasjiegna, die met een brede tong tot diep in de Guhkesvagge uitloopt. Daarachter weer Gassalahko en Kebnekaise. De Vardasjiegna is bijlange nog niet eens de grootste gletsjer van het massief van Sarektjåhkkå en toch krijg ik hem niet op de foto als ik mijn lens op zijn allerbreedst zet op 16mm. Een steile afgrond loopt naar beneden aan de oostkant van de top, volledig maar dan ook echt volledig verticaal naar beneden voor precies 240m. Aan de overkant van de gletsjer toornt achter de bergkam met Vardastjåhkkå, (1876m) een bergkam met puntige pieken omhoog. Dit zijn de hoogste toppen van Sarek: Sarektjåhkkå Nordtoppen (2056m), Stortoppen (2089m), Sydtoppen (2023m) en Bucht-toppen (2010m).

Het zicht in westelijke en zuidelijke richting wordt gedomineerd door de diepe vallei van de Ruothesvagge waar de verwilderde rivier zich meer dan 1000m lager als een lint doorheen de valleibodem vlecht, de toppen van de bergmassieven van Ålkatj en Ruohtes op de achtergrond. Intussen ontstaan er kleine stapelwolkjes over de toppen. Van op Gavabakte lijkt het trouwens niet zo moeilijk om de kam van het bergmassief in noordwestelijke richting te vervolgen en zo de toppen van Gassatjåhkkå (1912m) en Såltatjåhkkå (1928m) te bereiken.

Ik daal weer af. Op het punt waar de kam weer smal, steil en luchtig wordt bekijk ik toch eens de westkant van de kam. Het lijkt me erop dat ik langs hier wel het moeilijke stuk op de kam ga kunnen passeren en zo hoef ik niet meer te bengelen langs de gletsjer. Stijl daal ik van de kam af over losse blokken, traverseer lager enkele steile couloirs waar ik door de steenslag enkele stenen in beweging zet. Ze vallen aan enorme snelheid naar beneden in de couloir om lager nog sneller over de sneeuwvelden naar beneden te glijden om ergens 400m lager op een andere gletsjer terecht te komen. De couloirs gepasseerd kom ik aan de rotsplaten uit. Het wordt van gleuf naar gleuf klimmen en me weer voorzichtig laten afzakken. Toch kan ik op deze manier weer op de kam uit komen. Langs deze kant naar de top klimmen had niet echt mogelijk geweest, afdalen ging nog wel net.

Wanneer ik rond 1400m op de kam naar de plek zoek waar ik uit het zijdalletje omhoog was geklommen vind ik het niet meer. Aandachtig zoek ik maar een nieuwe route. Het duurt wel even alvorens ik die gevonden heb. Erg steil klim ik zo over de mossige rotsen af, daal lager over de steile helling in het zijdal verder om in de Ruothesvagge uit te komen waar ik lager weer bij mijn tarp uitkom. Een tweede mooie maar toch erg moeilijke berg overwonnen.

Na het inpakken loop ik naar de Smajllajåhkå, naar een plek waar de rivier net in drie bede kanalen stroomt zonder bochtenwerk. Hier leek de rivier het gemakkelijkst te doorwaden van op de bivakplek zonder diepe meanderbochten. De overkant ligt 60m verder. Ik gooi enkele stenen in het eerste kanaal om van het plonsgeluid een idee te krijgen hoe diep het water is. De bodem kan ik nergens zien door het wit sedimentwater. Ik schat dat het eerste kanaal slechts kniediep is. De andere twee kanalen blijven nog een vraagteken.

Ik doe mijn schoenen, kousen en broek uit, bind alles op mijn rugzak en loop met waadschoentjes de rivier in. In het eerste kanaal komt het water maar kort tot net onder de knieën. Over de siltbank kom ik in het tweede bredere kanaal terecht. Net tot aan de knieën komt het water. Tot slot het laatste kanaal waar de stroming het hardst is. Vlak aan de oever is het weer net kniediep. Ik geraak vlot de oever op. Wat een geluk dat ik zo’n gemakkelijk doorwaadbare plek heb gevonden. Op een steen droog ik mijn voeten en benen af en trek weer terug alles aan.

Niet veel hoger tref ik het smalle uitgesleten pad aan. Het is nu nog een 6km tot aan de Mikkastugan, het noodhutje centraal in Sarek waar de noodtelefoon aanwezig is. Het mooiste stuk op het paadje ligt achter mijn rug. Het loopt verder weg van de rivier. Af en toe kwijnt het pad weg en is het lopen over de toendra tot er weer een spoor zichtbaar wordt.

Aan de Boajsajågåsj kom ik soortgenoten tegen. Een groep van vier waaronder twee meisjes staan er aan de overkant al een gehele tijd een plek te zoeken om de rivier door te waden. Ik waad de rivier zonder moeite vlot over op mijn trekkingschoenen. Een eind verder kijk ik nog eens om en zie de laatste van de groep de rivier over sukkelen. Er loopt toch heel wat onzeker trekkingvolk rond door Sarek. Het duurt nog een heel eind vooraleer ik aan de Mikkastugan uit kom. De Smajllajåhkå is intussen een woeste type 6 ondoorwaadbare stroom geworden en vlecht zich niet vaak meer uit in meerdere kanalen.

Nabij de Mikkastugan (800m) staat een oud rendierhek. Ik laat mijn rugzak achter en loop op verkenning naar de Mikkastugan. Er staan twee hutjes. Het ene is de WC, het andere het noodhutje met antenne. Ik geraak binnen. Het is er nog behoorlijk proper. Een hele uitleg om bij nood de noodtelefoon te gebruiken plakt tegen de muur. De telefoon staat rechtstreeks in verbinding met de frequentie van het Zweedse politienet. Eventjes naar huis bellen lukt dus niet.

Buiten vind ik naast het huidige hutje de ruïnes van het vroeger hutje. Dit hutje is afgebrand geweest. Het ligt er vol afval van trekkers, lege pakjesmaaltijden en gasblikjes. Een schande dat men hier zijn afval achter laat. Later zal ik beter begrijpen waarom de Zweden hier hun rommel zo gemakkelijk droppen. Op de verwennende Kungsleden wordt er immers een gewoonte gekweekt om je afval te droppen in het containerpark aan vuilbakken dat je vindt bij elk schuilhutje.

Nabij de Mikkastugan komt de Guohpervagge en de Ruothesvagge samen om het Rapadalen te vormen. Vooral de Ruothesvagge eindigt hier met een grote gletsjerdrempel. De Smajllajåhkå heeft zich dan ook diep ingesneden in een kloof om beneden in de siltvlakte samen te lopen met de Guohperjåhkå om vanaf dan de grote Rahpatjåhkå te vormen. Een korte brug loopt over de kloof. Als men deze brug niet zou aanleggen zou je om de Guohpervagge of Alggavagge in te lopen, ver moeten omlopen om een doorwaadplek te vinden over de Smajllajåhkå waarbij het nog niet eens zeker is of je de Mihkajåhkå over gaat geraken. Van aan de Mikkastugan heb je in elk geval een mooi zicht op Guohperskajdde (1644m) in de Guohpervagge en Sarektjåhkkå Sydtoppen (2023m) aan de andere kant.

Er is niemand bij de Mikkastugan, maar als ik terugloop naar mijn rugzak zie ik in de verte een solotrekker naderen met zijn hond. Heb ik in feite meteen een reden om terug te lopen naar de Mikkastugan en de Zweedse politie op te bellen. Een hond Sarek in nemen is immers verboden.

Maar goed, ik neem mijn rugzak op en loop de Guohpervagge in. Van sporen van een pad is nu totaal geen sprake meer. Ik loop lang over de toendra verder met hier en daar weer korte stukjes doorheen kort struikgewas. Het plan voor deze avond is nog steeds om de nabijgelegen Skarjatjåhkkå (1647m) te beklimmen. De klim naar de top van deze berg vangt aan over de zuidoostkam nabij de Mikkastugan, maar ik heb besloten om al een eindje de Guohpervagge in te lopen. Toch moet ik een heel eind de Guohpervagge doorlopen om een bivakplek te vinden waar water voorhanden is. Onderweg houd ik toch nog een korte pauze. Een blauwborstje staat me al tsjielpend gade te slaan van op een rots op slechts een vier meter afstand. Die moet hier ergens dichtbij zijn nest op de grond hebben gebouwd.

Pas bijna 3km van de Mikkastugan vind ik een waterbron met een eindje verder een mooie bivakplek achter een hoge rots. Het water komt vanonder de rotsen gestroomd en loopt meteen tussen fluomos verder met lager weer niks dan algen. Het beekje houdt nog geen twintig meter verder weer op. Het water verdwijnt weer in de bodem.

Ik maak mijn bivakplek achter de rots en ga water halen. Vervolgens bereid ik het avondmaal om na het eten de klim aan te vatten naar Skarjatjåhkkå. In een lange zigzag klim ik steil over de toendrahelling in noordoostelijke richting naar de zuidoostkam van de berg. Daar aangekomen loopt het even steil over rotsen verder om hoger gestager voort te stijgen over rotsen en sneeuwvelden. De sneeuwvelden zien eruit als de vacht van 101 dalmatiërs. Overal ligt er rendierstront. Achter me krijg ik een weids zicht over het brede Rapadalen waar al enkele berken groeien.

De top van Skarjatjåhkkå is één uitgestrekte bult van puntige rotsen. Een wijds uitzicht de valleien in is er niet. Het weer is ondertussen bewolkt geraakt vol met stratocumulus die de hoogste toppen raken. Het verder plan om nog voort te lopen over de kam tot Gasskatjåhkkå (1804m), de hoogste top in het bergmassief van Ruothes, heeft geen zin meer. De top zit in de wolken. Ik loop naar de steile afgrond op de oostkant van de berg voor het zicht in de Ruothesvagge en Rapadalen met ondermeer Gavabakte aan de overkant die baadt in het rode licht van de laagstaande zon die hier nog door de lage wolken weet te priemen. Vervolgens loop ik de top over naar de afgronden op de zuidkant. Hier tref ik zelfs een bivakbare plek aan met de aanwezigheid van een bronnetje. Ferm zicht in de Guohpervagge en Alggavagge met weeral vlechtende rivieren op de dalbodem en monumenten van bergen die omhoog rijzen. Ahkkatjåhkkå (1974m) met zijn gletsjerkap siert het uitzicht het meest. Hier zie ik de zon onder de kam van Gasskatjåhkkå verdwijnen waarna ook de bergen over de Alggavagge en Guohpervagge zich in rode tinten hullen. De nacht zet zich langzaam in wanneer ik weer afdaal naar de bivakplek. Slapen doe ik voor de eerste maal in mijn bivakzak onder de blote sterrenhemel. Ik heb mijn tarp niet uitgepakt, overtuigd dat het ondanks de stratocumulus toch goed weer zou blijven.

Dinsdag 26 augustus: Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå – Alggavagge onder Härrabakte

Vergiftigd strompelend tot het einde

  • Start: Guohpervagge onder Skarjatjåhkkå (840m)
  • Aankomst: Alggavagge onder Härrabakte (850m)
  • Afstand: 8,5km
  • Duur: 4u30
  • Klimmen: 100m
  • Dalen: 90m
  • Aantal mensen gezien: 0
  • Wadingen: Guohperjåhkå (type 2)

’s Morgens is het weer helder en vrij zacht in vergelijking met voorgaande ochtenden. Ik voel me meteen niet goed, zwak en lichte hoofdpijn. Een beetje hetzelfde gevoel dat ik al twee maal op eerdere trektochten heb mogen ervaren nadat ik een dag nauwelijks gedronken had. Maar gisteren heb ik nochtans behoorlijk kunnen drinken. Toch, ik neem het zekere voor het onzekere en zo komt het dat ik naast het toegevoegd water in het ontbijt nog eens anderhalve liter water ga halen uit de nabije bron en mezelf verplicht het allemaal op te drinken. Dit had ik maar beter nooit gedaan…

Ik loop verder westwaarts door de Guohpervagge en verlies langzaamaan hoogte om wat verder de Alggavagge in te kunnen lopen. Daarvoor moet ik wel eerst in de bodem van de vallei de Guohperjåhkå doorwaden net voor deze veel grotere dimensies aanneemt wanneer de Ahkajåhkå zich vanuit de Alggavagge over de gletsjerdrempel bijvoegt. Nog een veenmoeras door en ik kom uit bij de samenvloeiing van de twee rivieren. Net stroomopwaarts voor het samenlopen van de twee rivieren waad ik de Guohperjåhkå door op mijn waadschoentjes. Aan de overkant klim ik vervolgens de gletsjerdrempel op om de Algavagge in te kunnen lopen. Er is intussen een vaag paadje verschenen. Boven op de gletsjerdrempel loop ik frontaal op het rendierhek dat de Guohpervagge voor de rendieren afschermt van de Algavagge. Rendieren vanuit Padjelanta kunnen de Algavagge inlopen. Om te verhinderen dat ze verder in Sarek voor de Saami “verloren” zouden lopen heeft men hier over de volledige breedte van de vallei een hek geplaatst. Via een poort in het hek kom ik aan de andere zijde.

De Algavagge begint al meteen met een brede sandrvlakte waar de Ahkajåhkå in meerdere kanalen over slingert. Ik loop een tijdje over de siltbodem van de vlakte waar het paadje zoek raakt. Na een kleine kilometer die eindeloos leek te duren, ben ik de vlakte over en loop ik weer over het duidelijk paadje voort doorheen de toendra beneden in de vallei. Het gaat al even niet snel meer. Ik moet stoppen want ik voel me slechter worden. Mijn schouders doen pijn en mijn rugzak lijkt nog zwaarder te wegen dan de eerste dag. Aan een klein beekje probeer ik weer veel te drinken en eet al een portie tourbrood op. Ik begin al te denken dat er iets mis is met het water uit de bron aan de bivakplek van voorbije nacht. Zou een teveel aan nitraat me zo slecht kunnen maken? En ik heb dan nog een anderhalve liter extra zitten drinken…

Ik trek verder. Veel aandacht aan de omgeving schenk ik niet meer. Foto’s worden niet meer genomen. Het is afzien en doorbijten. Ik moet verder is het enige wat door mijn hoofd spookt. Plots zie ik lensachtige wolken ontstaan over de bergen, altocumulus lenticularis. In een mum van tijd groeien ze aan tot dikke wolkenslierten die schijnbaar blijven stil hangen over de bergen. Meteen beseffend dat het vandaag de laatste dag met mooi weer zal zijn, word ik nog harder aangemoedigd om vandaag nog zo ver mogelijk voort te gaan.

De Algavagge is zeker geen 5-sterren vallei binnen Sarek. De vallei is erg nauw. Grauwe bergwanden rijzen op vanuit de valleibodem en verhinderen om bergtoppen te zien, op uitzondering van Ahkatjåhkå (1974m). Na de puinkegel bij de monding van de Ahkavagge stroomt een rustige en zuivere beek doorheen de valleibodem, de Galmmejåhkå. De vallei kent niet veel verval tot de uitloop op Padjelanta. Er zijn bovendien ook niet veel gletsjers die de Galmmejåhkå met siltig water voeden. Verder westwaarts verschijnen meer en meer veenmoerassen in de vallei waar de Galmmejåhkå zich tussen slingert.

Intussen slaag ik erin om nog 5km verder de vallei in te geraken, maar dan moet ik echt stoppen. Op een oude moreneheuvel doe ik de rugzak af en zet me uitblazend neer op een steen. Ik ben duizelig en heb geen krachten meer. Gebukt op de steen zit ik met mijn handen in mijn haren te wrijven terwijl ik nadenk. Ik zou nog zo graag verder lopen, maar ik voel dat ik het niet meer aan kan. Een half uur blijf ik daar zo zitten. Ik voel me verslagen. Pas na dat half uur kan ik een heldere beslissing nemen. “Je bent ziek Joery. Het enige wat je nu daartegen kunt doen is snel de tarp recht zetten en gaan slapen.”

Ik sta weer recht, langzaam want ik voel dat het anders zwart wordt voor mijn ogen. Intussen is er geen zon meer. De hemel is bijna volledig met wolken dichtgetrokken. Terwijl ik recht sta voel ik duidelijk dat ik nog veel slechter ben geworden in dat half uur tijd. Als ik mijn rugzak nog maar kan dragen. Ik kijk rond of er in de buurt geen vlak stukje grond is om de tarp recht te zetten. Gelukkig lijkt dat een vijftig meter verder het geval te zijn tussen kleine bosjes struiken in. Ik plaats mijn schouders onder de schouderriemen van de rugzak en verzamel al mijn laatste krachten om het gewicht van de grond te krijgen getild. Het gaat nog. Bij de plek aangekomen vliegt hij weer meteen af en moet ik weer enkele minuten bekomen. Dan stel ik zo snel ik kan de tarp recht. Wanneer dat klaar is moet ik nog water gaan zoeken. Ik voel me steeds bergaf gaan. Het lijkt wel een race tegen de tijd. Beter nu al water bij de hand hebben dan later water te moeten gaan zoeken terwijl ik dan misschien zo ziek ben dat ik het helemaal niet meer kan.

Pas een 200m verderop komt een beekje van de bergwand de valleibodem op gestroomd. Ik ga ernaartoe met platypus en titanium pot. In het terugkomen voel ik dat ik dreig flauw te vallen maar ik slaag er toch in om bij de tarp te geraken zonder op de grond te moeten gaan liggen. Ik heb alles, kruip mijn slaapzak in onder de tarp in de bivakzak en probeer te slapen. Ik heb Dafalgan in mijn EHBO-zakje, maar beslis om eerst nog enkele uren af te wachten. Meteen krijg ik het snikheet en zweet alles te pletter. Ik heb snel hoge koorts gekregen. Toch laat ik de slaapzak helemaal dicht. Het duurt niet lang of ik val in slaap…

“Hallooo!!” Ik schrik wakker. Er gaan een tiental seconden voorbij alvorens ik besef dat er een Zweed naast mijn tarp staat die waarschijnlijk graag wil aanhoren waarom deze zot een lichtgewicht tarp heeft gekozen om door de laatste wildernis van Europa te trekken. Geen zin om in beweging te komen blijf ik liggen en hoor hem weer verder lopen. Heel mijn lichaam is nat van het zweet. Na een tijdje, wanneer ik niet meer in slaap geraak, rits ik de bivakzak open. Buiten is het slechter weer geworden. Het is betrokken en de bergtoppen hangen nu in de wolken. Ik heb toch wat honger maar besef dat een gevriesdroogde maaltijd wat te veel is op dit moment. Ik neem me een hardkek en eet deze op met een stuk chocolat. Dan rits ik weer alles dicht en val ondanks al de hoofdpijn en koorts weer in slaap. ’s Avonds begint het te regenen. Regelmatig word ik zwetend wakker en doe de vuistknijptest om te voelen of ik toch al niet beter begin te worden. Het resultaat blijft steeds negatief. Het regent heel de nacht door.

Woensdag 27 augustus: Alggavagge onder Härrabakte – Col bij Skaitatjtåhkkå

Een korte wederopstanding

  • Start: Alggavagge onder Härrabakte (850m)
  • Aankomst: Col bij Skaitatjtåhkkå (1180m)
  • Afstand: 11,0km
  • Duur: 4u30
  • Klimmen: 410m
  • Dalen: 80m
  • Aantal mensen gezien: 3
  • Wadingen: Naamloos (type 2)

’s Morgens regent het nog lichtjes verder. Ik blijf liggen en begin toch stilaan beterschap te voelen. Dafalgan blijft in de rugzak liggen. Beter je lichaam zelf laten vechten met een koortsaanval. Dat vermindert misschien het risico om later te hervallen als ik weer eens slecht water zou drinken, is mijn redenering. Wat later houdt het op met regenen. Ik kijk eens naar buiten. Het blijft betrokken en de lage wolken hangen vrijwel stil tegen de bergwanden rond een hoogte van 1300m. Ik ga weer liggen en rust verder.

Uren gaan voorbij. Af en toe kijk ik eens naar buiten om te volgen hoe het weer verder evolueert. Ik zie een kleine groep rendieren aan de overkant van de beek al voedsel zoekend langzaam voorbij trekken. Plots hoor ik harde geluiden vanuit de bergflank aan de overkant. Stenen vallen naar beneden door een couloir. Ik probeer het te visualiseren maar kan niks opmerken. Het gestommel blijft minuten lang aanhouden. De rendieren zijn er klaarblijkelijk niet gerust in en trekken sneller verder door de vallei.

Tegen de middag kom ik uit mijn slaapzak wanneer ik merk dat er over Padjelanta opklaringen moeten zijn. Ik voel me veel beter maar 100% ben ik absoluut nog niet. De koorts moet wel over zijn. Ik beslis om verder te trekken. De wil om voort te trekken is weer veel te groot. Op het moment dat ik ingepakt ben en vertrek lopen net twee trekkers op afstand voorbij. Ze steken hun hand naar me op. Ik doe hetzelfde terug. Het loopt meteen goed met mijn rugzak. Hij voelt tenminste toch al niet meer zo loodzwaar aan als gisteren.

Het loopt op en af doorheen de vallei. Oude morenebulten worden afgewisseld met moerassige stroken tussenin waar zich meer en meer struikvegetatie begint te manifesteren. Intussen heb ik gemerkt dat ik op enige afstand word gevolgd door een andere solotrekker. Niet veel verder wringt het pad zich doorheen die typische velden met dichte struikvegetatie. Hier en daar zak ik tot ter hoogte van mijn schenen in de modder. Gamaschen zijn hier beslist geen overbodige luxe. Aan een ondiep venmeertje in de vallei probeer ik mijn schoenen en gamaschen wat af te spoelen in het water.

Een eind voort kom ik op de plek terecht waar twee beken van beide kanten de vallei in stromen aan het begin van de moerasdelta van de Alggajåhkå. De Galmmejåhkå is hier intussen van naam verandert. Nog een 2km verder mondt de moerasdelta uit in het Alggajavrre (756m), een groot bergmeer aan de ingang van de Algavagge. De beek die vanuit het noorden komt staat naamloos op de kaart. De andere beek, die vanuit het zuiden de vallei in stroomt, is de Niejdariehpjågåsj. Hier kan ik de Niejdariehpvagge inlopen, een klein nauw dal dat via een hoge col het bergmassief van Ålkatj door snijdt en zo een verbinding vormt naar de Sarvesvagge. Mijn oorspronkelijke planning was om via de Niejdariehpvagge een verdere lus te maken naar de Sarvesvagge om terug te lopen naar de westkant van de Algavagge via het Alggajavrre. De beslissing om dit niet te doen heb ik deze ochtend al genomen. Bovendien ziet het er niet naar uit dat het weer terug fel beter zal worden en dan heeft de doorsteek door de Niejdariehpvagge niet zo veel zin.

Ik neem een lange pauze aan het begin van de puinkegel die door de naamloze beek wordt gevormd in de vallei en tuur de gehele tijd op de kaart. Deze ochtend had ik mezelf voorgenomen om slechts 4km voort te trekken en dus hier ergens te gaan bivakkeren. Het is vlotter gelopen dan ik had gedacht en daarom maak ik de beslissing om zoals gepland het zijdal van de naamloze beek in te klimmen en zo op de col nabij Skaitatjtåhkkå uit te komen. Deze col vormt een strategisch punt vlak tussen Lanjektjåhkkå (1840m), de hoogste top in het kleine bergmassief van Lanjek, en Alggavarre (1601m), de uitkijkberg over de Algavagge waarvan de top al even uit de wolken is gekomen.

Dat ik één van deze bergen morgen op kan gaan lijkt me erg twijfelachtig, maar een stuk verder is alvast een stuk verder en je kan immers nooit weten. Intussen passeert de solotrekker die me al de gehele tijd achtervolgde op enige afstand. Ik trek ook naar de beek en zie dat ik mijn waadschoentjes moet boven halen. Het is een woeste beek met groot verval. Ik neem een plek die net diep is om te doorwaden. Hier is de stroming het minst sterk. Het water is ijskoud en komt tot net boven de knieën. Aan de overkant droog ik alles weer af en trek het zijdal in.

Steil klim ik ongebaand over de toendrahelling. Uit de Algavagge wordt het steil traverseren doorheen het zijdal met de beek rechts in een kloof en verderop een mooie waterval op de plek waar de beek zich in de kloof stort. De ondergrond is rotsig met hier en daar losse stenen. Het gaat weer niet snel vooruit. Deze keer is het terrein daar weer niet echt de oorzaak van. Ik voel dat het eigenlijk al te veel is voor vandaag. Door de ziekte is mijn krachtenreserve blijkbaar erg ingeperkt. Ik kan niet snel meer gaan, maar maak er mij niet druk om. Traag gaat ook. Het duurt alleen wat langer.

Hogerop moet ik een sneeuwbrug over die over een zijbeekje ligt. Daarna wordt het terrein steeds ruiger. Ik pauzeer enkele keren met mijn rugzak rustend op een rots. Hij begint weer zwaarder aan te voelen. Niet veel hoger splits het dal zich in twee tegen de zuidflank van Lanjektjåhkkå. Het rechtse dal is overal gevuld met een hoop morenepuin met hogerop de Vattendelarglaciären. Hier komt de beek uit gestroomd. Het linkse dal komt wat hogerop op de col uit. Een klein beekje komt van tussen de sneeuwvelden door dit dalletje gestroomd.

Langzaamaan klim ik naar de col, soms over sneeuwvelden, anders over rotsen of modderig morenepuin. Tot slot volg ik het kleine beekje dat helemaal tot op de brede col loopt. Op de col is het donker door de lage wolken. Verder naar het westen krijg ik een zicht over Padjelanta waar de zon de meeste plekken weet te beschijnen. Er is niet veel geschikte grond te vinden om mijn tarp comfortabel op te stellen. Voor een tent is hier niet echt plek. Iets over de col vind ik toch een hellende strook waar ik kan liggen. Terwijl ik de tarp recht zet barst er een regenbui los. Niet veel later begint het fijn te hagelen. Het is koud.

’s Avonds onder de tarp met alle kleren aan blijft het bij momenten fijn hagelen afgewisseld met droge momenten. Ik speel het avondmaal naar binnen en kruip mijn slaapzak in. Het is in afstand slechts een korte dag geweest, maar toch in tijd heeft het me heel wat meer moeite gekost. Van zo’n koortsaanval herstel je toch niet meteen.

Donderdag 28 augustus: Col bij Skaitatjtåhkkå – Guohpervagge bij Alggavagge-monding

Door een lange regengang

  • Start: Col bij Skaitatjtåhkkå (1180m)
  • Aankomst: Guohpervagge bij Alggavagge-monding (760m)
  • Afstand: 24,0km
  • Duur: 8u40
  • Klimmen: 180m
  • Dalen: 600m
  • Aantal mensen gezien: 1
  • Wadingen: Gainajjågåsj (type 1), Guohperjåhkå (type 1)

’s Nachts begint het aanhoudend te regenen en wakkert de wind strak aan. Tijdens het tweede deel van de nacht drukken felle windstoten mijn tarp weer goed in. Ik besef dat ik een wat ongelukkige bivakplek gekozen heb langs de verkeerde kant van de col, maar ik had gisteren niet echt te kiezen. Wanneer de wekker weerklinkt regent het nog steeds. Ik wacht wat maar het ziet er naar uit dat het niet snel sterk zal beteren. Lanjektjåhkkå (1840m) beklimmen zit er absoluut niet in. Wanneer het wat later maar wat lichtjes smost kom ik naar buiten en pak mijn spullen. Met de hevige wind is het oppassen bij het inpakken van de tarp.

De eerste uren trek ik in noordwestelijke richting doorheen een grijs en grauw maanlandschap. Voor goed 4km is het lopen over grijze rotsblokken, langzaam naar de dalbodem trekkend van het breed open liggende dal van de Gainajjågåsj. Hier steek ik probleemloos de Gainajjågåsj over, die het smeltwater van de nabij gelegen Lanjekjiegna afvoert. Ik zie de eindtong van de gletsjer onder de wolken verschijnen. Dan klim ik naar het zadel op de bergrug ten zuiden van Nasastjåhkkå (1312m). Achter het zadel opent zich weer het zicht naar Padjelanta. Mooi is het niet door het slechte weer. Ik daal af en draai na een tijdje oostwaarts achter een kam. Hier zie ik nu het Nasasjavrre (938m) voor me liggen, een lang uitgestrekt banaanvormig meer dat tussen de bergen ligt gekneld. Ik daal af naar de zuidwestoever en volg voort over lastig terrein vlak langsheen het water waar de wind, die hier weer hevig tekeer gaat, hoge golven doet oprijzen. Regendruppels vliegen recht mijn gezicht in. Ik trek het me tegenwoordig niet meer aan. Toch heb ik alweer genoeg gelopen en wil pauzeren, maar pep mezelf op om nog tot de oostpunt van het meer voort te gaan. Een eind verder schuif ik op mijn gat. Vloeken en terugkijken wie de schuldige is. Glad mos op de rotsen.

Zoals aangegeven op de kaart zie ik in de verte het rendierhek verschijnen dat, net als in de Alggavagge, aan de oostpunt van het meer de rendieren moet verhinderen om langs het meer de Guohpervagge in te lopen. Ik houd de middagpauze aan de eindtip van het meer waar een beek het overtollige water uit het meer over de gletsjerdrempel afvoert naar de Guohpervagge. Ik eet een portie tourbrood en drink uit het meer. Het water is kristalhelder. Elk steentje op de bodem kan ik tellen. Er zwemmen kleine visjes rond. Ik vraag mezelf af wat ze in dit water nog te eten kunnen vinden.

Na de pauze passeer ik het hek en moet daarvoor even over een rotsblok manoeuvreren in de bedding van de beek. Dan kom ik op toendrabodem terecht waarover ik de Guohpervagge in daal. De wind blaast weer op kop, regen spet nogmaals in het gezicht. Ook de Guohpervagge zal zijn mooiste kanten niet kunnen laten zien. Het is lopen met regenkap op en gezicht naar de grond. Toch probeer ik bij momenten de omgeving in me op te nemen.

Een kronkelende rivier met witgrijzig gletsjerwater, de Guohperjåhkå, stroomt doorheen de dalbodem richting Padjelanta waar hij wat verder de vallei uit, in een uitgestrekt moeras begint te vlechten om nog verder weg grote meanderbochten te maken. Bergen zitten in de wolken. De dalbodem is meesttijds drassig, af en toe afgewisseld met steenvelden. Kleine beekjes worden overgestoken. Vissen flitsen in paniek weg. Ze zitten in water dat slechts enkele centimeter diep is, te ondiep om meteen dekking te vinden.

5km verder houd ik weer een pauze vlakbij de rivier. Ik heb weer dorst gekregen maar er is geen drinkbaar water dat er me betrouwbaar uit ziet. Ik speel even met mijn schoenen in de siltbodem van de gletsjerrivier en injecteer dikkere stofwolken sediment in het water.

Een stuk verder door de vallei kruis ik een oude solotrekker. Hij draagt zijn tent in de armen. Rugzak veel te zwaar beladen. We begroeten elkaar en lopen verder. Niet veel verder kom ik op het vlakke moerassige zadel terecht in de vallei. Hier ligt er een enorme eindmorenemuur in het dal, de morene van de Vattendelarglaciären die hier rechts steil vanuit het bergmassief van Lanjek komt geschoven. De gletsjer komt, in tegenstelling tot het nabije verleden, niet meer tot beneden in de vallei. Het is triest om te zien hoeveel volume deze gletsjer al verloren heeft. Allemaal grijze morenewanden op dikke afstand van het gletsjerijs.

Verscheidene beken doorbreken de eindmorene en kiezen hun eigen weg op het moerassige zadel om uiteindelijk toch samen te lopen tot de Guohperjåhkå. Als je de kaart bekijkt kan er verwarring ontstaan want doorheen de gehele Guohpervagge stroomt een rivier met de naam Guohperjåhkå. In werkelijkheid stroomt het afgevoerde smeltwater van de Vattendelarglaciären op het zadel in de vallei uiteindelijk twee richtingen uit, westwaarts naar Padjelanta en oostwaarts naar Rapadalen, waardoor er eigenlijk twee rivieren met dezelfde benaming van mekaar weg stromen. Het smeltwater wordt weer verenigd bij de samenvloeiing van Store en Lilla Luleälven, zo’n 180km verder naar het zuidoosten ver buiten Sarek.

Het zadel is één uitgestrekte moerassige vlakte. Op een morenebult houd ik even halt. Het is vijf uur. Ik heb nog steeds niet mijn dorst kunnen lessen sinds deze middag aan het Nasasjavrre. Van de andere zijde van de vallei komen ook enkele beekjes naar beneden. Ik loop ernaartoe en kan me niet bedwingen om te drinken. Het water ziet er nochtans niet zo betrouwbaar uit. Ook hier groeien algen in het water. Het lijkt voor een groot deel ook moeraswater te zijn. Ik zal maar niet te veel drinken besluit ik bij mezelf, maar of dat wat zal uitmaken…?

Ik neem mijn rugzak weer op en doorkruis de moerassige vlakte waarna het weer langzaam begint te dalen door de vallei. De nieuwe Guohperjåhkå stroomt nu rechts van me. Het terrein wordt vervelender. Constant op en af over de toendrabodem op hoopjes gletsjerpuin of oude morenen met tussenin kleine beekjes in korte moerassige zones. Graag wil ik een bivakplek vinden bij de samenvloeiing van de Guohperjåhkå en Ahkajåhkå, waar ik eergisteren gewaad heb. Er is niks bivakbaars te vinden. Alles is ofwel moeras, ofwel door vorstwerking fel opgefrommelde bodem. Iets voorbij de samenvloeiing van de twee rivieren staat er een Hilleberg opgesteld naast de rivier. De enige geschikte plek is al bezet. Het is al laat en het begint langzaamaan donker te worden.

Al zoekende loop ik van aan de samenvloeiing nog een kilometer voort oostwaarts. Ik voel me plots uitgeput. Ik ben erin geslaagd vandaag volledig ongebaand toch een lange afstand af te leggen, maar nu ben ik wel op. Vlak langs de beek die vanuit de nis op de flank van Skarjatjåhkkå komt gestroomd vind ik uiteindelijk een ruime vlakke plek om te bivakkeren. Het is ondertussen droog geworden en er staat niet veel wind meer. De wolkenbasis trekt op en er ontstaan mystieke lage wolkenslierten tegen de bergflanken.

Ik stel de tarp op en vind nog de moed om de achterkant dicht te stapelen met een stenen muur, ook al is het niet echt nodig. De stenen heb ik maar voor het rapen. Een kring stenen bakent hier een kampvuurplek af, tenminste voor even nog. Water haal ik uit de beek. Er flitsen weer heel wat vissen weg. Waar wat verder de beek zich bij de Guohperjåhkå voegt ligt een BD10 fjällkart in het water. Dit moet weer een stoot zijn geweest van een onvoorzichtige Sjarel.

Die avond eet ik een portie Spaghetti Bolognese, de Adventure Food maaltijd die me steeds het minst smaakt. Ik maak me ook nog een dessert klaar, vanillepudding. Het wordt een tegenvaller. Ik begin me weer niet goed te voelen. Wanneer ik aan het dessert begin staat mijn buik opgezwollen. Niks dan boeren laten. Ik krijg slechts een paar lepels vanillepudding naar binnen gespeeld en moet dan echt stoppen. Ik laat het maar staan. Kan ik misschien morgenvroeg proberen de rest op te eten.

In de slaapzak geraak ik niet in slaap. Mijn maag staat op springen, net alsof ik veel te veel gegeten heb. Ik rits mijn bivakzak al maar open want ik heb het gevoel om elk moment over te kunnen geven. Vaak boeren en wanneer wat later mijn darmen ook nog eens beginnen te rommelen staat het windgat vanonder ook open. Dieper in de nacht val ik toch in slaap, maar word regelmatig weer wakker van het gestommel in mijn buik. Had ik maar wat langer dorst geleden.

Vrijdag 29 augustus: Guohpervagge bij Alggavagge-monding - Bielavarasj

In de greep van de moerasbacterie

  • Start: Guohpervagge bij Alggavagge-monding (760m)
  • Aankomst: Bielavarasj (820m)
  • Afstand: 12,0km
  • Duur: 3u40
  • Klimmen: 260m
  • Dalen: 200m
  • Aantal mensen gezien: 8
  • Wadingen: Mahtujågåsj (type 1), Tjågnårisjågåsj (type 2), Bielajåhkå (type 1)

Scheten vliegen eruit als stoom uit een hogedrukreiniger. Het boeren laten is eveneens nog niet geminderd. Ik voel me slecht ’s ochtends, slap, maar gelukkig toch geen koorts ditmaal. Onnozel Sarekwater! Ik voel dat mijn maag de hele nacht geen werk heeft verricht. Een keer boer ik wat spaghetti op. Mijn maaltijd van gisteren zit gewoon nog steeds onverteerd in mijn maag. Ik besluit om eens te proberen een grote boodschap te laten vallen. Niks abnormaals als resultaat. Honger heb ik langs geen kanten. Eten geraakt er niet in. Wat voor zin heeft het te eten als ik nog met een volle maag zit? Geen ontbijt dus. Mijn vanilledessert gooi ik in de beek bij de vissen. Dat kan ik niet meenemen in mijn rugzak. De vissen schieten de witte melkwolk in en zwelgen de brokken yoghurt gulzig naar binnen. Jawel, ook al zal ik maar met halve krachten vooruit geraken, ik ga verder trekken. Het is al namiddag wanneer ik me uiteindelijk in gang trek.

Het weer is rustig. Er valt maar moeilijk beweging te detecteren in de wolken. Heel de hemel is bedekt met een gatenloos dek hoge stratocumulus, de wolkenbasis net boven de toppen. Vlot loopt het niet vooruit, maar dat deert me niet. Traag gaat ook. Wanneer heb ik dat nog eens gezegd? Het paadje dat hier even verschijnt kwijnt al snel weer weg tussen de struikvegetatie. Ik loop een stuk lager doorheen de vallei richting Mikkastugan dan ik enkele dagen eerder heb gelopen in de andere richting. Het gaat op en af.

Een half uur ben ik nog maar weg of ik moet snel mijn rugzak afgooien en broek aftrekken. Het spuit eruit. Eindelijk krijg ik klaarheid over wat er binnenin mijn lichaam aan het afspelen is. Diarree, dus ik neem een immodium. Over het verdere verloop van het stuk naar de Mikkastugan zal ik kort zijn. Nog twee maal heb ik dringend mogen stoppen voor een diarree-uitspatting. Nogmaals een immodium genomen.

Bij de Mikkastugan is het ditmaal een drukte. Ik zie één iemand vertrekken nog voor ik toekom met wat later nog een koppel dat het Rapadalen in trekt. Een solist gaat nog even zijn ding doen in het WC-kotje. Nabij zit nog een koppel te middageten. Dat maakt in totaal zes personen. Hoe is het mogelijk dat ik in Sarek zoveel volk bijeen zie!

Ik steek via de brug de Smajllajåhkå over en zoek na een vijf-minuutjes-pauze het verdere verloop van het pad het Rapadalen in. De WC-ganger, een Duits, is ondertussen ook vertrokken. Hij moet ook het Rapadalen in. Handig want nu kan ik hem volgen en krijg ik al op voorhand een idee hoe het pad voor me uit verder loopt doorheen de toendra. Te mooi om waar te zijn. Het duurt niet lang want ik kan hem helemaal niet volgen. Te ziek om een deftige snelheid te produceren. Ik strol maar rustig verder en probeer zoveel mogelijk van de omgeving te genieten. Nog geen half uur later is onzen Duits al uit het zicht verdwenen.

Het paadje loopt doorheen toendravegetatie op een terras tegen de noordflank van Rapadalen. Rechts stroomt de Rahpajåhkå op de valleibodem, hier en daar in meerdere armen uiteenvlechtend, om wat verderop weer een groot enkelvoudig rivierkanaal te vormen. Veel struikvegetatie aan de overkant van de vallei. Toch lijkt het me doenbaar om ook langs de andere kant compleet ongebaand doorheen de vallei te lopen. Ooit iets voor later?

De Mahtujågåsj is de eerste rivier die mijn pad kruist. Ik hoef mijn trekkingschoenen niet uit te doen. Aan de overkant ben ik blij dat ik snel over de rivier ben geraakt. Er zit weer wat klaar in mijn endeldarm. De rugzak vliegt weer op de grond. De broek vliegt weer af. De derde immodium wordt ingenomen. Mijn voorraad is al gehalveerd. Ik merk dat ik me vergist heb thuis en de hoeveelheid immodium die ik wilde meenemen met motilium heb verwisseld. Ik besluit om hoe het ook evolueert geen immodiums verder meer in te nemen. Als het nu na drie stuks niet betert zal het er na vijf of tien ook zeker niet meer beteren. Ik ga erbij zitten en houd maar meteen de middagpauze. Een stuk tourbrood gaat nu toch vlot naar binnen. Mijn maag blijkt toch in gang geschoten de laatste uren. Ik drink uit de rivier.

Na de Mahtujågåsj is het nog een ruime 2km tot aan de volgende rivier, de Tjågnårisjågåsj. Het nabije landschap en de ondergrond veranderen intussen niet veel. Mijn diarree ook niet, want ik heb nog eens achter een rots mogen gaan neerzitten. De Tjågnårisjågåsj komt via een hoge waterval van links uit de bergen van het bergmassief van Sarektjåhkkå gestroomd en loopt dan doorheen een kloof verder in de vallei om zich lager bij de Rahpajåhkå te voegen. De eerste trekker van daarstraks aan de Mikkastugan staat nabij de waterval onbegrijpelijke rondjes te draaien. Die gaat de rivier niet over. Ik denk dat hij zijn bivakplek voor deze nacht al heeft gevonden. Aan de overkant zie ik in de verte een koppel op een rots zitten. Ze zijn mij blijkbaar aan het observeren.

Wanneer ik bij de kloof aankom zie ik meteen dat ik een zware klus ga mogen opknappen. De rivier is woest en lijkt erg moeilijk te doorwaden. Grijs gletsjerwater stroomt wild over en tussen rotsblokken. De bedding is een vier à vijf meter breed. Ik daal de kloof in en zoek naar een plek waar het veilig lijkt om te waden. Die vind ik toch snel. Ik controleer of ik met mijn waadschoentjes makkelijk de bedding in geraak en er weer uit aan de overkant. Dat lijkt in orde. Ik maak me klaar en loop het water in.

Tot mijn verbazing komt het water slechts tot aan mijn knieën. Ik heb wel een heel goeie strook gekozen want op andere stukken kan het water je zo meesleuren. Toch, het is weer blazen van de kou en oppassen waar ik mijn voeten plaats tussen de gladde stenen en rotsen in de ondoorzichtige bedding. Aan de overkant loop ik meteen de kloof uit en droog me af aan de dichtstbijzijnde rots. Het koppel komt intussen naar me toe. De kerel spreekt me meteen aan. “Where did you wade the river?” “Just overhere…,” en ik toon hem de strook. “Is it deep?” Ik wijs naar mijn knieën. Opgelucht staan ze er met twee bij. Hij vertelt me dat ze radeloos stonden te wachten, niet wetende wat te doen. “The river is crazy overthere closer to the waterfall.” Blijkbaar is hij niet tot hier komen kijken.

Ik droog me verder af, het koppel verdwijnt in de kloof om zich voor te bereiden op het waden over mijn gekozen strook. Intussen loop ik met fototoestel de kloof bovenaan af naar de waterval. De rivier is inderdaad zot naar de waterval toe. Hier is waden een beetje met je leven spelen. Ik herinner me in een beschrijving dat de Tjågnårisjågåsj een erg gevaarlijke rivier is in Sarek waar reeds mensen verdronken zijn. Het probleem is dat de rivier op de klassieke noord-zuid doorsteek doorheen Sarek, Rapadalen-Ruothesvagge ligt. Tijdens de vroege zomer is dit het cruciale punt op de doorsteek. Blijkbaar zijn er mensen die moeilijk afstand kunnen nemen van een geplande route en dan wordt er kost wat het kost toch een levensgevaarlijke bedding ingedoken. Met die verkeerde ingesteldheid kan het wel eens fataal aflopen in Sarek.

Ik wacht tot de twee aan de overkant zijn en loop dan mijn eigen weg voort. Verder weg opent zich een breed U-vormig dal dat over een hoge gletsjerdrempel aansluit op het Rapadalen. Dit is de Bierikvagge, het dal waardoor ik naar de brug zou kunnen lopen over de Guhkesvakkjåhkå op de grens met Stora Sjöfallets waar ik vorige week passeerde. Het paadje dat ik blijf volgen, volgt echter de rand van Rapadalen. Het duurt niet lang of ik kom bij de Bielajåhkå terecht. De rivier is probleemloos over te steken. Ik loop nog een kilometer verder en kom dan bij Bielavarasj (862m) uit, een grote morenebult midden in de brede uitloop van de Bierikvagge met Rapadalen. Ik klim naar het topje. Een mooi uitzicht over de bovenloop van Rapadalen waar beneden de eerste berken groeien. Ze staan nog allemaal in het groen ondanks dat de toendra al volop in de herfstkleuren baadt. In het oosten toornt het wilde bergmassief van Äphar trots op achter twee uitgestrekte meren die op de valleibodem van de Bierikvagge liggen, het uitgestrekte Bierikjavrre en het grillig gevormde Bielajavratja. Naar het zuiden is een stukje van de Sarvesvagge en het donkere bergmassief van Gådok zichtbaar geworden doorheen het vernauwde verdere verloop van Rapadalen. Het ziet er ginder alsmaar mooier uit. Benieuwd wat ik volgende dagen nog te zien zal krijgen.

Een nieuw probleem dringt zich op. Ik heb weer geen water. Stomme uil die ik ben heb ik geen water genomen uit de Bielajåhkå daarnet. Teruglopen kost me zeker een klein uur. Daar heb ik geen zin in en zo ver kan ik beter niet meer terug lopen na op halve kracht al de hele namiddag te hebben voortgetrokken. Op een tweehonderd meter stroomt een klein beekje, maar ik zie stroomopwaarts weer moeras. Ik ga toch eens een kijkje nemen. Het is duidelijk veenwater, een rossige schijn in het water en achter elk watervalletje een hoop schuim. Hier en daar een algensliert, maar het blijft beperkt. Ik waag het erop.

Terug op Bielavarasj is er intussen een noordoostenwind opgestoken en voel ik dat het niet fijn zal worden om op het topje te overnachten. Beschut tegen de wind ga ik aan de zuidwestflank van Bielavarasj zitten om het avondeten te bereiden. In de luwte krijg ik last van enkele muggen. Dat is alweer een tijdje geleden. Een hele zwerm kleinere muggen vliegt wat later boven mijn hoofd rond, maar ze zijn van een andere soort blijkbaar dan de steekmug. Het zijn enkel de grotere muggen die het op mijn warm bloed gemunt hebben. Terwijl ik mijn maaltijd op eet komt er een rendier met jong vanuit het Rapadalen naar boven. Ze lopen langzaam weer weg, de bodem afzoekend naar eetbare zaken.

Na het avondmaal zoek ik een plek om mijn tarp op te zetten. Tussen de toendra naar het Rapadalen toe vind ik een geschikte plek, op een kleine honderd meter van Bielavarasj. Er steekt intussen alsmaar meer wind op. Dit keer blaast het hier uit het noordwesten, gekanaliseerd door Rapadalen. Het wolkendek heeft zich deze avond gebroken, maar of de weersverbetering zich morgen verder zal doorzetten lijkt me een vraagteken. Er komt een noordelijke stroming op gang. Ik trek nog een keer Bielavarasj op om rond te turen en ga dan slapen. De bergen van Äphar kleuren even roestrood. Ik voel mijn krachten terugkeren. Al enkele uren diarreevrij. Ik ben weer genezen.

Zaterdag 30 augustus: Bialavarasj - Snavvavagge

In de Snavvavagge patroeileert hij - de klaagkreet van de veelvraat

  • Start: Bialavarasj (820m)
  • Aankomst: Snavvavagge (980m)
  • Afstand: 7,0km
  • Duur: 4u20
  • Klimmen: 360m
  • Dalen: 200m
  • Aantal mensen gezien: 2
  • Wadingen: Geen

Het regent vaak tijdens de nacht met weer redelijk wat wind. ’s Ochtends blijf ik liggen. Er vallen frequent buien met stofhagel. Later tijdens de voormiddag kom ik toch naar buiten. Er drijven lage wolken over met hier en daar wel blauwe lucht ertussen. De bergen zijn vanaf een 1200m bekleed met een dun maagdelijk wit laagje. Het heeft gesneeuwd. Ik pak in en vertrek op weg.

Het vage paadje trekt tussen de struiken verder naar de steile bergwand tussen Rapadalen en Bielatjåhkkå (1573m). Hier en daar groeit een eenzame berk. Het zicht op Rahpatjåhkå beneden op de valleibodem wordt steeds mooier. De rivier kronkelt tussen het groen, vaak zich vertakkend in verschillende kanalen. Scherp is het contrast tussen het stromend licht blauwe gletsjerwater in de rivier en het stilstaande donkere water in de venmeertjes en afgesneden meanders. Daar beneden leven de elanden en de beren.

Ik kom nabij Spökstenen uit. Het is een opmerkelijke passage waar een zeer steile helling dient te worden overwonnen. Het pad loopt nu over stenen en rotsen langsheen de zeer steile helling op en af verder. Er groeien roodroze en paarse bloemen. Beneden de vallei met de kronkelende rivier. Dit is een superplek. Ik blijf vol verwondering stil staan en tuur voor meer dan een half uur rond.

De passage wordt afgesloten met een korte maar zeer steile klim waarna ik in de Snavvavagge uitkom. Dit dal loopt noordwest – zuidoost doorheen de westelijke punt van het bergmassief van Skårki en snijdt zo in feite een bocht in Rapadalen af. Tijdens de ijstijden wanneer alle dalen van Sarek met gletsjers waren gevuld, moet een deel van het ijs dat doorheen Rapadalen stroomde, ook langs deze vallei zijn afgevloeid. Låddebakte (1537m) is de geïsoleerde berg die met een langgerekte boogvormige kam de Snavvavagge van het Rapadalen scheidt.

Het waait hard doorheen het dal en het is erg koud. Vooraan in het dal is er iets eigenaardigs te aanschouwen. Drie grote rotsblokken staan in een kring bij elkaar. Het lijken wel grote versteende reuzentrollen die iets aan het bekokstoven zijn. Al gauw kom ik bij de oever van het Snavvajavvre (977m), het grote languit gestrekte meer in de Snavvavagge. Ik zoek beschutting tegen de wind achter een hoge rots en houd de middagpauze. Een bui trekt met een gordijn van hagel verder zuidelijk langs over het dal. Een kudde rendieren doolt rond aan de overkant van het meer. Er zitten enkele spierwitte exemplaren tussen. Wist niet dat rendieren ook wel eens een volledig witte vacht hebben.

Wanneer ik weer op pad ben hoor ik een kort fel klagend geluid van een beest rechts kortbij naast me. Ik heb naast mijn muts ook mijn kap op voor extra bescherming tegen de kille wind en kan niet meteen naast me zien wat er van zijn tak maakt. Ik zie niks meer. Langzaam ga ik op onderzoek. Een paar meter verder ontdek ik een groot hol in de grond maar kan er niet ver in kijken. Ik kan niets anders besluiten dat er een veelvraat naast me stond. Wat zou ik graag dit beest gezien hebben. Veelvraten zijn sluwe en slimme beesten. Ze schrikken er niet van terug om in de clinch te gaan met wolven en durven zelfs een beer belagen om zijn prooi af te pakken of een verzwakte eland aan te vallen.

Het is niet ver meer tot de zuidpunt van het Snavvajavvre waarachter een brede col weer uitgeeft op het Rapadalen. Ik vind een erg geschikte bivakplek aan de zuidpunt en poot mijn tarp recht op de vlakke bodem. Intussen zie ik een koppel naderen naast het meer. Ze zien me en lijken teleurgesteld dat de bivakplek die ze graag hadden willen nemen, al bezet is. Ze zetten hun tent een 500m terug op naast het meer. Het is een Hilleberg Keron. Maar dan zet de kerel nog een tweede grote tent recht waar ze in gaan koken en eten. Hoe onnozel kun je zijn om twee grote tenten mee te sleuren!

’s Avonds vallen er weer winterse buien, een mengelmoes van natte sneeuw en stofhagel. Ik heb het gelukkig onderweg vandaag droog kunnen houden. Het wordt donker wanneer ik ga slapen. ’s Nachts word ik wakker rond middernacht en hoor weer vreemde geluiden. Ik herken het meteen. Het is het geluid van sneeuwvlokken die neerdwarrelen en zich in een alsmaar dikkere laag vast hechten op de tarp. Het sneeuwt hard. Enkele keren wanneer ik wakker word schud ik de sneeuwlaag van het zeil. Later tijdens de nacht wordt het droog.

Zondag 31 augustus: Snavvavagge – Rapadalen boven Skårkistugan

Een eindeloze klim, hoog op de sneeuw, afgronden, gletsjers en steen, alleen op de wereld

  • Start: Snavvavagge (980m)
  • Aankomst: Rapadalen boven Skårkistugan (780m)
  • Afstand: 3,0km (Lådebakte +5,0km ; Snavvatjåhkkå & Soabbetjåhkkå +11,0km)
  • Duur: 0u50 (Lådebakte +3u50 ; Snavvatjåhkkå & Soabbetjåhkkå +5u00)
  • Klimmen: 80m (Lådebakte +557m ; Snavvatjåhkkå & Soabbetjåhkkå +1008m)
  • Dalen: 280m (Lådebakte +557m ; Snavvatjåhkkå & Soabbetjåhkkå +1008m)
  • Aantal mensen gezien: 5
  • Wadingen: Jilajåhkå (type 1)
  • Toppen: Låddebakte (1537m), Snavvatjåhkkå (1647m), Soabbetjåhkkå (1821m)

’s Ochtends sta ik op met de zonsopgang. Het is helder. Enkel in het noordwesten drijven wat lage wolken tegen het massief van Ruothes in de verte. Alles ziet wit. Er ligt een laag sneeuw van enkele centimeters dik. Het donkere meer heeft een spiegelgladde waterspiegel en steekt fel af in al dit wit. Er is nauwelijks wind. Wat een heerlijke ochtend. De rendierkudde is nu over de col aan het trekken. Ze lopen één voor één op een twintig à dertig meter voorbij, stoppen even om me te begluren en trippelen dan weer voort, kop in de lucht en wit pluizig staartje naar boven. Er zijn er die nog lang blijven grazen tussen de sneeuw aan de oever. Het duurt nog zeker vijf minuten tot de allerlaatste ook mee voorbij trekt.

Intussen wordt het wat minder plezant. Wanneer ik water bij mijn ontbijtmuesli wil voegen merk ik dat het water in mijn platypus gedeeltelijk bevroren is. Weer stom geweest door ook water in het slangetje te laten. Het is eveneens bevroren en dan merk ik dat het uitgezette ijs het slangetje heef